ECLI:NL:RBNHO:2026:12674

ECLI:NL:RBNHO:2026:12674

Instantie Rechtbank Noord-Holland
Datum uitspraak 23-09-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer HAA 26/3955
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Voorlopige voorziening

Samenvatting

Vovo afgewezen. Voor zover verzoekers hebben aangevoerd dat zij een spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening, kunnen zij daarin niet worden gevolgd omdat bij de realisatie van een bouwplan geen sprake is van een onomkeerbare situatie die achteraf niet meer te herstellen is. Voor zover verzoekers stellen dat het college aan het bouwplan geen medewerking had mogen verlenen, gaat de voorzieningenrechter daar op grond van de hem nu ter beschikking staande informatie voorbij. Het belang van verzoekers bij schorsing van het besluit weegt in dit geval minder zwaar dan het gestelde belang van vergunninghouder.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 september 2026 in de zaak tussen

[verzoekster 1] , bewoner [adres 1] in Haarlem, verzoekster 1

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: HAA 26/3955

[verzoekster 2] , bewoner [adres 2] in Haarlem, verzoekster 2

[verzoeker 3] , eigenaar [adres 3] in Haarlem, verzoeker 3

[verzoekster 4] , bewoner [adres 4] in Haarlem, verzoekster 4

[verzoekster 5] , bewoner [adres 5] in Haarlem, verzoekster 5

hierna ook: verzoekers

en

(gemachtigde: B. Kooij).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde-partij] uit Haarlem, vergunninghouder

(gemachtigde: mr. M.N. Mense)

Procesverloop

Vergunninghouder heeft op 24 december 2025, aangevuld op 2 februari 2026, 2 april 2026, 7 april 2026, 21 mei 2026 en 15 juni 2026, een omgevingsvergunning aangevraagd voor het realiseren van een dakopbouw, het optrekken van de achtergevel en een aanbouw met dakterras op het perceel [adres 6] in Haarlem (hierna: het bouwplan). Naar aanleiding van twee negatieve adviezen van de stedenbouwkundige heeft vergunninghouder het bouwplan op 2 april 2026 en op 21 mei 2026 aangepast. Vervolgens heeft de stedenbouwkundige alsnog positief geadviseerd over het bouwplan en heeft het college met het besluit van 26 juni 2026 een omgevingsvergunning verleend voor de volgende activiteiten: omgevingsplanactiviteit bouwwerken (ruimtelijk); omgevingsplanactiviteit afwijken regels omgevingsplan; en bouwactiviteit (technisch). Verzoekers hebben hiertegen afzonderlijk bezwaar gemaakt en gezamenlijk de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende schorsing van het besluit tot het moment waarop op het bezwaar is beslist.

Op 18 augustus 2026 heeft het college gereageerd op het verzoek om voorlopige voorziening en een verklaring van de toezichthouder overgelegd waaruit blijkt dat de aanbouw voldoet aan de voorwaarden voor vergunningvrij bouwen.

Op 3 september 2026 heeft vergunninghouder gereageerd op het verzoek om voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, [naam 1] en [naam 2] , collega’s van de gemachtigde van het college, vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.

Wettelijk kader

2. Het wettelijk kader is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Het bestreden besluit

3. In het bestreden besluit heeft het college zich op het standpunt gesteld dat het bouwplan in strijd is met artikel 17.2, onder d, van het bestemmingsplan “Leidsebuurt” (hierna: het bestemmingplan), omdat de voorgestelde goothoogte 9,04 m is. Het bouwplan is ook in strijd met artikel 13.2, onder b, van het bestemmingsplan, omdat met het realiseren van het dakterras de voorgeschreven bouwhoogte wordt overschreden met 1,4 m. Het college heeft vervolgens het bouwplan ruimtelijk beoordeeld en zich ten aanzien van de dakopbouw op het standpunt gesteld dat binnen het straat- en bebouwingsbeeld reeds dakopbouwen voorkomen en dat een dakopbouw op deze locatie stedenbouwkundig denkbaar is, mits deze aansluit bij de bestaande, positief beoordeelde ontwikkelingen binnen het bouwblok. De dakopbouw op nummer [huisnummer], vergund in 2018, is hierbij richtinggevend en vormt het relevante referentiepunt voor nieuwe aanvragen. Aansluiting bij deze maatvoering en hoofdvorm is van belang om het straat- en bebouwingsbeeld eenduidig en rustig te houden en versnippering in het daklandschap te voorkomen. Ten aanzien van het dakterras heeft het college zich op het standpunt gesteld dat vanuit stedenbouw geadviseerd wordt de diepte te beperken tot de maximale maat van 2,5 m. Het hanteren van de actuele maatvoering is nodig om verdere verrommeling van het dakterrasbeeld te voorkomen. Nadat vergunninghouder het bouwplan hierop heeft aangepast en het college heeft vastgesteld dat het bouwplan voldoet aan redelijke eisen van welstand op grond van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit heeft het college de aangevraagde omgevingsvergunning verleend.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

In de bezwaarfase is het aan het college om te beslissen op de bezwaren die verzoekers tegen de omgevingsvergunning hebben ingediend. Voor het treffen van een voorlopige voorziening in de bezwaarfase is in beginsel alleen aanleiding als er sprake is van een spoedeisend belang en/of als het besluit zodanig gebrekkig is dat het in de heroverweging in bezwaar naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet (volledig) in stand kan blijven. Bij de tweede vraag beperkt de voorzieningenrechter zich tot een beoordeling op hoofdlijnen van de kans van slagen van het bezwaarschrift. Daarna zal hij afwegen of de belangen van verzoekers om het bestreden besluit te schorsen al dan niet zwaarder wegen dan de belangen van het college en vergunninghouder bij het in stand laten van het besluit.

Voor zover verzoekers hebben aangevoerd dat zij een spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening, kunnen zij daarin niet worden gevolgd omdat bij de realisatie van een bouwplan geen sprake is van een onomkeerbare situatie die achteraf niet meer te herstellen is. Dat ter zitting is gebleken dat het bouwplan nagenoeg is afgerond voor wat betreft de buitenzijde van de dakopbouw en de buitenzijde van de aanbouw, maakt dit niet anders. Een situatie als deze, kan, als het besluit later onrechtmatig blijkt, ondanks dat dit de nodige kosten voor vergunninghouder met zich brengt, weer ongedaan worden gemaakt. Daarbij is van belang dat het gebruikmaken van de omgevingsvergunning zolang deze nog niet in rechte onaantastbaar is, op eigen risico plaatsvindt.

Voor wat betreft het voorlopig rechtmatigheidsoordeel en de afweging van belangen overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

De voorzieningenrechter stelt vast dat het bouwplan voorziet in een dakopbouw met dakkapellen in het voor-, achter- en zijdakvlak en in een aanbouw met dakterras. Uit het besluit volgt dat het bouwplan ten aanzien van de dakopbouw in strijd is met artikel 17.2, onder d, van het bestemmingsplan en ten aanzien van het dakterras in strijd is met artikel 13.2, onder b, van het bestemmingsplan en dat het college, onder verwijzing naar de stedenbouwkundige adviezen, de omgevingsvergunning heeft verleend voor de omgevingsplanactiviteit afwijken regels omgevingsplan. Uit het besluit blijkt echter niet duidelijk of het college bij deze ruimtelijke beoordeling gebruik heeft gemaakt van de binnenplanse of de buitenplanse afwijkingsbevoegdheid. De zinsnede op p. 5 van het bestreden besluit onder de geconstateerde strijdigheden “tenzij wordt voldaan aan de afwijkingsregels zoals opgenomen in het Omgevingsplan” lijkt te duiden op toepassing van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid. Ter zitting heeft het college de vraag niet kunnen beantwoorden. Daarbij heeft het college zich onder meer op het standpunt gesteld dat het ten aanzien van het dakterras niet mogelijk is om binnenplans af te wijken, omdat er een buitenruimte aanwezig is op het perceel en in zoverre niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 13.3, onder 1a, van het bestemmingsplan.

Verzoekers hebben – kort samengevat – aangevoerd dat zij rechtstreeks in hun belangen worden geraakt ten aanzien van privacy, woongenot, daglichttoetreding en gebruik van het dakterras. Uit vaste jurisprudentie volgt dat zowel bij toepassing van een binnenplanse als bij toepassing van een buitenplanse afwijkingsbevoegdheid sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). In het besluit heeft het college echter vooral gekeken naar de ruimtelijke inpasbaarheid van het bouwplan en is niet (zichtbaar) getoetst aan ETFAL. Ook heeft het college niet (zichtbaar) getoetst of er met het bouwplan geen onevenredige aantasting zal plaatsvinden, zoals bepaald in de artikelen 17.3, onder 2, en 13.3, onder 2, van het bestemminsplan.

Voor zover verzoekers stellen dat het college daarom aan het bouwplan geen medewerking had mogen verlenen, gaat de voorzieningenrechter daar op grond van de hem nu ter beschikking staande informatie voorbij. Enerzijds omdat het college de bezwaarfase kan benutten om dit gebrek te herstellen door de gemaakte afwegingen nader te motiveren. Anderzijds omdat het college zich ter zitting op het standpunt heeft gesteld dat de aanbouw, de dakkapel in het achterdakvlak en de dakkapel in het zijdakvlak vergunningvrij zijn en dat de voorzieningenrechter tot het voorlopig oordeel komt dat het college hierin gevolgd kan worden. Daarnaast zijn er naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, mede gelet op de stedenbouwkundige adviezen, geen aanknopingspunten dat het bouwplan voor wat betreft de dakopbouw, het dakterras en de dakkapel in het voordakvlak in het geheel niet vergund had mogen worden. Daarbij acht de voorzieningenrechter van belang dat onweersproken is gesteld dat dakopbouwen en dakterrassen als deze in de omgeving reeds meermalen als evenwichtig zijn beoordeeld en vergund, en dat verzoekers hun standpunten ter zake van de door hun gestelde hinder niet met objectieve gegevens hebben onderbouwd. Enkel wat overgelegde foto’s zijn daarvoor niet toereikend.

Het belang van verzoekers is erin gelegen dat de bouw niet voortgezet wordt totdat op het bezwaar is beslist. Daartegenover staat het belang van vergunninghouder om de bouw te kunnen voortzetten. De voorzieningenrechter is gelet op vorenstaande voorlopige oordelen en afwegingen van oordeel dat in dit geval het belang van verzoekers bij schorsing van het besluit minder zwaar weegt dan het gestelde belang van vergunninghouder en dit tot afwijzing van het verzoek moet leiden. Dit laat echter onverlet dat het college ter zitting heeft bevestigd dat het realiseren van het dakterras op de aanbouw gelet op de afstand tot aan de erfgrens binnen de 2 meter mogelijk tot een privaatrechtelijke belemmering kan leiden die aan verlening van de vergunning op deze wijze in de weg staat. Dit zal in de bezwaarfase beoordeeld moeten worden door het college. In dit mogelijke gebrek ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om de voorzieningen te treffen, omdat ook dit in de bezwaarfase nog hersteld kan worden. Bovendien is de realisatie van een balkonhek een zeer eenvoudig omkeerbare situatie.

Conclusie en gevolgen

6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 23 september 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Bijlage

Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Vergunninghouder heeft op 24 december 2025 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning. Dat betekent dat de nieuwe Omgevingswet van toepassing is. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Ook bestaat het tijdelijke deel van het omgevingsplan uit enkele gemeentelijke verordeningen en de bruidsschat. De bruidsschat bevat regels die eerst op Rijksniveau geregeld waren, maar nu (in ieder geval tijdelijk) onderdeel uitmaken van het omgevingsplan.

Voor het perceel waar de woning op gelegen is, was voor 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Leidsebuurt” van kracht. Dit bestemmingsplan maakt onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Haarlem. Volgens het bestemmingsplan gelden op het perceel de bestemming ‘Wonen’ en ‘Tuin – 2’. Volgens de verbeelding geldt voor de bestemming ‘Wonen’ (binnen het bouwvlak) een maximum goothoogte van 7 meter.

Artikel 17.2 van het bestemmingsplan bepaalt dat op gronden met de bestemming ‘Wonen’ gebouwen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde onder voorwaarden mogen worden opgericht. In dit geval zijn de volgende voorwaarden van belang voor gebouwen:

de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is aangegeven;

boven de goothoogte is een kap toegestaan met een maximale hoogte van 3 m, verticaal gemeten vanaf de goothoogte;

een kap rondom dient voorzien te zijn van dakvlakken met een helling die niet meer bedraagt dan 70 graden;

In dit geval zijn de volgende voorwaarden van belang voor dakkapellen:

dakhellingen van een kap mogen onder voorwaarden onderbroken worden voor het oprichten van dakkapellen voor wat betreft het voordakvlak of op een naar de weg of openbaar groen gekeerd zijdakvlak. Daarbij zijn in dit geval de volgende voorwaarden van belang:

8. een dakkapel in het zijdakvlak van een hoekpand dient te voldoen aan de voorwaarden genoemd in artikel 17.2, onder l, van het bestemmingsplan met dien verstande dat de afstand van de zijkant van de dakkapel naar de voorgevel minimaal 3 meter bedraagt.

Artikel 17.3, onder 1, van het bestemmingsplan bepaalt dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn om voor gebouwen ontheffing te verlenen van het bepaalde in artikel 17.2, onder d en f, van het bestemmingplan voor een verhoging van de goothoogte onder de volgende voorwaarden:

Artikel 17.3, onder 2, van het bestemmingsplan bepaalt dat burgemeester en wethouders bij de toepassing van de in artikel 17.3, onder 1, opgenomen ontheffingsbevoegdheid toetsen of geen onevenredige aantasting zal plaatsvinden van:

Artikel 13.2 van het bestemmingsplan bepaalt dat op de gronden met de bestemming ‘Tuin – 2’ onder voorwaarden aan- en uitbouwen, bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde mogen worden opgericht. Daarbij zijn in dit geval de volgende voorwaarden voor aan- en uitbouwen van belang:

de diepte van een (ondergronds) gebouw mag niet meer dan 4 m bedragen.

Artikel 13.3, onder 1, van het bestemmingsplan bepaalt dat burgemeester en wethouders ontheffing kunnen verlenen:

a. voor een dakterras bij het ontbreken van buitenruimte op aan- en uitbouwen onder de volgende voorwaarden:

Artikel 13.3, onder 2, van het bestemmingsplan bepaalt dat burgemeester en wethouders toetsen bij de toepassing van deze ontheffingsbevoegdheid of geen onevenredige aantasting zal plaatsvinden van:

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand