RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Afdeling strafrecht
Locatie Leeuwarden
Parketnummer 18-130431-26
Vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 21-001547-23
Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 augustus 2026 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] , thans gedetineerd in de [instelling 1] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het inhoudelijke onderzoek ter terechtzitting van 4 augustus 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. F. Luinstra, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door
mr. A.J. Kemkers.
Tenlastelegging
Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 9 april 2026 te Leeuwarden een fatbike, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
2
hij op of omstreeks 22 april 2026 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen een personenauto van het merk Alfa Romeo, type Guilia, kenteken [kenteken 1] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 2] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 22 april 2026 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een personenauto van het merk Alfa Romeo, type Guilia, kenteken [kenteken 1] , althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof
3
hij op of omstreeks 24 april 2026 te Leeuwarden opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto van het merk Citroën, type C4, kenteken [kenteken 2] , in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [slachtoffer 3] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt
4
hij op of omstreeks 3 mei 2026 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (elektrische dames) fiets, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 3 mei 2026 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een (elektrische dames) fiets, althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof
5
hij op of omstreeks 21 april 2026 te Franeker, gemeente Waadhoeke tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (uit een woning aan de [adres 1] ) enig goed van zijn/hun gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/ die weg te nemen goed/ goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 21 april 2026 te Franeker, gemeente Waadhoeke ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om (uit een woning aan de [adres 1] ) enig goed van zijn gading, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [slachtoffer 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
Feit 1
De officier van justitie heeft veroordeling voor feit 1 gevorderd, gelet op de aangifte van [slachtoffer 1] en bekennende verklaring van verdachte.
Feit 2
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak voor feit 2 primair dient te volgen, wegens het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 2 subsidiair, gelet op de aangifte, de bevindingen uit de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] en de aanwezigheid van verdachte en de medeverdachte in de gestolen auto.
Feit 3
De officier van justitie heeft veroordeling voor feit 3 gevorderd, gelet op de aangifte van [slachtoffer 3] en de bekennende verklaring van verdachte.
Feit 4
De officier van justitie heeft veroordeling voor feit 4 primair gevorderd, gelet op de aangifte, de camerabeelden met de herkenning van verdachte en het aantreffen van verdachte op de weggenomen fiets kort na de diefstal. De verklaring van verdachte is telkens wisselend en daardoor ongeloofwaardig.
Feit 5
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat vrijspraak voor feit 5 primair dient te volgen. Er is geen sprake van een voltooide diefstal omdat er geen goederen zijn weggenomen.
De officier van justitie heeft veroordeling voor feit 5 subsidiair gevorderd, gelet op de aangifte, de forensische sporen en de verklaring van verdachte dat hij bij de woning is geweest.
Standpunt van de verdediging
Feit 1
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent een eventuele bewezenverklaring.
Feit 2
De raadsvrouw heeft vrijspraak voor feit 2 primair bepleit, gelet op het ontbreken van wettig en overtuigend bewijs.
Ten aanzien van feit 2 subsidiair heeft de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit. De aanwezigheid van verdachte in een gestolen auto is onvoldoende bewijs voor wetenschap dan wel het redelijkerwijs moeten vermoeden dat de auto van misdrijf afkomstig is. De in de telefoon van medeverdachte [medeverdachte] aangetroffen data en gegevens kunnen niet aan verdachte worden toegeschreven. Immers blijkt niet dat verdachte gebruik maakt van het Snapchataccount [accountnaam] .
Feit 3
De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent een eventuele bewezenverklaring.
Feit 4
De raadsvrouw heeft vrijspraak voor feit 4 primair bepleit, gelet op de ontkennende verklaring van verdachte.
Ten aanzien van feit 4 subsidiair heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent een eventuele bewezenverklaring.
Feit 5
De raadsvrouw heeft vrijspraak voor feit 5 primair bepleit. Er is geen sprake van een voltooide diefstal omdat er geen goederen zijn weggenomen.
Ten aanzien van feit 5 subsidiair heef de raadsvrouw eveneens vrijspraak bepleit. Uit de verklaring van verdachte blijkt immers van vrijwillige terugtred.
Oordeel van de rechtbank 1
Feit 1
De verdachte heeft bekend dat hij het onder 1 ten laste gelegde heeft gepleegd, zoals hierna blijkt uit de bewezenverklaring. De rechtbank volstaat, op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen zonder de inhoud
ervan weer te geven:
Feit 2
De rechtbank is, evenals de officier van justitie en de verdediging, van oordeel dat wettig en overtuigend bewijs ontbreekt voor een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van feit 2 primair.
Ten aanzien van feit 2 subsidiair komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring en overweegt daartoe als volgt.
Uit de verklaring van [slachtoffer 2] , wonende te Leeuwarden, blijkt dat zijn auto (merk Alfa Romeo, type Guilia, kenteken [kenteken 1] ) is weggenomen tussen 17 april 2026 en 20 april 2026.4
Op 22 april 2026 omstreeks 1.48 uur ziet verbalisant [verbalisant] voornoemde auto rijden in Franeker. Verbalisant besluit de auto te volgen. Na een achtervolging belandt de auto in een sloot. De auto blijkt leeg, maar de motor draait nog en het bijrijdersportier is open.5 Na het volgen van een nat spoor zijn verdachte en medeverdachte [medeverdachte] aangehouden.6 Verdachte bekent dat hij in voornoemde auto zat op het moment dat ze het water in reden, waarna ze zijn weggerend.7
Op het krat in het schuurtje waar de verdachten zijn aangehouden is een mobiele telefoon (Samsung) aangetroffen en in beslag genomen.8
Uit onderzoek in deze telefoon is geconcludeerd dat de telefoon in gebruik is bij medeverdachte [medeverdachte] . Op het toestel zijn namelijk verschillende apps geïnstalleerd (waaronder Facebook, Snapchat en Autofill) die zijn gekoppeld aan [medeverdachte] dan wel een afkorting van deze naam. De eWallet is gekoppeld aan het mailadres [mailadres] . Ook is er op 13 februari 2026 een foto gemaakt van de identiteitskaart van medeverdachte [medeverdachte] .9
Uit de telefoon blijkt ook van een Snapchat gesprek op 19 april 2026 tussen medeverdachte [medeverdachte] en [accountnaam] . Daarin zegt [accountnaam] onder meer: “Pik me later op”, “Je laat mij zitten gun je die auto”, “Vanavond als donker is moeten we even wat doen met die auto” en “door mij heb je die wagon”.10
Met voornoemde telefoon, zoals hiervoor geconcludeerd in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte] , is een foto gemaakt op 20 april 2026 van twee sleutels van een Alfa Romeo. Diezelfde dag is er via een zoekopdracht gezocht of het voertuig met kenteken [kenteken 1] gestolen is.
Op 21 april 2026 is gezocht naar het kenteken [kenteken 1] , behorend bij de van [slachtoffer 2] weggenomen Alfa Romeo. Ook maakt de telefoon in gebruik bij medeverdachte [medeverdachte] contact met het mediasysteem van Alfa Romeo.11
De rechtbank overweegt dat aannemelijk is geworden dat verdachte gebruik heeft gemaakt van het Snapchat account [accountnaam] , gelet op de naam van verdachte, zijn geboorteplaats en hij en medeverdachte [medeverdachte] in elkaars bijzijn zijn aangetroffen kort nadat de van [slachtoffer 2] weggenomen auto in de sloot is gereden. De enkele ontkenning van verdachte omtrent het gebruik van het Snapchat account [accountnaam] maakt voornoemde conclusie niet anders.
Uit de inhoud en de context van het Snapchat gesprek volgt naar het oordeel van de rechtbank dat zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] wisten van de illegale herkomst van de Alfa Romeo waarin zij zich op 22 april 2026 bevonden.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het onder feit 2 subsidiair ten laste gelegde (in de zin van medeplegen van opzetheling) dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Feit 3
De verdachte heeft bekend dat hij het onder 3 ten laste gelegde heeft gepleegd, zoals hierna blijkt uit de bewezenverklaring. De rechtbank volstaat, op grond van het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen zonder de inhoud ervan weer te geven:
Feit 4
Op 3 mei 2026 omstreeks 14.30 uur krijgt de politie een melding van een inbraak op de [adres 2] in Leeuwarden. Daar zouden twee personen bij zijn betrokken. De meldster heeft beelden van een buurman ontvangen waarop de twee verdachten door de straat lopen. De beelden zijn opgenomen vanaf 14.21 uur.14 Een van de twee mannen op de beelden is door verbalisant [verbalisant] herkend als zijnde verdachte.15
Om 15.08 uur is de politie ter plaatse bij voornoemde woning en constateert braakschade aan de schuur. Na een tip van onbekenden ziet verbalisant [verbalisant] een man fietsen die voldoet aan het signalement van een van de mannen van de beelden. De man stelt dat hij [verdachte] heet. Nadat verbalisant zegt dat hij is aangehouden vlucht de man met achterlating van de fiets.16
Daarna zien verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] de verdachte in een steeg. Verdachte draagt kleding die overeenkomt met de kleding van een van de twee mannen op de beelden. Daarop is verdachte om 15.41 uur17 aangehouden.18
Op 3 mei 2026 doet [naam 5] , namens zijn dochter [slachtoffer 4] , aangifte van diefstal van haar elektrische fiets uit het schuurtje behorende bij haar woning in Leeuwarden. Aangever ziet dat het raamkozijn van het schuurtje is beschadigd en dat het uitzetraam los is. Om 15.45 uur is door de politie aan aangever een fiets getoond die hij heeft herkend als zijnde de fiets van zijn dochter, [slachtoffer 4] .19
Verdachte heeft verklaard dat hij de persoon is op de beelden.20
Gelet op voorgaande bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte, ondanks zijn stellige ontkenning, zich schuldig heeft gemaakt aan de inbraak in het schuurtje waarbij de elektrische fiets van [slachtoffer 4] is weggenomen. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verdachte in de nabijheid van het schuurtje was tijdens de inbraak, de fiets kort na de inbraak bij hem is aangetroffen en hij daarna voor de politie is gevlucht.
Daarbij komt dat de rechtbank de verklaringen van verdachte ongeloofwaardig en onaannemelijk acht. Verdachte heeft wisselende en vage en daardoor onverifieerbare verklaringen afgelegd, terwijl zijn aanwezigheid op de plaats delict rond het tijdstip van de inbraak en het bezit van de fiets vragen om een
redelijke verklaring.
De rechtbank acht het onder feit 4 primair ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het medeplegen, omdat daar onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor aanwezig is.
Feit 5
De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder feit 5 primair ten laste gelegde, te weten een voltooide woningbraak, omdat uit het dossier niet blijkt dat er daadwerkelijk enig goed uit de woning is weggenomen.
Ten aanzien van feit 5 subsidiair komt de rechtbank wel tot een bewezenverklaring en overweegt daartoe als volgt.
Op 22 april 2026 doet [slachtoffer 5] aangifte van inbraak in haar woning aan de [adres 1] gepleegd tussen 21 april 2026 om 21.30 uur en 22 april 2026 om 12.55 uur. Het raam aan de voorzijde van de woning is verbroken. De kamer is overhoop gehaald. Er zijn geen goederen weggenomen.21
Voornoemde woning is op 22 april 2026 door de politie forensisch onderzocht. In het kantoor is een raampartij met een uitzetraam. Aan de linkerzijde van het raamkozijn zijn twee werktuigsporen aangetroffen. Aan de buitenzijde van het kozijn zijn verder geen bruikbare sporen aangetroffen.
Aan de binnenzijde van het uitzetraam zijn de sluitbomen verbogen. Aan de rechterzijde van het raam, op het kozijn, is een handpalmspoor aangetroffen passend bij inklimming. Dit spoor met nummer [nummer 1] , SIN AAUG1202NL is veiliggesteld.22 Voornoemd spoor krijgt het kenmerk Havank [nummer 2] . Dit spoor vertoont een zeer grote mate van overeenkomst, en geen verschillen van dactyloscopische aard, met de afbeelding van de linker handpalm van biometrienummer [nummer 3] . De kans om deze mate van overeenkomst aan te treffen bij een willekeurig ander persoon is verwaarloosbaar klein.23 Voornoemd biometrienummer is geïndividualiseerd naar verdachte.24
Uit voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat verdachte, ondanks zijn stellige ontkenning, zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 5 subsidiair ten laste gelegde.
De verklaring van verdachte dat hij enkel de buitenzijde van het kozijn heeft aangeraakt en daarna is weggegaan wordt weersproken door de bewijsmiddelen. Hieruit blijkt immers dat de handpalmafdruk van verdachte aan de binnenzijde van het raam is aangetroffen en verdachte dus in de woning moet zijn geweest. Door of namens verdachte zijn geen andere controleerbare feiten of omstandigheden aannemelijk gemaakt op grond waarvan vrijwillige terugtred in dit geval aannemelijk is.
De rechtbank acht feit 5 subsidiair dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht de feiten 1, 2 subsidiair, 3, 4 primair en 5 subsidiair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:
1
hij op 9 april 2026 te Leeuwarden een fatbike, toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
2 ( subsidiair)
hij op 22 april 2026 te Leeuwarden, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, een personenauto van het merk Alfa Romeo, type Guilia, kenteken [kenteken 1] , voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader(s) ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wisten dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.
3
hij op 24 april 2026 te Leeuwarden opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto van het merk Citroën, type C4, kenteken [kenteken 2] , toebehorende aan [slachtoffer 3] , heeft beschadigd.
4 ( primair)
hij op 3 mei 2026 te Leeuwarden een elektrische dames fiets, toebehorende aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en dat weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak.
5 ( subsidiair)
hij op 21 april 2026 te Franeker, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om uit een woning aan de [adres 1] , enig goed van zijn gading, toebehorende aan [slachtoffer 5] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en die weg te nemen goederen onder zijn bereik te brengen door middel van braak en inklimming, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde levert op:
1. Diefstal
2 subsidiair Medeplegen van opzetheling
3 Opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen
4 primair Diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak
5 subsidiair Poging tot diefstal waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak en inklimming.
Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.
Strafbaarheid van verdachte
De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.
Strafmotivering
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (verder: ISD-maatregel) voor de duur van 2 jaar.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit een voorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen om verdachte een laatste kans te geven. Verdachte is aangenomen voor een klinische behandeling waarvoor hij intrinsiek gemotiveerd is.
Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit de ISD-maatregel op te leggen voor de duur van 1 jaar dan wel met een tussentijdse beoordeling.
Oordeel van de rechtbank
Algemeen
Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de hierna genoemde rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich in de periode van 9 april 2026 tot en met 3 mei 2026 schuldig gemaakt aan vijf strafbare feiten, te weten de diefstal van een fatbike, het medeplegen van opzetheling van een auto, het beschadigen van een auto, diefstal van een elektrische fiets uit een schuur en een poging tot woningbraak.
De door verdachte gepleegde delicten, waar een gebrek aan eerbied voor andermans eigendom uit spreekt, veroorzaken voor de slachtoffers hinder, schade en ergernis.
In het geval van de diefstallen heeft verdachte kennelijk telkens het belang van de slachtoffers ondergeschikt gemaakt aan zijn drang naar geldelijk gewin.
Ten aanzien van de poging tot woninginbraak overweegt de rechtbank ook dat dergelijke feiten een forse inbreuk opleveren op de privacy van bewoners. Het is voor hen bijzonder onaangenaam om te leven met de wetenschap dat een vreemde in hun woning is geweest en hun persoonlijke bezittingen heeft doorzocht.
Documentatie
De rechtbank heeft acht geslagen op het de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie van 9 juli 2026. Hieruit blijkt dat verdachte veelvuldig met politie en justitie in aanraking is gekomen, met name voor vermogensdelicten.
Persoon van verdachte
De rechtbank heeft daarnaast kennisgenomen van het reclasseringsadvies van 23 juli 2026.
Hieruit blijkt dat verdachte sinds zijn jeugd intensieve bemoeienis heeft van justitie en hulpverlening. Er is vermoedelijk sprake van een licht verstandelijke beperking en langdurig problematisch middelengebruik. Er is een patroon van verwervingscriminaliteit en verdachte staat sinds november 2020 op de Friese Veelplegerslijst.
De belangrijkste delictgerelateerde factoren zijn het ontbreken van huisvesting, middelengebruik, financiële problematiek en het psychosociaal functioneren. Verdachte is onvoldoende in staat om zijn emoties en gevoelens op een adequate manier te reguleren en problemen zelfstandig op te lossen. Eerdere interventies (klinisch en ambulant) zijn veelal niet van de grond gekomen of voortijdig beëindigd. Bij verdachte is sprake van zelfoverschatting en een gebrek aan probleembesef. Ook is er sprake van onvoldoende coping, externe attributie (oorzaak van problemen of eigen falen buiten zichzelf zoeken) en mist hij adequate manieren om met stress, tegenslag en emoties om te gaan. De combinatie van deze factoren met een licht verstandelijke beperking leidt er toe dat verdachte in situaties belandt die zijn eigen capaciteiten ver overstijgen. Dat leidt tot problematisch middelengebruik en/of recidive. Het risico op recidive wordt ingeschat als hoog. Ook het risico op onttrekken aan voorwaarden wordt ingeschat als hoog.
Kort voor de aanhouding heeft verdachte gesteld dat hij wel wilde meewerken aan klinische opname. Daarop is hij door de reclassering aangemeld voor Orthopedagogisch Behandelcentrum (Obc) van [instelling 2] en staat op de wachtlijst. Verdachte wil die klinische behandeling in plaats van een ISD-maatregel. De reclassering ziet echter geen meerwaarde in een klinische opname. De reclassering ziet de ISD-maatregel als het meest geschikte en noodzakelijke kader om een behandeling duurzaam vorm te geven en de voortgang te waarborgen. Binnen een ISD-maatregel kan verdachte tijdens de extramurale fase een klinische behandeling en een eventuele noodzakelijke vervolgbehandeling volgen. Ook biedt de ISD-maatregel de mogelijkheid om sneller en effectiever in te grijpen, door directe terugplaatsing naar de gevangenis en het vervolgen van het resterende ISD-traject. Hierdoor levert de ISD-maatregel een bijdrage aan het vergroten van de maatschappelijke veiligheid door het terugdringen van de criminaliteit en het verminderen van de maatschappelijke overlast.
Geadviseerd is de oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel.
De deskundige J. van der Veen heeft ter terechtzitting van 4 augustus 2026 het rapport toegelicht en bleef bij voornoemd advies.
Oplegging maatregel
De rechtbank stelt vast dat aan de formele vereisten voor het opleggen van de ISD-maatregel (artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht) is voldaan. Immers, het door verdachte begane feit betreft een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, verdachte is in de vijf jaren voorafgaand aan dit misdrijf ten minste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf veroordeeld, het feit is begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen, er moet ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte opnieuw een misdrijf zal begaan, en de veiligheid van personen of goederen eist het opleggen van de maatregel.
De rechtbank onderschrijft de conclusie van de reclassering dat oplegging van de ISD-maatregel is aangewezen. Verdachte heeft de afgelopen jaren veel strafbare feiten gepleegd en blijft met politie en justitie in aanraking komen. De tot op heden opgelegde straffen hebben niet geleid tot het doen stoppen van voortdurende recidive door verdachte.
Gelet op het hiervoor overwogene acht de rechtbank oplegging van de maatregel geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte. De rechtbank zal dan ook aan verdachte de ISD-maatregel opleggen voor de duur van twee jaren.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de duur van de ISD-maatregel te verkorten naar één jaar. Evenmin ziet de rechtbank redenen voor het gelasten van een tussentijdse toetsing. De rechtbank overweegt daarbij dat mocht daar volgens de verdediging aanleiding toe zijn, zij zelf het initiatief kan nemen om het voortduren van de ISD-maatregel door de rechtbank te laten toetsen.
Benadeelde partij
[slachtoffer 2] (feit 2) heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van 1.995,07 ter vergoeding van materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast wordt een bedrag van 1.200,00 gevorderd aan proceskosten.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] volledig kan worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit de benadeelde partij [slachtoffer 2] niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering gelet op de reeds bepleite vrijspraak van feit 2. Daarnaast is de schade reeds vergoed door de verzekeraar en is de resterende schade onvoldoende onderbouwd.
Subsidiair heeft de raadsvrouw bepleit de aansprakelijkheid voor de schade hoofdelijk op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
[slachtoffer 2] , feit 2 subsidiair.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 subsidiair bewezen verklaarde.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen en bewezen, blijkt dat verdachte wordt veroordeeld voor het medeplegen van opzetheling van het voertuig van de benadeelde partij. Door het handelen van verdachte dan wel zijn medepleger(s) is het voertuig van de benadeelde partij total loss verklaard. Hierdoor is het aannemelijk dat de benadeelde partij kosten heeft gemaakt voor het huren van een vervangend voertuig. Deze kosten zijn door de benadeelde partij onderbouwd met facturen en zijn blijkens zijn verklaring ter terechtzitting niet vergoed door de verzekeraar.
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade, te weten
1.995,07 heeft geleden. Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 22 april 2026.
De door de benadeelde partij opgevoerde proceskosten zijn naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte als zodanig aangemerkt. De rechtbank zal de gevorderde schade van 1.200,00 dan ook aanmerken als materiële schade, omdat het volgens de beschrijving gaat om door de benadeelde partij opgenomen vrije arbeidsuren ten behoeve van het opstellen van de geleden schade. De rechtbank overweegt dat deze kosten niet nader zijn onderbouwd met enig stuk. De rechtbank beschikt daarom over onvoldoende informatie om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering voor dit deel daarom niet-ontvankelijk verklaren. De vordering kan voor dit deel slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Hoofdelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander of anderen heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte/medeverdachten deze al heeft/hebben betaald, en andersom.
Schadevergoedingsmaatregel
Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden. De rechtbank bepaalt de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast op 19 dagen.
Veroordeling in de kosten
De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Vordering na voorwaardelijke veroordeling
Bij onherroepelijk arrest van 1 november 2023 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken met een proeftijd van twee jaren.
Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.
De officier van justitie heeft bij vordering van 15 juli 2026 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging moet worden toegewezen, omdat verdachte voor het einde van de proeftijd wederom strafbare feiten heeft gepleegd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, omdat de bedoeling van de wetgever is om naast een ISD-maatregel geen gevangenisstraf op te leggen (vgl.
ECLI:NL:HR:2006:AV1161).
Oordeel van de rechtbank
De verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd aan strafbare feiten schuldig gemaakt, zodat toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging mogelijk is. De rechtbank is echter van oordeel dat toewijzing van de vordering niet passend is, nu aan verdachte de onvoorwaardelijke ISD-maatregel voor de duur van twee jaren wordt opgelegd. De vordering zal daarom worden afgewezen.
Toepassing van wetsartikelen
De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38m, 38n, 45, 47, 57, 63, 310, 311, 350 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.
Uitspraak
De rechtbank
Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 2 primair en 5 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.
Verklaart het onder 1, 2 subsidiair, 3, 4 primair en 5 subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.
Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.
Veroordeelt verdachte tot:
Plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] , feit 2 subsidiair:
Wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot het hierna te noemen bedrag en veroordeelt verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, om aan [slachtoffer 2] te betalen:
Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Legt aan verdachte hoofdelijk, aldus dat als een mededader betaalt verdachte in zoverre zal zijn bevrijd, de verplichting op om ten behoeve van [slachtoffer 2] aan de Staat te betalen een bedrag van 1.995,07 (zegge: negentienhonderd vijfennegentig euro en zeven cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 22 april 2026 tot de dag van algehele voldoening. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.
Bepaalt dat bij gebreke van volledig verhaal van de betalingsverplichting aan de Staat gijzeling voor de duur van 19 dagen kan worden toegepast. De toepassing van gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat als verdachte of een mededader voldoet aan de betalingsverplichting aan de benadeelde partij of aan de Staat, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd van de betalingsverplichting aan beiden.
Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer
21. 001547-23:
Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, van 1 november 2023.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.L. Wolters, voorzitter, mr. L.E.A. Jonkers-Vellinga en mr. H.C.L. Vreugdenhil, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Bakker-Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 augustus 2026.
1. Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpaginas, zijn dit paginas uit de dossiers van politie Eenheid
Noord-Nederland met de processen-verbaalnummers PL0100-2026117440 (pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 123 en als zodanig hierna aangeduid) en PL0100-2026101683 (pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 141 en als zodanig hierna aangeduid). Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
2 PL0100-2026101683, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 141, pagina 14.
3 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 augustus 2026.
4 PL0100-2026101683, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 141, pagina 38.
5 PL0100-2026101683, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 141, pagina 46.
6 PL0100-2026101683, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 141, pagina 43 en 44.
7 PL0100-2026101683, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 141, pagina 83.
8 PL0100-2026101683, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 141, pagina 93.
9 PL0100-2026117440, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 123, pagina 19.
10 PL0100-2026117440, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 123, pagina 22.
11 PL0100-2026117440, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 123, pagina 21.
12 PL0100-2026117440, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 123, pagina 12.
13 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 augustus 2026.
14 PL0100-2026117440, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 123, pagina 32.
15 PL0100-2026117440, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 123, pagina 30.
16 PL0100-2026117440, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 123, pagina 32 en 33.
17 PL0100-2026117440, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 123, pagina 65.
18 PL0100-2026117440, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 123, pagina 30.
19 PL0100-2026117440, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 123, pagina 27.
20 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 4 augustus 2026.
21 PL0100-2026101683, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 141, pagina 51 en 52.
22 PL0100-2026101683, pv voorgeleiding op eind-pv, doorgenummerd 1 tot en met 141, pagina 33 en 34.
23 Het rapport dactyloscopisch sporenonderzoek, Meervoudige procedure, afgesloten op 19 mei 2026,
ondertekend door [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] .
24 Het proces-verbaal conclusie onderzoek dactyloscopische sporen, met nummer PL0100-2026106198-4,
gesloten op 1 juli 2026, ondertekend door [verbalisant] , hoofdagent van de Eenheid Noord-Nederland.