RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2026 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Schagen
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/4133
[verzoeker] , uit '[plaats], verzoeker,
en
(gemachtigde: B. van Yperen-Leek).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Liander N.V., uit Arnhem, vergunninghouder.
Inleiding, procesverloop en beoordeling
Conclusie en gevolgen
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker hangende zijn bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor het aanleggen van middenspanningskabels op de locatie tussen Zeeweg 37 in Sint Maartensvlotbrug, Belkmerweg 109A in Sint Maartensvlotbrug, Antoniszstraat 1 in Sint Maartensbrug en Sint Maartensweg 102 in Sint Maartensbrug. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2. Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 13 juli 2026 verleend aan vergunninghouder. Verzoeker heeft hiertegen op 19 augustus 2026 bezwaar gemaakt en op 21 augustus 2026, aangevuld op 15 september 2026, de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
3. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
5. Het college heeft met het e-mailbericht van 26 augustus 2026 bericht dat niet eerder een start zal worden gemaakt met de werkzaamheden op de percelen van verzoeker totdat een privaatrechtelijke overeenkomst is gesloten of door de minister van Infrastructuur en Waterstaat een gedoogplicht is opgelegd. Van beide is nog geen sprake. De planning is dat er op zijn vroegst pas gestart kan worden nadat er op het bezwaar is beslist. Onder die omstandigheden heeft verzoeker geen spoedeisend belang bij het treffen van enige voorziening in afwachting van de beslissing op zijn bezwaar, zodat er geen grond is voor de voorzieningenrechter om in afwachting van dat besluit een voorziening te treffen.
6. Het verzoek is daarom (kennelijk) ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: