ECLI:NL:RBOVE:2026:5655

ECLI:NL:RBOVE:2026:5655

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer ZWO 26/1357
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Ingangsdatum Wajong. Eiser stelt dat de ingangsdatum zijn achttiende verjaardag moet zijn of van het eerste moment waarop het UWV kennis had kunnen nemen van de Wajong-relevante situatie. De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft besloten dat het recht op de Wajong-uitkering niet eerder in kan gaan dan 17 juli 2025, omdat dat de dag was waarop de aanvraag is ingediend.

Uitspraak

[eiser], uit [woonplaats], (hierna: [eiser])

gemachtigde: mr. M.P. Harten,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV)

gemachtigde: [gemachtigde].

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de ingangsdatum van Wajong-uitkering van [eiser] per 17 juli 2025. [eiser] stelt dat de ingangsdatum eerder had moeten worden vastgesteld en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat UWV terecht heeft besloten dat zijn recht op de Wajong-uitkering niet eerder in kan gaan dan 17 juli 2025, omdat dat de dag was waarop de aanvraag is ingediend. [eiser] krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Inleiding

1. [eiser] is geboren op [geboortedatum] 2001 en is op [geboortedatum] 2019 achttien jaar geworden. Sinds januari 2023 had hij recht op een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet en kreeg hij ook begeleiding vanuit de gemeente. Op 17 juli 2025 heeft hij met het aanvraagformulier beoordeling arbeidsvermogen een Wajong-uitkering aangevraagd.

Het UWV heeft met het besluit van 11 november 2025 een Wajong-uitkering toegekend met ingang van 17 juli 2025. [eiser] heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit, omdat hij vindt dat de Wajong-uitkering vanaf zijn achttiende verjaardag moet worden toegekend. Met het bestreden besluit van 23 maart 2026 heeft het UWV het bezwaar ongegrond verklaard en is de ingangsdatum dus niet gewijzigd.

[eiser] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft daarop gereageerd met een verweerschrift.

De rechtbank heeft het beroep op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser], zijn gemachtigde en de gemachtigde van het UWV. Standpunten van [eiser]

2. [eiser] vindt dat het UWV zijn Wajong-uitkering met een eerdere ingangsdatum had moeten toekennen, omdat hij niet in staat was om eerder dan 17 juli 2025 een aanvraag in te dienen. Dat komt door een combinatie van ASS/LVB/ADHD en PTSS-achtige klachten, jeugdtrauma, gesloten plaatsingen, langdurige instabiliteit, ontbreken van begeleiding en zijn verblijf in Duitsland. Gelet op deze feiten en omstandigheden had het UWV hier bij de Wajong-beoordeling al onderzoek naar moeten doen en moeten onderkennen dat hij tot het eerder indienen van een aanvraag niet in staat was. Vervolgens had het UWV ambtshalve een eerdere ingangsdatum moeten vaststellen. [eiser] verzoekt primair om de ingangsdatum vast te stellen op zijn achttiende verjaardag en subsidiair op het eerste moment waarop het UWV kennis had kunnen nemen van de Wajong-relevante situatie, in ieder geval naar aanleiding van zijn WW-aanvraag in 2022.

Ook vindt [eiser] dat het bestreden besluit innerlijk tegenstrijdig is omdat het UWV in de beslissing op bezwaar de feitelijke onmacht om eerder een aanvraag te doen wel heeft erkent, maar heeft besloten dat de wet desondanks geen ruimte biedt. Volgens [eiser] is niet onderzocht wat die onmacht betekent voor het antwoord op de vraag of vasthouden aan de aanvraagdatum tot kennelijke hardheid leidt. Zijn e-mail van 29 juli 2025, waarin de feiten en omstandigheden vermeld staan, is ook niet expliciet bij de beoordeling betrokken.

[eiser] verzoekt de rechtbank om het UWV te gelasten om het volledige dossier over te leggen en om een onafhankelijk deskundige te benoemen, indien de medische grondslag of de retrospectieve beoordeling onvoldoende duidelijk is. Verder voert [eiser] aan dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, omdat de weigering om met een eerdere ingangsdatum toe te kennen zeer ingrijpende financiële gevolgen heeft.

Standpunten van het UWV

3. Volgens het UWV kan de Wajong-uitkering van [eiser] niet eerder ingaan dan op het moment van zijn aanvraag op 17 juli 2025, omdat niet is gebleken dat hij niet in staat was om eerder een aanvraag in te dienen. Uit de WW-aanvraag in 2022 en de aanvraag voor een doelgroepverklaring loonkostenvoordeel in 2024 blijkt dat hij daartoe wel in staat was. Ook is bij deze aanvragen geen medische informatie opgestuurd, waaruit zou kunnen blijken dat [eiser] mogelijk aan de voorwaarden van een Wajong-uitkering zou voldoen.

Beoordeling door de rechtbank

4. De rechtbank is van oordeel dat het UWV terecht de datum van de aanvraag als ingangsdatum heeft gehanteerd. De rechtbank licht dit als volgt toe.

In artikel 1a:11, eerste lid, van de Wajong is bepaald dat het UWV op aanvraag vaststelt of er recht op een Wajong-uitkering bestaat. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat het recht op een Wajong-uitkering ontstaat op de dag waarop de aanvraag werd ingediend, met dien verstande dat dit recht niet eerder kan ontstaan dan de dag waarop de betrokkene

18 jaar wordt. In het vierde lid van dit artikel is het UWV bevoegd het recht op een

Wajong-uitkering ambtshalve toe te kennen als de toepassing van het eerste lid zou leiden tot kennelijke hardheid.

Uit de tekst en wetsgeschiedenis van artikel 1a:11 van de Wajong volgt dat het recht op een Wajong-uitkering op aanvraag wordt vastgesteld en dat het recht op uitkering niet eerder dan op de aanvraagdatum kan ontstaan. In gevallen waarin het niet of te laat doen van een aanvraag zou leiden tot kennelijke hardheid, geeft het vierde lid aan het UWV de bevoegdheid het recht op uitkering in afwijking van het eerste lid ook ambtshalve (dus zonder aanvraag) vast te stellen en toe te kennen. Er kunnen zich blijkens de wetsgeschiedenis omstandigheden voordoen waarbij het doen van een aanvraag als voorwaarde om het recht op een Wajong-uitkering te kunnen vaststellen, leidt tot een kennelijke hardheid. Daarbij is door de wetgever bijvoorbeeld gedacht aan situaties waarin de jonggehandicapte niet in staat was een aanvraag in te dienen.

Over de ingangsdatum van een ambtshalve toegekende uitkering heeft de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraak van 1 mei 2024 overwogen dat die datum wordt vastgesteld op het moment waarop het UWV kennis heeft kunnen nemen van een situatie waarin mogelijk sprake is van een recht op Wajong-uitkering en de voorwaarde van het doen van een aanvraag (op dat moment) leidt tot een kennelijke hardheid. Het toekennen van een uitkering met terugwerkende kracht vóór datum aanvraag of vóór het moment waarop het Wajong-recht met toepassing van het vierde lid ambtshalve had moeten worden vastgesteld, is niet mogelijk.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak geen sprake is van een situatie waarin het doen van een aanvraag als voorwaarde voor toekenning van een Wajong-uitkering leidt tot een kennelijke hardheid. De rechtbank maakt uit het dossier en de beroepsgronden weliswaar op dat er veel in het leven van [eiser] heeft gespeeld, maar daaruit blijkt niet dat hij (al dan niet met behulp van anderen) niet in staat was om eerder dan 17 juli 2025 een aanvraag in te dienen. Het UWV heeft daarvoor terecht gewezen op de WW-aanvraag uit 2022, die hij wel heeft ingediend. Daarbij komt dat bij die WW-aanvraag geen medische informatie is meegestuurd waaruit het UWV had kunnen opmaken dat mogelijk sprake was van een recht op een Wajong-uitkering. De rechtbank overweegt dat artikel 1a:11 van de Wajong geen algemene hardheidsclausule betreft, waarmee op grond van de combinatie van de gezondheidsklachten van [eiser] en omstandigheden een ingangsdatum ambtshalve kan worden vervroegd. Anders dan [eiser] stelt is het ook niet zo dat het UWV bij de beoordeling van zijn aanvraag gehouden was om te onderzoeken of de ingangsdatum eerder kon worden vastgesteld, op grond van artikel 1a:11, vierder lid van de Wajong. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat het UWV terecht heeft besloten dat de Wajong-uitkering niet eerder kan ingaan dan op de datum van de aanvraag, te weten op 17 juli 2025.

De rechtbank ziet geen aanleiding om een onafhankelijk deskundige te benoemen, omdat een beoordeling van een onafhankelijke deskundige op dit moment niet meer tot een situatie kan leiden waarin het UWV op een eerder moment (vóór 17 juli 2025) al kennis had kunnen nemen van een situatie waarin mogelijk sprake was van een recht op een Wajong-uitkering.

De rechtbank is van oordeel dat de door [eiser] aangewezen innerlijke tegenstrijdigheid geen afbreuk doet aan de toereikendheid van de motivering van de bestreden beslissing. Het UWV heeft enerzijds begrip getoond voor de omstandigheden waardoor het voor [eiser] wellicht niet haalbaar was om de juiste uitkering aan te vragen, maar anderzijds overwogen dat desondanks de wet geen ruimte biedt om een Wajonguitkering toe te kennen vanaf een datum die ligt vóór de datum van de aanvraag. Enerzijds begrip voor de situatie en anderzijds een strikte wettelijke toepassing sluiten elkaar niet uit. Dat het UWV in dit geval terecht tot de conclusie is gekomen dat de wet geen ruimte biedt om een Wajong-uitkering toe te kennen met terugwerkende kracht, heeft de rechtbank onder 4.4. overwogen.

Het beroep op het evenredigheidsbeginsel slaagt ook niet, omdat [eiser] dit standpunt niet nader heeft onderbouwd met de specifieke nadelige gevolgen van het bestreden besluit voor [eiser] in relatie tot de met het bestreden besluit te dienen doelen.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat [eiser] geen gelijk krijgt. [eiser] krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van J.T. Boddeüs, griffier. Uitgesproken in het openbaar op

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand