RECHTBANK OVERIJSSEL
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres], uit [woonplaats], eiseres (hierna: [eiseres]),
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV),
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 26/789
gemachtigde: mr. H. Oldenhof,
en
gemachtigde: [gemachtigde].
Procesverloop
Bij besluit van 21 mei 2025 heeft het UWV [eiseres] meegedeeld dat zij geen recht heeft op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA).
[eiseres] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Met het bestreden besluit van
21 januari 2026 op het bezwaar van [eiseres] is het UWV bij dit besluit gebleven.
[eiseres] heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 10 juni 2026 op zitting behandeld. [eiseres] is verschenen, bijgestaan door haar begeleider [naam 1] en door haar gemachtigde. Het UWV heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Totstandkoming van het bestreden besluit
[eiseres] is werkzaam geweest als conciërge voor 24 uur per week bij Kunstencentrum Muzerie. Op 28 februari 2011 heeft zij zich ziek gemeld. Zij heeft het UWV verzocht haar een WIA-uitkering toe te kennen. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het UWV [eiseres] bij besluit van 9 januari 2014 meegedeeld dat zij per
24 februari 2024 geen recht heeft op een WIA-uitkering. [eiseres] heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 22 juli 2014 heeft het UWV dit bezwaar ongegrond verklaard.
Op 2 januari 2025 heeft [eiseres] het UWV verzocht om een herbeoordeling WIA. Na verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft besluitvorming plaatsgevonden, zoals vermeld onder 'Procesverloop'.
Standpunten van partijen
Het UWV stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat [eiseres] geen recht heeft op een WIA-uitkering. Er is geen sprake van toegenomen beperkingen door dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de eerdere schatting. Het UWV heeft hierbij verwezen naar het rapport van 14 januari 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
[eiseres] stelt dat zij voldoet aan de voorwaarden om voor een WIA-uitkering in aanmerking te komen. De toegenomen beperkingen die zij ervaart zijn het gevolg van dezelfde ziekteoorzaak. [eiseres] heeft een brief van 7 mei 2026 van psycholoog
G.J. Nijland, een brief van 22 mei 2026 van haar huisarts, een brief van 28 mei 2026 van podoloog E. Wink en een brief van 4 juni 2026 van verpleegkundige M. Nijenbrinks in geding gebracht.
Het UWV ziet in het aangevoerde geen aanleiding zijn standpunt te wijzigen. Het UWV heeft daarbij verwezen naar het rapport van 28 mei 2026 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
Beoordeling door de rechtbank
4. De rechtbank beoordeelt of het UWV terecht heeft geconcludeerd dat [eiseres] geen recht heeft op een WIA-uitkering, nu zij niet toegenomen arbeidsongeschikt is als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de eerdere schatting. De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep niet slaagt.
De verzekeringsarts heeft in zijn rapport van 15 mei 2025 vastgesteld dat de door [eiseres] benoemde en in de schriftelijke curatieve informatie bevestigde, na de laatste beoordeling vastgestelde aandoeningen, ASS, Ehlers-Danlos en fibromyalgie niet binnen vijf jaar na de laatste beoordeling zijn vastgesteld. Vanwege het chronische karakter van deze aandoeningen acht de verzekeringsarts het echter waarschijnlijk dat deze reeds bij de laatste beoordelingen aanwezig waren, en dus de belastbaarheid konden beïnvloeden. Dit geldt voor de destijds beschreven pijnklachten, vermoeidheidsklachten en de destijds al beschreven drukte in het hoofd en de beschreven moeite met veel prikkels om te gaan. Eventueel binnen vijf jaar toegenomen beperkingen zouden dan weliswaar niet het gevolg zijn van dezelfde vastgestelde aandoeningen, echter mogelijk wel van dezelfde ziekteoorzaak. Er zijn nadien nog andere diagnoses gesteld, echter deze waren gezien hun aard niet al aanwezig bij de laatste beoordeling. Derhalve betreffen deze per definitie niet dezelfde ziekteoorzaak.De verzekeringsarts heeft de laatste Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 mei 2014 beoordeeld, gerelateerd aan genoemde drie aandoeningen. Deze FML beschrijft al forse beperkingen ten aanzien van de psychische belastbaarheid én de prikkelverwerkingscapaciteit, naast een aangewezen zijn op fysiek niet zware arbeid. Met het eerste wordt naar oordeel van de verzekeringsarts al adequaat rekening gehouden met de destijds dus ook al aanwezige echter nog niet bekende ASS. Met de beperkingen ten aanzien van zware fysieke belasting werd tevens adequaat rekening gehouden met de destijds waarschijnlijk ook al aanwezige Ehlers-Danlos en de fibromyalgie. Reden om van toegenomen beperkingen uit te gaan ontstaat derhalve niet.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 14 januari 2026 geconcludeerd dat er geen medische argumenten zijn om de primaire beoordeling niet handhaafbaar te achten. De overwegingen van de verzekeringsarts zijn navolgbaar. In bezwaar heeft [eiseres] geen medische gegevens ingebracht. De claim dat [eiseres] binnen vijf jaar na 14 januari 2014 meer beperkt is dan aangenomen is niet onderbouwd met (nieuwe) medische feiten en treft dan ook geen doel.
De rechtbank is van oordeel dat de verzekeringsartsen navolgbaar hebben gemotiveerd dat de beperkingen van [eiseres] binnen vijf jaar na de eerdere WIA-beoordeling niet zijn toegenomen als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak.
De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in de rapportage van 28 mei 2026 afdoende gemotiveerd waarom hij in het aangevoerde en in de door [eiseres] in beroep overgelegde medische gegevens geen aanleiding ziet om anders te concluderen. Daarbij heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat de (behandelend) psycholoog zich met het opstellen van een psychologische verklaring en de conclusie dat [eiseres] niet in staat is om deel te nemen aan het arbeidsproces, begeeft buiten zijn deskundigheidsgebied. De psycholoog mag uiteraard wel - met toestemming van cliënt - feitelijke informatie verstrekken. De behandelend psycholoog heeft niet aangegeven op welke periode zijn verklaring toeziet en uit de verklaring volgt geen diagnose conform DSM-5 en geen informatie over behandeling. Wat betreft de beschreven door [eiseres] ervaren psychische klachten blijkt geen sprake van nieuwe klachten anders dan beschreven in de medische rapportage van 15 mei 2025 van de verzekeringsarts. De rechtbank ziet geen aanleiding de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in zijn conclusies.
Conclusie en gevolgen
5. Gelet op het voorgaande, heeft het UWV terecht geconcludeerd dat [eiseres] niet toegenomen arbeidsongeschikt is als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak binnen vijf jaar na de eerdere schatting. Het UWV heeft dan ook terecht vastgesteld dat [eiseres] geen recht heeft op een WIA-uitkering.
6. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
7. Omdat het beroep ongegrond is, krijgt [eiseres] het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F. Koster, rechter, in aanwezigheid van W. Veldman, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.