ECLI:NL:RBROT:2026:12466

ECLI:NL:RBROT:2026:12466

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 25-09-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer 11788447 CV EXPL 25-15263
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Verzet slaagt, verstekvonnis wordt vernietigd, de oorspronkelijke vordering wordt alsnog afgewezen. De kantonrechter oordeelt dat de zoon geen medehuurder wordt van zijn vaders woning, omdat medehuurderschap niet nodig is voor praktische zaken (een volmacht volstaat) en het verzoek enkel dient om de huur op termijn over te nemen. Bovendien is er geen sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding: de zoon draagt met zijn hoge inkomen vrijwel alle lasten en staat bovendien al jaren ingeschreven bij Woonnet Rijnmond.

Uitspraak

RECHTBANK ROTTERDAM

locatie Rotterdam

zaaknummer: 11788447 CV EXPL 25-15263

datum uitspraak: 25 september 2026

Vonnis van de kantonrechter

in de zaak van

Stichting Havensteder,

vestigingsplaats: Rotterdam,

eiseres in de hoofdzaak in verzet,

gemachtigde: mr. I.M.M. Versloot,

tegen

[de zoon] ,

woonplaats: [woonplaats] ,

gedaagde in de hoofdzaak in verzet,

gemachtigde: mr. D. Molenkamp.

en de gevoegde partij:

[huurder] ,

woonplaats: [woonplaats] ,

gemachtigde: mr. D. Molenkamp.

Partijen worden hierna ‘Havensteder’, ‘ [de zoon] ’ en ‘ [huurder] ’ genoemd.

1. De procedure

Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:

de dagvaarding van 22 april 2025, met bijlagen;

het verstekvonnis van deze rechtbank van 28 mei 2025 met zaaknummer 11674438 \ CV EXPL 25-10307;

de verzetdagvaarding van 24 juni 2025, met bijlagen;

het vonnis in het incident tot voeging van 29 mei 2026;

de conclusie van antwoord in verzet, tevens akte uitlating gevoegde partij zijdens [de zoon] en [huurder] van 2 juli 2026, met bijlagen.

Op 16 juli 2026 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig

[persoon A] namens Havensteder met de gemachtigde en [de zoon] en [huurder] met hun gemachtigde.

2. De beoordeling

Waar gaat de zaak over?

[huurder] huurt sinds 1 december 2001 de woning aan [adres] in [plaats] (hierna: de woning) van (de rechtsvoorganger van) Havensteder. [de zoon] is de zoon van [huurder] en verblijft sinds 11 december 2001 in de woning, tegenwoordig samen met zijn eigen vrouw en kinderen. Op 5 september 2024 hebben vader en zoon samen een verzoek tot medehuurderschap van [de zoon] ingediend. Omdat Havensteder dit verzoek heeft afgewezen, was [de zoon] een procedure gestart om alsnog medehuurder te worden van de woning. Bij verstekvonnis van 28 mei 2025 is zijn vordering toegewezen. Havensteder is het daarmee niet eens en is deze verzetprocedure gestart omdat geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen vader en zoon. Volgens haar heeft het verzoek tot medehuurderschap alleen de strekking om [de zoon] op korte termijn de positie van huurder te verschaffen. Geoordeeld wordt dat de vordering van [de zoon] om medehuurder te worden alsnog wordt afgewezen. Hierna wordt deze beslissing verder uitgelegd.

Voldoende belang?

Voorop wordt gesteld dat op grond van artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zonder voldoende belang niemand een rechtsvordering toekomt. [de zoon] heeft op de zitting uitgelegd waarom hij medehuurder wil worden. Hij wil voor zijn vader de contacten onderhouden met Havensteder en derde partijen (zoals energie- en waterleveranciers). Ook wil hij onderhoudsverzoeken kunnen regelen en wenst hij dat de feitelijke situatie aansluit bij de juridische werkelijkheid.

De kantonrechter overweegt dat voor het verrichten van voormelde praktische en administratieve handelingen geen medehuurderschap in de zin van artikel 7:267 BW vereist is. Deze handelingen kunnen namelijk simpelweg worden verricht op basis van een volmacht en dat gebeurt ook al geruime tijd in de praktijk. De wens om als formele contractspartij te worden aangeschreven, levert op zichzelf onvoldoende zwaarwegend juridisch belang op om de huidige huurverhouding (waarin alleen [huurder] de officiële huurder is) te veranderen. Omdat iedere objectieve noodzaak voor het medehuurderschap tijdens het leven van [huurder] ontbreekt, volgt de kantonrechter Havensteder in haar stelling dat de vordering feitelijk (slechts) de strekking heeft om [de zoon] op termijn de positie van huurder te verschaffen. Dit levert op grond van artikel 7:267 lid 3 sub b BW een dwingende afwijzingsgrond op.

Geen duurzame gemeenschappelijke huishouding

Zelfs als er wel voldoende belang zou zijn, zou dat niets uitmaken voor de uitkomst in deze zaak. Volgens vaste jurisprudentie geldt namelijk bij een samenleven van een ouder en een volwassen kind als uitgangspunt dat sprake is van een aflopende samenlevingssituatie. Alleen in het geval van bijzondere omstandigheden kan worden aangenomen dat sprake is van een blijvende gemeenschappelijke huishouding maar van dergelijke bijzondere omstandigheden is hier onvoldoende gebleken. Weliswaar woont

[de zoon] al vele jaren in de woning, maar uit de feitelijke gang van zaken ter zitting is gebleken dat de financiële verwevenheid grotendeels eenzijdig is. [de zoon] bekostigt vrijwel alle vaste lasten en voorziet in zijn eigen gezinsbehoefte met een aanzienlijk inkomen (circa € 109.000,- bruto per jaar), terwijl de bijdrage van de vader beperkt is. Daarmee ontbreekt de voor een gemeenschappelijke huishouding kenmerkende financiële wederkerigheid en evenwichtige lotsverbondenheid. Daarbij weegt voorts zwaar mee dat [de zoon] zich in 2015 heeft ingeschreven als woningzoekende bij Woonnet Rijnmond. Dat hij dit beschouwt als een ‘back-up’ of ‘verzekering’, doet er niet aan af dat hij hiermee wel degelijk anticipeert op een (mogelijk) vertrek uit de woning. Niet kan dan ook worden gezegd dat zijn intentie is om een duurzaam huishouden met zijn vader te blijven voeren.

Conclusie

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verzet van Havensteder doel treft. Het verstekvonnis van 28 mei 2025 zal worden vernietigd en de vorderingen van [de zoon] zullen alsnog worden afgewezen.

Proceskosten

De proceskosten komen voor rekening van [de zoon] en [huurder] , omdat zij ongelijk krijgen (artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)). De kantonrechter begroot de kosten die [de zoon] en [huurder] aan Havensteder moeten betalen op € 576,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 288,-) en € 144,- aan nakosten. Dat is in totaal € 720,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.

Uitvoerbaar bij voorraad

Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en [de zoon] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.

3. De beslissing

De kantonrechter:

vernietigt het verstekvonnis van deze rechtbank van 28 mei 2025 met zaaknummer zaaknummer 11674438 \ CV EXPL 25-10307;

en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [de zoon] af;

veroordeelt [de zoon] en [huurder] in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 720,-;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door kantonrechter mr. I.K. Rapmund en in het openbaar uitgesproken.

53954

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand