ECLI:NL:RBOVE:2026:5575

ECLI:NL:RBOVE:2026:5575

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 20-09-2026
Zaaknummer 12095107 \ EJ VERZ 26-41
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

Arbeidszaak Ontslag op staande voet vanwege grensoverschrijdend gedrag houdt geen stand. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van werknemer en de omstandigheid dat niet is gebleken dat werkgever werknemer voldoende indringend heeft gewaarschuwd, geen dringende reden. Toekenning verschillende vergoedingen

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer / rekestnummer: 12095107 \ EJ VERZ 26-41

Beschikking van 9 september 2026

in de zaak van

[verzoeker] ,

wonende in [woonplaats],

verzoekende partij,

hierna te noemen: [verzoeker],

gemachtigde: mr. S. Gerrits,

procederend met een toevoeging, afgegeven onder nummer [nummer]

tegen

de besloten vennootschap [verweerder] B.V.,

gevestigd in [vestigingsplaats],

verwerende partij,

hierna te noemen: [verweerder],

gemachtigde: mr. P. Raven.

De zaak in het kort

[verzoeker] is door [verweerder] op staande voet ontslagen vanwege (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. In deze zaak gaat het om de vraag of dat ontslag terecht is geweest. [verzoeker] vindt van niet, en vraagt om toekenning van verschillende vergoedingen. De kantonrechter wijst het verzoek grotendeels toe, omdat het ontslag niet (rechts)geldig is gegeven.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift,

- producties van [verweerder],

- de geplande mondelinge behandeling van 30 april 2026, die niet is doorgegaan,

- de pleitnota met daarin ook het verweerschrift van [verweerder], met nadere producties,

- de mondelinge behandeling van 24 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,

- spreekaantekeningen van [verzoeker].

De nadere producties van [verweerder] zijn minder dan 10 dagen voor de mondelinge behandeling ingediend. Ter zitting van 24 augustus 2026 heeft de kantonrechter beslist dat deze producties, hoewel formeel gezien te laat ingediend, worden toegelaten.

Aan het einde van de mondelinge behandeling heeft de kantonrechter meegedeeld wanneer er een beschikking in deze zaak zal komen.

2. De feiten

[verweerder] is een bedrijf dat gespecialiseerd is in het vervaardigen van huishoudtextiel en geconfectioneerde artikelen voor stoffering, en een groothandel in gordijnen, stoffen en matten. Een van de bestuurders van [verweerder] is de heer [naam] (hierna: [naam]). [bedrijf] (hierna: [bedrijf]) verzorgd onder meer HR-werkzaamheden voor [verweerder].

[verzoeker], geboren op [geboortedatum] 1967 in Afghanistan, is op 23 oktober 2000 in dienst getreden bij [verweerder], in de functie van Algemeen medewerker gordijnen, met een (voltijd) loon van € 3.310,63 bruto per maand.

[verweerder] heeft per brief van 2 december 2025 aan [verzoeker] laten weten dat hij met onmiddellijke ingang is geschorst, in afwachting van een onderzoek.

Vervolgens heeft [verweerder] [verzoeker] uitgenodigd voor een gesprek op 5 december 2025. Bij dit gesprek waren de schoondochter en (via telefoon) de gemachtigde van [verzoeker] aanwezig. [verweerder] heeft tijdens dit gesprek geconfronteerd met de uitkomst van het onderzoek, kort gezegd dat uit verklaringen van zes medewerkers van [verweerder] blijkt dat [verzoeker] zich schuldig heeft gemaakt aan seksueel grensoverschrijdend gedrag. Het gesprek is voortijdig geëindigd, omdat [verzoeker] aangaf dat hij niet in staat was het gesprek voort te zetten.

Hierna heeft [verweerder] meerdere keren geprobeerd om in contact te komen met de gemachtigde van [verzoeker].

Bij brief van 11 december 2025 heeft [verweerder] [verzoeker] op staande voet ontslagen. In de brief worden de volgende redenen voor het ontslag genoemd:

“De gedragingen die aan het ontslag op staande voet ten grondslag liggen

De dringende reden voor ontslag bestaat uit de volgende gedragingen:

• seksueel getinte opmerkingen richting meerdere collega's, waaronder opmerkingen over hun borsten, billen, lichamen en herhaalde verzoeken om lichamelijke acties (o.a. kusjes);

• ongewenste fysieke aanrakingen zoals het vasthouden van handen, het aanraken van schouders, rug, nek, zij en buik en het langdurig en zeer dichtbij staan of over medewerkers heen buigen;

• het misbruiken van een afhankelijkheidsrelatie door aan Medewerker A te vragen om kusjes in ruil voor werkhulp, terwijl zij alleen met u aanwezig was en niemand anders ter plaatse om hulp kon vragen;

• structureel, herhaald en intimiderend grensoverschrijdend gedrag dat zich over langere tijd en richting meerdere vrouwelijke collega's heeft voorgedaan.”

[verzoeker] heeft [verweerder] op 29 december 2025 een brief gestuurd waarin hij aangeeft het niet eens te zijn met het ontslag op staande voet. In deze brief is [verweerder] ook gesommeerd tot het betalen van achterstallig loon en afgifte van het personeelsdossier van [verzoeker].

[verweerder] heeft op 8 januari 2026 gereageerd op de brief van [verzoeker]. In deze brief heeft [verweerder] aangegeven dat zij het ontslag rechtsgeldig heeft gegeven, en wijst de aanspraken van [verzoeker] op betaling van loon af.

Overleg tussen partijen hierna heeft niet tot een regeling geleid.

Op dit moment is [verzoeker] arbeidsongeschikt, als gevolg van stress en depressieve klachten die zijn ontstaan na het ontslag.

3. Het verzoek en het verweer

[verzoeker] verzoekt – samengevat – de kantonrechter om bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad:

I. Een verklaring voor recht af te geven aangaande het onterecht gegeven ontslag op staande voet van 11 december 2025;

II. [verweerder] te veroordelen tot betaling van een gefixeerde schadevergoeding ter hoogte van het brutoloon (van € 3.065,40 exclusief 8% vakantiegeld) over de wettelijke opzegtermijn die bij een regelmatige opzegging in acht genomen had dienen te worden;

III. [verweerder] te veroordelen tot betaling van het opgebouwde vakantiegeld van 8% over het brutoloon en de opgebouwde verlofuren tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd;

IV. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke verhoging van 50% ex artikel 7:625 BW over alle gevorderde loonbedragen onder II en III;

V. [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding van € 27.737,99;

VI. [verweerder] te veroordelen tot betaling van een billijke vergoeding van € 180.000,00 bruto wegens de onregelmatige opzegging en het ernstig verwijtbaar handelen door de werkgever;

VII. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de wettelijke rente over de som van voornoemde bedragen onder II tot en met VI vanaf de dag van hun opeisbaarheid en voor wat betreft de bedragen die nadien opeisbaar zijn geworden vanaf het tijdstip van opeisbaarheid van die bedragen, tot aan de dag van algehele betaling;

VIII. [verweerder] te veroordelen tot betaling van de kosten van dit geding, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

[verweerder] voert verweer.

Op de stellingen van partijen zal voor zover dat voor de beoordeling van belang is hierna worden ingegaan.

4. De beoordeling

Het gaat in deze zaak om de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is verleend en zo nee, of [verweerder] om die reden vergoedingen aan [verzoeker] moet betalen.

Het ontslag is onverwijld gegeven

[verzoeker] heeft allereerst aangevoerd dat [verweerder] het ontslag niet onverwijld heeft gegeven.

De kantonrechter is van oordeel dat [verweerder] het ontslag op staande voet onverwijld heeft gegeven. Voor dit oordeel is het volgende van belang. Op de zitting heeft [naam] verklaard dat hij op donderdag 27 november 2025 het eerste signaal kreeg van (mogelijk) seksueel grensoverschrijdend gedrag van [verzoeker]. Hierop heeft hij direct contact gezocht met [bedrijf]. Door [bedrijf] is in de dagen daarna een onderzoek gestart, en zij heeft in dat kader op 3 en 4 december 2025 met betrokken medewerkers gesproken. Op 5 december 2025 heeft [bedrijf] namens [verweerder] met [verzoeker] gesproken. Omdat dat gesprek niet kon worden voortgezet heeft [verweerder] (na het weekend van 6 en 7 december 2025) op 9 en 10 december 2025 contact gezocht met de gemachtigde van [verzoeker], per telefoon en e-mail, om het gesprek af te maken. Toen het niet lukte om met de gemachtigde van [verzoeker] in contact te komen heeft [verweerder] [verzoeker] op 11 december 2025 ontslagen. Uit deze gang van zaken, die door [verzoeker] niet is weersproken, volgt naar het oordeel van de kantonrechter dat [verweerder] voldoende voortvarend te werk is gegaan.

Het ontslag is niet terecht gegeven.

Een ontslag op staande voet is alleen geldig als daarvoor een dringende reden is. Dat wil zeggen zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, die tot gevolg hebben dat van de werkgever redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De dringende reden moet gelijktijdig met het ontslag worden meegedeeld. Volgens vaste rechtspraak moet de rechter bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag de omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking nemen. Hij moet hierbij de aard en de ernst van de dringende reden afwegen tegen de door de werknemer aangevoerde omstandigheden. Relevant zijn bijvoorbeeld de aard en de duur van de dienstbetrekking, de wijze waarop de werknemer de dienstbetrekking heeft vervuld en de wijze waarop de werkgever reageerde op eerdere soortgelijke gedragingen. Ook de gevolgen van het ontslag voor de werknemer dienen te worden meegewogen. Echter, ook als deze gevolgen ingrijpend zijn, kan een afweging van de persoonlijke omstandigheden tegen de aard en de ernst van de dringende reden tot de conclusie leiden dat het ontslag op staande voet gerechtvaardigd is. Voorop staat dat een ontslag op staande voet een ultimum remedium is. Gelet op de verstrekkende gevolgen van zo’n ontslag voor de werknemer mag dit alleen bij uitzondering worden gegeven.

Voordat kan worden beoordeeld of de verweten gedragingen een dringende reden opleveren, moet eerst worden vastgesteld of deze gedragingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden. [verzoeker] heeft dit namelijk ontkent.

De kantonrechter overweegt als volgt. De eerste verklaring is afgelegd door medewerker [getuige]. Zij heeft kort gezegd verklaard dat [verzoeker] seksueel getinte opmerkingen maakte, bijvoorbeeld over haar borsten en billen, dat [verzoeker] bij het uitleggen van het werken met een naaimachine erg dicht bij haar kwam en ongewenst haar hand aanraakte, dat [verzoeker] om kusjes vroeg als tegenprestatie voor hulp en dat zij door deze gebeurtenissen zich angstig en onveilig voelde, als ook daardoor spanningsklachten heeft gekregen. Dat [verzoeker] (te) dicht bij [getuige] stond bij het uitleggen van werkzaamheden is door twee andere medewerkers in hun verklaringen bevestigd. Ook komen seksueel getinte opmerkingen terug in alle vijf andere verklaringen van medewerkers, en komen in twee andere verklaringen van medewerkers terug dat [verzoeker] vroeg om kusjes, al dan niet als voorwaarde voor medewerking van [verzoeker] bij het uitvoeren van werkzaamheden. Twee andere medewerkers hebben naast [getuige] verklaard dat zij door het gedrag van [verzoeker] spanning op de werkvloer ervoeren, en heeft een andere medewerker verklaard dat zij de spanning en angst bij [getuige] heeft gezien. Verder komen ongewenste aanrakingen en het te dichtbij staan in meerdere andere verklaringen, naast de verklaring van [getuige], terug. Gelet hierop is de kantonrechter van oordeel dat in ieder geval voldoende vast is komen te staan dat [verzoeker] seksueel getinte opmerkingen naar verschillende vrouwelijke collega’s heeft gemaakt, dat hij om kusjes vroeg en dat hij sommige van hen heeft aangeraakt op een wijze die door hen als ongewenst is ervaren.

De kantonrechter is van oordeel dat [verzoeker] met de hiervoor vastgestelde gedragingen zich schuldig heeft gemaakt aan (seksueel) grensoverschrijdend gedrag. De opmerkingen over de lichamen van vrouwelijke collega’s, over borsten en billen, zijn volstrekt ongepast en niet toelaatbaar. Dat geldt ook voor het vragen om kusjes als tegenprestatie voor het verlenen van medewerking. Ook is op geen enkele manier gebleken dat de in de verklaringen genoemde aanrakingen van vrouwelijke collega’s nodig waren in het kader van de te verrichten werkzaamheden. Daarmee staat voldoende vast dat als een aanraking als ongewenst wordt ervaren, [verzoeker] de grenzen van de behoorlijke omgangsvormen met collega’s duidelijk heeft overschreden.

[verweerder] moet als werkgever haar werknemers beschermen tegen dergelijk gedrag van [verzoeker]. Maar een ontslag op staande voet, het uiterste middel, is naar het oordeel van de kantonrechter onder de gegeven omstandigheden een te vergaande sanctie. Hiervoor is van belang dat niet is gebleken dat [verweerder] [verzoeker] eerder op zijn gedrag heeft aangesproken, en ook niet dat [verzoeker] van [verweerder] een waarschuwing voor ongewenst gedrag heeft gekregen, terwijl niet kan worden aangenomen dat [verzoeker] zijn gedrag na deugdelijk en indringend te zijn gewaarschuwd niet zou hebben kunnen aanpassen.

Uit de verklaring van [getuige] volgt dat de aanraking op haar hand in maart of april 2025 plaatsvond. Hoewel het een aanraking betreft die ongewenst is en die door [verweerder] niet behoeft te worden geaccepteerd, is het geen aanraking van een intieme zone. Deze aanraking is niet zodanig ernstig dat zij een dringende reden oplevert, ook niet in combinatie met de overige omstandigheden. Daarnaast is van belang dat, afgezien van de verklaring van [getuige], uit de overige in de verklaringen genoemde aanrakingen niet duidelijk kan worden afgeleid wanneer (recent of meerdere jaren geleden, tot maximaal ongeveer 10 jaar) en in welke context die aanrakingen plaatsvonden. Om die reden kan van die aanrakingen (ook in samenhang met de overige gedragingen van [verzoeker]) niet zonder meer worden aangenomen dat deze in de gegeven omstandigheden een reden voor ontslag op staande voet kunnen rechtvaardigen. Daarnaast zijn de persoonlijke omstandigheden van [verzoeker] van belang, en had [verweerder] met die omstandigheden bij het nemen van haar besluit meer rekening moeten houden. Wat vaststaat is dat [verzoeker] lange tijd in dienst was bij [verweerder], namelijk 25 jaar. Ook staat vast dat hij in die tijd altijd naar behoren heeft gefunctioneerd, niet gesteld of gebleken is dat [verzoeker] tijdens zijn dienstverband een waarschuwing of een andere sanctie opgelegd heeft gekregen. Daar komt bij dat [verzoeker] ten tijde van het ontslag 58 jaar oud was, en dat algemeen bekend is dat oudere werknemers doorgaans lastiger een nieuwe baan vinden dan jongere werknemers. [verweerder] heeft onvoldoende uitgelegd dat zij met die omstandigheden en de ingrijpende gevolgen van een ontslag voor [verzoeker] rekening heeft gehouden, en waarom in dit geval alleen het uiterste middel van een ontslag op staande voet noodzakelijk en gerechtvaardigd was. [verweerder] heeft in dit kader weliswaar aangevoerd dat zij als werkgever de plicht heeft om haar werknemers te beschermen, maar onvoldoende is gebleken dat zij die bescherming niet ook met een (laatste) waarschuwing had kunnen bieden.

Gelet op het voorgaande heeft [verweerder] [verzoeker] ten onrechte op staande voet ontslagen. De gevraagde verklaring voor recht op dit punt zal worden toegewezen. Dat betekent dat de kantonrechter toekomt aan de beoordeling van de door [verzoeker] gevraagde vergoedingen, die hierna besproken zullen worden.

De gefixeerde schadevergoeding

De verzochte vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. [verweerder] zal tot betaling daarvan worden veroordeeld. [verweerder] heeft in het kader van de berekening van de hoogte van de transitievergoeding aangevoerd dat [verzoeker] niet voltijd werkte. De kantonrechter stelt vast dat uit de overgelegde salarisstroken inderdaad blijkt dat [verzoeker] 90% van voltijd werkte. [verzoeker] heeft dit niet weersproken. Gelet daarop zal zoals door [verweerder] is aangevoerd (net als bij de transitievergoeding hierna) worden uitgegaan van een brutoloon van € 2.758,86, te vermeerderen met 8% vakantiebijslag.

De verzochte wettelijke verhoging over de gefixeerde schadevergoeding wordt afgewezen. De wettelijke verhoging is alleen verschuldigd over loon. De gefixeerde schadevergoeding is geen loon. Dat de hoogte van de gefixeerde schadevergoeding wordt bepaald aan de hand van de hoogte van het loon maakt dat niet anders.

De wettelijke rente over de gefixeerde schadevergoeding zal op grond van artikel 7:686a lid 1 BW worden toegewezen vanaf 11 december 2025 tot de dag van volledige betaling.

Vakantiegeld en verlofuren

[verzoeker] heeft de kantonrechter ook gevraagd om [verweerder] te veroordelen tot betaling van het opgebouwde vakantiegeld van 8% over het brutoloon en de opgebouwde verlofuren tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd. Dit verzoek staat alleen in het petitum (het verzoek), maar niet in het verzoekschrift zelf. Dit verzoek zal daarom, als niet onderbouwd, worden afgewezen. De kantonrechter gaat er overigens vanuit dat dit verzoek een verschrijving is, aangezien [verzoeker] berust in het ontslag en daarmee ook in het einde van de arbeidsovereenkomst. Voor dit verzoek is de gefixeerde schadevergoeding bedoeld, en betaling daarvan heeft [verzoeker] ook gevraagd.

De transitievergoeding

Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt ook toegewezen. Als de arbeidsovereenkomst door de werkgever wordt beëindigd, zegt de wet dat de werknemer aanspraak maakt op de transitievergoeding. Dat is anders als het eindigen of niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werknemer. Hoewel de kantonrechter de gedragingen van [verzoeker] verwijtbaar vindt, zijn die niet ernstig verwijtbaar. De lat daarvoor ligt namelijk erg hoog, en die lat is in dit geval niet gehaald. Dat betekent dat [verweerder] de transitievergoeding verschuldigd is. [verweerder] heeft verweer gevoerd tegen de berekening en hoogte van de transitievergoeding, namelijk dat [verzoeker] ten onrechte is uitgegaan van een voltijdsalaris. Hiertegen is door [verzoeker] geen verweer gevoerd, ook niet tegen de berekening van de transitievergoeding door [verweerder]. Gelet daarop zal een bedrag van € 24.964,21 bruto worden toegewezen.

[verzoeker] heeft verzocht om de wettelijke rente over de transitievergoeding. Op grond van artikel 7:686a lid 1 BW is [verweerder] wettelijke rente over de transitievergoeding verschuldigd vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. De wettelijke rente zal daarom worden toegewezen vanaf 11 januari 2026.

De billijke vergoeding

Het verzoek van [verzoeker] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig is. Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldig ontslag als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt.

Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.

[verzoeker] heeft aangevoerd dat een billijke vergoeding van € 180.000,- in dit geval passend is. Daarbij heeft hij onder meer gewezen op het theoretisch inkomensverlies tot het moment dat hij AOW-gerechtigd wordt van € 367.000,-. Volgens [verweerder] is een dergelijk bedrag (veel) te hoog, mede gelet op de laakbare gedragingen van [verzoeker].

De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 25.000,00 bruto. Daarbij is als eerst de loonwaarde van de arbeidsovereenkomst in aanmerking genomen. Naar het oordeel van de kantonrechter kan er niet zonder meer vanuit worden gegaan dat [verzoeker] tot zijn pensioendatum bij [verweerder] in dienst zou zijn gebleven, omdat niet vast staat dat als hij wel duidelijk was gewaarschuwd, hij zich naar die waarschuwing zou hebben gevoegd. Verder neemt de kantonrechter de kansen van [verzoeker] op de arbeidsmarkt in aanmerking. Aan de ene kant is [verzoeker] op dit moment 59 jaar oud, en heeft hij de afgelopen 25 jaar hetzelfde werk verricht. Aan de andere kant is de arbeidsmarkt krap, en heeft [verweerder] onweersproken aangevoerd dat [verzoeker] – hoewel hij tijdens de zitting gebruik heeft gemaakt van een tolk – de Nederlandse taal machtig is en dat hij in staat zou moeten zijn om binnen afzienbare tijd een soortgelijke functie te vinden. Verder is van belang dat de gedragingen genoemd onder 4.6, hoewel zij in de gegeven omstandigheden niet leiden tot rechtsgeldig ontslag op staande voet, wél verwijtbaar zijn. Ook neemt de kantonrechter in aanmerking dat [verzoeker] gezien de onrechtmatigheid van het ontslag naar alle waarschijnlijkheid aanspraak kan maken op een uitkering. Die uitkering moet in mindering komen op de toe te kennen billijke vergoeding.

[verweerder] zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 25.000,00 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding is toewijsbaar, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.

Conclusie

De verklaring voor recht aangaande het onterechte ontslag zal worden toegewezen, als ook de gefixeerde schadevergoeding, de transitievergoeding en een billijke vergoeding.

De proceskosten

De proceskosten komen voor rekening van [verweerder], omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt. De proceskosten aan de kant van [verzoeker] worden begroot op € 1.102,00 (€ 93,00 aan griffierecht, € 865,00 aan salaris gemachtigde en € 144,00 aan nakosten).

5. De beslissing

De kantonrechter

verklaart voor recht dat het ontslag van 11 december 2025 ten onrechte is gegeven,

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen ter hoogte van het brutoloon van € 2.758,86 bruto exclusief 8% vakantiegeld over de wettelijke opzegtermijn van vier maanden bij een regelmatige opzegging in acht genomen had dienen te worden, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf 11 december 2025, tot de dag van volledige betaling.

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een transitievergoeding te betalen van € 24.964,21 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 januari 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,

veroordeelt [verweerder] om aan [verzoeker] een billijke vergoeding te betalen van € 25.000,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,

veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.102,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de wettelijke rente als betaling niet binnen die termijn plaatsvindt, tot aan de dag van de gehele betaling,

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. G.W.G. Wijnands en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026. (wv)

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand