RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats 1] , verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/4233
(gemachtigde: mr. B.I. Frenken),
en
(gemachtigde: mr. S.A.J. van der Horst).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij], uit [plaats 2] , vergunninghouder.
Inleiding, procesverloop en beoordeling
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende haar beroep betreffende de omgevingsvergunning voor het bouwen van een basisschool ( [naam school] ) aan de [adres] in [plaats 1] . Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
2. Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 20 november 2025 verleend aan vergunninghouder. Met het bestreden besluit van 11 juni 2026 op het bezwaar van verzoekster is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Verzoekster heeft hiertegen op 21 juli 2026, aangevuld op 18 augustus 2026, beroep ingesteld en de voorzieningenrechter op 28 augustus 2026, aangevuld op 7 september 2026, verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
3. Het college heeft desgevraagd bij brieven van 31 augustus 2026 en 9 september 2026 gereageerd op het verzoek om een voorlopige voorziening.
4. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
5. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
6. Voor zover het verzoek om een voorlopige voorziening ziet op het bouwen van de basisschool overweegt de voorzieningenrechter dat het college met de brief van 31 augustus 2026 heeft bericht dat vergunninghouder heeft verklaard dat er nog geen startdatum van de bouwwerkzaamheden bekend is. Naar verwachting zal dit niet eerder dan voor het einde van het jaar of begin volgend jaar. Vergunninghouder heeft toegezegd voor de start van de bouw een bewonersbrief te versturen waarin de startdatum wordt aangekondigd.
7. Voor zover het verzoek om een voorlopige voorziening ziet op het tegengaan van de sloop van het bestaande schoolgebouw, overweegt de voorzieningenrechter dat het schorsen van het besluit de sloop niet kan voorkomen, omdat de sloop geen deel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Zoals uit de brief van het college van 9 september 2026 blijkt, is in de, momenteel als tijdelijk deel van het omgevingsplan gemeente Zaanstad geldende, beheersverordening Lintbebouwing Westzaan geen specifieke regeling opgenomen voor het slopen van gebouwen. Voor de start van de sloop zal wel eerst een melding moeten worden gedaan. Vergunninghouder heeft kenbaar gemaakt dat hij omwonenden zal informeren over de startdatum van de sloop.
8. Onder deze omstandigheden heeft verzoekster geen spoedeisend belang bij het treffen van enige voorziening in afwachting van de beslissing op haar beroep, zodat er geen grond is voor de voorzieningenrechter om in afwachting van die uitspraak een voorziening te treffen.
Conclusie en gevolgen
9. Het verzoek is daarom (kennelijk) ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van griffierecht bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: