ECLI:NL:RBOVE:2026:5565

ECLI:NL:RBOVE:2026:5565

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 08-09-2026
Datum publicatie 19-09-2026
Zaaknummer 12069476 \ CV EXPL 26-250
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Zwolle

Samenvatting

geldleningsovereenkomst; boeterente; particuliere borgtocht

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Zwolle

Zaaknummer: 12069476 \ CV EXPL 26-250

Vonnis van 8 september 2026

in de zaak van

[eiser] HOLDING B.V.,

te [vestigingsplaats],

eisende partij,

hierna te noemen: ‘[eiser]’,

gemachtigde: mr. Th. van Wijngaarden (Smit en Legebeke),

tegen

1. HGTM BEHEER B.V.,

te Amersfoort,2. [gedaagde],

te [woonplaats],

gedaagde partijen,

hierna te noemen: ‘HGTM’ en ‘[gedaagde]’,

procederend in persoon.

1. Samenvatting

[eiser] heeft een geldlening aan HGTM verstrekt. [gedaagde] heeft zich borg gesteld voor de lening. HGTM heeft de lening niet tijdig en volledig terugbetaald. [eiser] wil dat HGTM en [gedaagde] ertoe worden veroordeeld om het restant van de lening terug te betalen, vermeerderd met contractuele (boete)rente en kosten. HGTM en [gedaagde] zijn het daar niet mee eens. Volgens hen is afgesproken dat HGTM de lening later mocht terugbetalen zonder nadere rente of kosten verschuldigd te worden en heeft HGTM een verrekenbare tegenvordering op [eiser]. De kantonrechter stelt [eiser] in het gelijk en legt hierna uit waarom.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

- de mondelinge behandeling van 6 augustus 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt. [eiser] is ter zitting verschenen samen met haar gemachtigde. HGTM en [gedaagde] zijn niet ter zitting verschenen, hoewel zij daartoe behoorlijk zijn opgeroepen.

3. De feiten

[eiser] is een beheermaatschappij. HGTM is actief op het gebied van computerconsultancy en beheer van computerfaciliteiten. [gedaagde] is indirect bestuurder van HGTM.

In januari 2025 hebben [eiser] en HGTM een overeenkomst van geldlening gesloten, waarbij [eiser] een bedrag van € 45.000,00 ter leen heeft verstrekt aan HGTM. De overeenkomst is mede ondertekend door [gedaagde] in privé, gelet op de borgstelling die in artikel 12.2 is opgenomen.

In de overeenkomst is onder meer het volgende bepaald:

“ 1. HOOFDSOM

Geldgever verbindt zich om aan Geldnemer ter leen te verstrekken en Geldnemer verbindt zich bij Geldnemer op te nemen een vast e lening (“Lening”) met een hoofdsom van EUR 45.000 (…)

De Lening heeft een looptijd van (iets meer dan) 2 maanden (twee), met inachtneming van het bepaalde in artikel 6 van deze Overeenkomst (“Looptijd”). (…)

(…)

5. RENTE EN PROVISIE

Geldnemer is over de Hoofdsom een rente verschuldigd van 8% op jaarbasis zijnde een bedrag van EUR 300,- per maand (“Rente”). verschuldigd bij uitbetaling van de lening; derhalve ontvangt Geldnemer een bedrag van EUR 44.400,- (…)

Geldnemer is per datum aflossing van de Lening de “eindkicker” verschuldigd te voldoen ter grootte van EUR 1.000,-. Deze zal bij aflossing van de Hoofdsom worden voldaan.

6. AFLOSSING

Aflossing van de Lening zal geschieden aan het einde van de Looptijd, doch uiterlijk 31 maart 2025.

(…)

8. BETALINGSACHTERSTAND EN VERZUIMRENTE

Indien Geldnemer een aan Geldgever op grond van deze Overeenkomst verschuldigd bedrag niet tijdig en/of overeenkomst het in artikel 7 bepaalde voldoet, is zij in verzuim zonder dat een ingebrekestelling of kennisgeving is vereist. Zij is dan gedurende de periode waarin zij in verzuim is, een direct opeisbare boeterente van 5% (“Verzuimrente”) per maand, verschuldigd over het achterstallige bedrag en per maand. De Verzuimrente treedt in plaats van de Rente.

9. OPEISINGSGRONDEN

De hoofdsom van de lening is tezamen met de lopende rente, boeten, eventuele kosten en provisies terstond opeisbaar, (…) indien zich een of meer van de volgende situaties of gebeurtenissen (elk een “Opeisingsgrond”) voordoen:

a. niet-, niet tijdige of niet behoorlijke nakoming door Geldnemer van enige verplichting uit hoofde van deze Overeenkomst;

(…)”

12. HOOFDELIJKHEID

Tevens verbindt zich de heer [gedaagde], Partijen genoegzaam bekend, als mede hoofdelijk schuldenaar voor de juiste terugbetaling van de verplichtingen als opgenomen in deze Overeenkomst.”

Op 4 juli 2025 heeft HGTM aan [eiser] een bedrag van € 43.000,00 terugbetaald.

4. Het geschil

[eiser] vordert hoofdelijke veroordeling van HGTM en [gedaagde] tot betaling van € 10.925,50, te vermeerderen met de contractuele rente van 5% per maand over € 2.000,00 vanaf 7 oktober 2025 en met veroordeling van HGTM en [gedaagde] in de proceskosten. Het bedrag van € 10.925,50 bestaat uit de volgende onderdelen:

restant geldlening: € 2.000,00

5% rente over de periode 1 april 2025 tot en met 4 juli 2024 over een bedrag van € 45.000,00: € 6.750,00

5% rente over de periode 5 juli 2025 tot en met 6 oktober 2025 over een bedrag van € 2.000,00: € 300,00

de ‘eindkicker’ € 1.000,00

buitengerechtelijke incassokosten € 875,00.

[eiser] legt aan haar vordering ten grondslag dat HGTM niet heeft voldaan aan de op haar rustende betalingsverplichting uit hoofde van de overeenkomst. [gedaagde] is op grond van artikel 12.2 van de overeenkomst hoofdelijk aansprakelijk voor de betalingsverplichting van HGTM.

HGTM en [gedaagde] voeren verweer. Zij stellen dat is afgesproken dat HGTM later mocht terugbetalen dan contractueel voorzien, zonder verschuldigdheid van aanvullende rente en kosten. Daarnaast beroepen zij zich op verrekening van een vordering van HGTM op [eiser] ten bedrage van € 3.750,00 uit hoofde van een eerdere overeenkomst.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

De kantonrechter zal de vordering op HGTM als hoofdschuldenaar en de vordering op [gedaagde] als borg afzonderlijk beoordelen.

De vordering op HGTM

Tussen partijen staat het volgende vast. [eiser] heeft HGTM een bedrag van € 45.000,00 ter leen verstrekt en dit bedrag moest uiterlijk 31 maart 2025 worden terugbetaald, vermeerderd met een provisie (de zogenoemde ‘eindkicker’) van € 1.000,00. HGTM heeft niet conform de overeenkomst betaald, want zij heeft pas op 4 juli 2025 een bedrag van € 43.000,00 betaald. Van de hoofdsom resteert dus nog een bedrag van € 2.000,00 en ook de provisie van € 1.000,00 staat nog open.

HGTM stelt dat zij later heeft betaald dan contractueel voorzien met instemming van een adviseur van [eiser], een zekere heer [naam]. [naam] zou daarbij hebben aangegeven dat HGTM geen aanvullende rente of kosten verschuldigd zou zijn.

De kantonrechter verwerpt dit verweer. In het licht van de betwisting door [eiser] heeft HGTM onvoldoende concreet toegelicht wat er precies zou zijn afgesproken, wanneer die afspraak is gemaakt en wanneer dan wel terugbetaald zou moeten worden. Ook heeft HGTM niet uitgelegd dat, en op welke grond, [naam] bevoegd zou zijn geweest om [eiser] te vertegenwoordigen, althans HGTM op zijn minst de schijn daartoe gewekt heeft. Verder wijst HGTM ter onderbouwing van haar stelling op een e-mail die zij op 20 maart 2025 aan [naam] heeft verstuurd, maar anders dan HGTM betoogt valt daarin niet te lezen dat zij [eiser] heeft geïnformeerd over de vertraging bij de terugbetaling van de lening. Laat staan dat hierin iets te lezen valt over door [eiser] gegeven toestemming voor latere terugbetaling. HGTM suggereert in die mail juist dat zij een verrekenbare tegenvordering heeft op [eiser], wat niet strookt met de eigen lezing van HGTM dat is afgesproken dat later terugbetaald zou worden. Tot slot valt de door HGTM gestelde afspraak zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet te rijmen met haar eigen opmerking dat zij nog € 900,00 aan rente is verschuldigd (zie 3.3.4 van de conclusie van antwoord). Gelet op het voorgaande heeft HGTM haar stelling onvoldoende onderbouwd.

Verrekening

HGTM doet een beroep op verrekening. HGTM stelt, zo begrijpt de kantonrechter, dat [eiser] haar een “opstartvergoeding” van € 3.750,00 exclusief btw is verschuldigd op grond van een eerder in 2020 gesloten overeenkomst die verband houdt met een door [eiser] benodigde financiering. Volgens HGTM heeft zij na verrekening van door haar verschuldigde rente van € 900,00 nog € 1.637,50 van [eiser] te vorderen.

De kantonrechter verwerpt ook dit verweer. HGTM heeft in het licht van de betwisting van [eiser] onvoldoende uitgelegd wat de vermeende eerdere overeenkomst met [eiser] inhoudt en welke dienst zij aan [eiser] zou hebben verleend. HGTM heeft haar stelling ook niet met enig stuk onderbouwd, zoals een afschrift van de bedoelde overeenkomst of een factuur voor de opstartvergoeding. Dat HGTM zich tegen betaling heeft ingespannen om financiering voor [eiser] te verkrijgen ligt ook niet zonder meer voor de hand, nu [eiser] onweersproken heeft aangevoerd dat HGTM zich richt op computerconsultancy en het beheer van computerfaciliteiten en nergens uit blijkt dat HGTM zich daarnaast ook met financiering bezighoudt. Nu HGTM niet ter zitting is verschenen, heeft zij geen opheldering over de bovengenoemde punten kunnen verschaffen.

De door HGTM verschuldigde bedragen

Nu de verweren van HGTM zijn verworpen is komen vast te staan dat zij het restant van de hoofdsom van € 2.000,00 en de provisie van € 1.000,00 nog aan [eiser] moet voldoen. Ook is daarmee komen vast te staan dat HGTM op grond van artikel 8.1 van de overeenkomst in verzuim is geraakt en een boeterente van 5% per maand is verschuldigd over de achterstallige bedragen. HGTM heeft de renteberekening van [eiser] niet betwist, zodat de kantonrechter van die berekening zal uitgaan.

De vordering op [gedaagde]

In artikel 12.2 van de overeenkomst is bepaald dat [gedaagde] zich als hoofdelijk schuldenaar verbindt voor “de juiste terugbetaling van de verplichtingen als opgenomen in deze Overeenkomst”. [eiser] heeft ter zitting onweersproken gesteld dat deze bepaling zo moet worden uitgelegd dat [gedaagde] zich daarmee niet alleen hoofdelijk heeft verbonden voor de terugbetaling van de hoofdsom, maar ook voor de betaling van de provisie en de eventuele boeterente. De betreffende bepaling moet worden aangemerkt als particuliere borgtocht als bedoeld in artikel 7:857 BW, zoals [eiser] ook heeft aangevoerd. [gedaagde] heeft geen verweer gevoerd tegen de rechtsgeldigheid van de borgstelling.

Nu vast is komen te staan dat HGTM tekortgeschoten is in de nakoming van haar betalingsverplichting, is [gedaagde] hoofdelijk aansprakelijk voor de schuld van HGTM aan [eiser] uit hoofde van de geldleningsovereenkomst.

De buitengerechtelijke incassokosten

[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 875,50. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit voor vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. [eiser] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. Ten aanzien van [gedaagde] is bovendien voldaan aan de vereisten uit artikel 6:96 lid 6 BW. Het hiervoor vermelde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief en zal worden toegewezen.

De proceskosten

HGTM en [gedaagde] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

130,78

- griffierecht

€

559,00

- salaris gemachtigde

€

864,00

(2 punten × € 432,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.697,78

Hoofdelijkheid

De veroordelingen worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.

6. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt HGTM en [gedaagde] hoofdelijk om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 10.925,50, te vermeerderen met de contractuele rente van 5% per maand over een bedrag van € 2.000,00 vanaf 7 oktober 2025 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt HGTM en [gedaagde] hoofdelijk in de proceskosten van € 1.697,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als HGTM en [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Berends en in het openbaar uitgesproken op 8 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand