RECHTBANK Overijssel
Civiel recht
Zittingsplaats Almelo
Zaaknummer: C/08/350858 / KG ZA 26-192
Vonnis in kort geding van 10 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
wonend in [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. S.L. Geeraths,
tegen
[gedaagde] ,
wonend/verblijvend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
verschenen in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding in kort geding (met verkorte dagvaardingstermijn) met 2 producties, die is betekend op 21 augustus 2026,- de mondelinge behandeling van 27 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2. De feiten
[eiser] en [gedaagde] hebben een affectieve relatie gehad. Zij zijn op 15 juli 2004 een samenlevingsovereenkomst aangegaan.
Uit de affectieve relatie tussen [eiser] en [gedaagde] zijn vier minderjarige kinderen geboren, te weten:
[minderjarige 1] , geboren [geboortedatum 1] 2008;
[minderjarige 2] , geboren [geboortedatum 2] 2010;
[minderjarige 3] , geboren [geboortedatum 3] 2013;
[minderjarige 4] , geboren [geboortedatum 4] 2015.
[gedaagde] heeft de kinderen erkend en is samen met [eiser] belast met het gezag over de minderjarige kinderen.
Tussen partijen loopt op dit moment een procedure bij de afdeling Familie en Jeugd van deze rechtbank. In die procedure is [eiser] de eisende partij. De inzet van die procedure is (i) een vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarige kinderen bij [eiser] en (ii) een verkrijging door [eiser] van eenhoofdig gezag over de minderjarige kinderen.
3. Het geschil
[eiser] vordert samengevat - dat aan [gedaagde] een locatie- en contactverbod wordt opgelegd.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Het gaat hier om vorderingen in kort geding. Volgens de wet kunnen die worden toegewezen in het geval van een spoedeisende zaak waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad vereist is (artikel 254 lid 1 Rv). Het gaat in een kort geding uitdrukkelijk om een voorlopige voorziening, een ordemaatregel. Een oordeel in kort geding is niet van beslissende invloed op het oordeel in een eventuele bodemprocedure.
Aangezien een contact- en locatieverbod inbreuk maakt op het recht om vrijelijk te communiceren en zich vrijelijk te verplaatsen, stelt de voorzieningenrechter voorop dat toewijzing van dergelijke verboden pas aan de orde kan zijn indien sprake is van in hoge mate aannemelijke feiten en omstandigheden die een dergelijke inbreuk kunnen rechtvaardigen. Een locatie- en contactverbod kan alleen worden toegewezen als sprake is van ernstig onrechtmatig handelen en van concreet gevaar voor herhaling daarvan. Bij de beantwoording van de vraag of de verboden gerechtvaardigd zijn, moeten alle omstandigheden van het geval en de belangen van partijen in acht worden genomen.
Contactverbod
[eiser] vordert een contactverbod voor de duur van een jaar. De vordering houdt in dat het [gedaagde] gedurende een jaar wordt verboden om contact op te nemen met [eiser] en de minderjarige kinderen, uitgezonderd contacten onder regie van de hulpverlening. [eiser] verzoekt om aan deze hoofdveroordeling een dwangsom te verbinden van € 250,00 per (gedeelte van een) dag dat het verbod door [gedaagde] niet wordt nageleefd.
[eiser] betoogt dat naar haar overtuiging [gedaagde] al gedurende langere tijd kampt met ernstige psychiatrische problematiek, waarbij hij suïcidale gedachten lijkt te hebben. Volgens [eiser] ontkent [gedaagde] zijn problematiek en weigert hij (psychiatrische) hulpverlening te accepteren.
[eiser] verwijst, specifiek ter onderbouwing van het gevorderde contactverbod tussen [gedaagde] en haar, naar de moeizame contacten tussen hen, waarbij [gedaagde] zich erg negatief uitlaat over haar. [gedaagde] maakt haar voortdurend verwijten en lijkt niet in staat om op constructieve wijze met haar te communiceren, aldus [eiser] . [eiser] wil voorkomen dat de stroom van contacten vanuit ertoe zal leiden dat zij niet langer in staat is om de belangen van de minderjarige kinderen te behartigen. Ter adstructie heeft [eiser] WhatsApp- en e-mailberichten in het geding gebracht, die dateren van de maanden juli en augustus 2026.
Ter onderbouwing van het gevorderde contactverbod tussen [gedaagde] en de kinderen voert [eiser] aan dat [gedaagde] hen berichten stuurt waardoor zij van hun stuk worden gebracht en onnodig worden blootgesteld aan de problematiek van [gedaagde] . Ter adstructie zijn ook hier door [eiser] WhatsApp- en e-mailberichten in het geding gebracht.
[gedaagde] betoogt dat het contactverbod moet worden afgewezen. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat hij inderdaad behoefte heeft aan hulp (en ook stappen zet om deze te krijgen), maar dat zijn situatie niet zodanig slecht is als [eiser] wil doen geloven. [gedaagde] vindt dat hij als ouder recht heeft op contact met zijn kinderen, en dat dit niet louter onder controle van buitenstaanders mogelijk zou moeten zijn.
De voorzieningenrechter ziet in de door [eiser] gestelde feiten en omstandigheden onvoldoende grond voor toewijzing van een contactverbod. De door [eiser] overgelegde communicatie-uitingen van de zijde van [gedaagde] zijn qua inhoud weliswaar ernstig, belastend en soms ook (richting [eiser] ) intimiderend, maar niet kan worden gezegd dat hiermee sprake is van een zodanige inbreuk op de rechten van [eiser] en de minderjarige kinderen dat een contactverbod zoals gevorderd gerechtvaardigd is.
Daarbij is in aanmerking genomen dat – naar de stand van dit moment, op basis van het dossier zoals het er nu ligt – minder verstrekkende oplossingen dan een contactverbod mogelijk zijn om de kans op ongewenste contactmomenten voor [eiser] met [gedaagde] te verkleinen. Zo heeft zij hem geblokkeerd op WhatsApp. Dit is ook voor andere wegen waarop [gedaagde] [eiser] probeert te bereiken mogelijk, mits verenigbaar met (de uitoefening van) het gezamenlijk gezag over hun kinderen.
Verder is in deze procedure wel gesteld, maar niet (voldoende) gebleken dat contact van [gedaagde] met de kinderen voor hen ernstig nadeel zal opleveren. Daarbij komt dat, zo heeft [gedaagde] op zichzelf onbetwist aangevoerd, (een deel van) de kinderen zelf ook contact met hem zoekt.
Locatieverbod
Ter onderbouwing van dit verbod heeft [eiser] in de dagvaarding gewezen op incidenten die zich hebben voorgedaan op 20 en 21 augustus 2026.
Op eerstgenoemde datum is [gedaagde] naar het terrein gegaan waar [eiser] en de kinderen woonachtig zijn, aan de [adres 1]. Aldaar is [gedaagde] , na te hebben aangegeven dat hij een overdosis paracetamol had geslikt en nog een uur te leven zou hebben, in elkaar gezakt en – na hulpverlening door [eiser] en onder toeziend oog van de kinderen – onder begeleiding van de politie naar het ziekenhuis gebracht.
De dag erna is hij opnieuw naar naar het terrein aan de [adres 1] gegaan, waar hij heeft staan huilen en schreeuwen en onder druk van de politie het terrein heeft verlaten. Ter zitting heeft [eiser] daaraan toegevoegd dat [gedaagde] haar recent heeft bericht dat “hij op woensdagavond zou komen om pannenkoeken te bakken”, waarbij hij haar heeft laten weten dat hij volledig in zijn recht stond.
[gedaagde] heeft een en ander niet betwist. Ter zitting heeft hij er echter op gewezen dat het gaat om een hem (deels) in eigendom toebehorende woning op zijn geboortegrond en dat hij het door hem gestichte voedselbos wil (kunnen) onderhouden.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt.
[gedaagde] lijkt zich niet bewust van de impact van zijn handelen op [eiser] en de kinderen, waarbij hij zich niets aantrekt van verzoeken van [eiser] het terrein te verlaten, getuige het feit dat er tot tweemaal toe politie aan te pas moest komen om hem van het terrein te geleiden. Gelet op zijn bericht over het “pannenkoeken komen bakken” en zijn stellingen op zitting lijkt het erop dat [gedaagde] meent dat het zijn goed recht is om zich zonder overleg met/toestemming van [eiser] naar de woning te begeven. Zijn belangen om zich (ongevraagd/zonder overleg) op het terrein te begeven wegen echter niet op tegen de belangen van [eiser] en de kinderen daar ongestoord te wonen. De conclusie is dan ook dat het gevorderde locatieverbod wordt toegewezen, zij het in verband met de eisen van proportionaliteit beperkt in geografische zin (gelet op het feit dat [gedaagde] verblijft op de camping aan de [adres 2]) en in duur (zes maanden).
Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van het locatieverbod is aangewezen. De dwangsom zal worden gemaximeerd als na te volgen.
Tevens zal de voorzieningenrechter bepalen dat het locatieverbod ten aanzien van gedaagde kan worden gehandhaafd met behulp van de sterke arm.
Gelet op de (gewezen) relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
verbiedt [gedaagde] gedurende zes maanden na betekening van dit vonnis zich te bevinden op de [adres 2] voor zover gelegen tussen de (kruisingen met) de [adres 3] en de [adres 4],
machtigt [eiser] om met behulp van de sterke arm van justitie en politie de tenuitvoerlegging van dit vonnis te bewerkstelligen, indien [gedaagde] het onder 5.1. van dit vonnis bepaalde verbod overtreedt.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat hij niet aan de in rechtsoverweging 5.1 geformuleerde hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt,
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 10 september 2026.
!
!
!