RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie & Jeugd
Locatie Haarlem
Meervoudige kamer jeugdstrafzaken
Parketnummer: 15-035369-26, 15-047233-26 en 15-013736-25 (vordering tul), 15-087861-26 (P) (ter terechtzitting gevoegd)
Uitspraakdatum: 15 september 2026
Tegenspraak
Vonnis
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting met gesloten deuren van 1 september 2026 in de zaak tegen:
[de verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] te [plaats] ,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] .
De rechtbank heeft de zaken, die bij afzonderlijke dagvaardingen onder de bovenvermelde parketnummers zijn aangebracht, gevoegd.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
[officier van justitie] en van wat de verdachte en zijn raadsman, mr. R.M.G. Sussenbach, advocaat te Amsterdam, naar voren hebben gebracht.
Op de zitting is verder het woord gevoerd door [vertegenwoordiger van de raad] van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad), [vertegenwoordiger van de jeugdreclassering] van De Jeugd en Gezinsbeschermers (hierna: de jeugdreclassering) en de vader van de verdachte.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de vorderingen benadeelde partij en wat namens de benadeelde partij [benadeelde partij 1] , door [medewerker Slachtofferhulp] van Slachtofferhulp Nederland, naar voren is gebracht.
1. Tenlastelegging
Aan de verdachte is onder parketnummer 15-035369-26 ten laste gelegd dat:
feit 1:
hij op of omstreeks 23 oktober 2025 te Wieringerwerf, gemeente Hollands Kroon,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 1]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te
eigenen
en deze poging diefstal te doen voorafgaan, te doen vergezellen en/of te doen
volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] , te plegen met het
oogmerk om die voorgenomen diefstal voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of
om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of andere deelnemer(s) aan het
misdrijf hetzij de vlucht mogelijk te maken,
hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren,
- die [benadeelde partij 1] een duw heeft gegeven en/of
- ( daarbij) die [benadeelde partij 1] onder bedreiging van een mes, althans een scherp en/of
puntig voorwerp, de dreigende woorden: 'opkankeren, opkankeren, wegwezen,
oprotten!'' of woorden van gelijke strekking deed toekomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2
hij op of omstreeks 23 oktober 2025 te Wieringerwerf, gemeente Hollands Kroon
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
twee (elektrische) fietsen, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 2]
, in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s)
toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk
toe te eigenen.
Aan de verdachte is onder parketnummer 15-047233-26 ten laste gelegd dat:
hij in of omstreeks de periode van 13 december 2025 tot en met 14 december 2025
te Zuidoostbeemster, gemeente Purmerend
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
één bromfiets ( [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan
[benadeelde partij 3] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn
mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich
wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de
toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te
nemen bromfiets onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel
van braak en/of verbreking;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 december 2025 te Zuidoostbeemster, gemeente Purmerend
één bromfiets, ( [kenteken] ) althans een goed heeft verworven, voorhanden heeft
gehad, en/of heeft overgedragen,
terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist,
althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen
goed betrof.
Aan de verdachte is onder parketnummer 15-087861-26 ten laste gelegd dat:
feit 1:
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Hoogkarspel, gemeente Drechterland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om een personenauto ( [merk auto] kenteken [kenteken] ), in elk geval enig goed,
dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 4] , in elk geval aan een ander dan aan
verdachte en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het
oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats
van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder
zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of
inklimming
met een schroevendraaier, althans een scherp voorwerp de portier heeft geopend
en/of de stuurkolom en/of het contactslot heeft vernield en/of met een sleutel de
auto heeft gestart en/of heeft geprobeerd weg te rijden,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Hoogkarspel, gemeente Drechterland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en
wederrechtelijk een personenauto ( [merk auto] [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan [benadeelde partij 4] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft
vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
feit 2:
hij in of omstreeks de periode van 23 februari 2026 tot en met 24 febrauri 2026 te
Hoogkarspel, gemeente Drechterlandtezamen en in vereniging met een of meer
anderen, althans alleen,
ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen
misdrijf om een personenauto ( [merk auto] [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die
geheel of ten dele aan [benadeelde partij 5] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte
en/of zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om
het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het
misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder
zijn/haar/hun bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of
inklimming
met een schroevendraaier, althans een scherp voorwerp het contactslot van de auto
heeft vernield,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks 23 februari 2026 tot en met 24 febrauri 2026 te Hoogkarspel,
gemeente Drechterlandtezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans
alleen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto ( [merk auto] [kenteken] ), in elk
geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 5] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
feit 3:
hij in of omstreeks 24 februari 2026 te Hoogkarspel, gemeente Drechterland
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering
van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om een
personenauto ( [merk auto] [kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele
aan [benadeelde partij 6] en/of [benadeelde partij 7] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of
zijn/haar mededader(s) toebehoorde(n) weg te nemen met het oogmerk om het
zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf
te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun
bereik te brengen door middel van braak, verbreking en/of inklimming
met een schroevedraaier, althans een scherp voorwerp het contactslot van de auto
heeft vernield,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij in of omstreeks de periode van 23 februari 2026 tot en met 24 februari 2026 te
Hoogkarspel, gemeente Drechterland tezamen en in vereniging met een of meer
anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto ( [merk auto]
[kenteken] ), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan [benadeelde partij 6] en/of [benadeelde partij 7]
, in elk geval aan een ander toebehoorde(n)
heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
feit 4:
hij op of omstreeks 24 februari 2026 te Hoogkarspel, gemeente Drechterland als
bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto) heeft gereden op de weg,
[weg] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in
artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de
categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
2. Voorvragen
De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaken, de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
Standpunt van de officier van justitie
Parketnummer 15-035369-26
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten.
Parketnummer 15-047233-26
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit en tot bewezenverklaring van het subsidiair ten laste gelegde feit.
Parketnummer 15-087861-26
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van de primair ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 en tot bewezenverklaring van de subsidiair ten laste gelegde feiten 1, 2 en 3 en het ten laste gelegde feit 4.
Standpunt van de verdediging
Parketnummer 15-035369-26
De verdediging heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd ten aanzien van de ten laste gelegde feiten.
Parketnummer 15-047233-26
Door de verdediging is vrijspraak bepleit ten aanzien van het ten laste gelegde feit.
Parketnummer 15-087861-26
Door de verdediging is vrijspraak bepleit van het primair ten laste gelegde feit 1, de primair en subsidiair ten laste gelegde feiten 2 en 3 en het ten laste gelegde feit 4.
De verdediging heeft zich aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde feit 1.
Oordeel van de rechtbank
Vrijspraak onder parketnummer 15-047233-26 primair ten laste gelegde feit
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte primair ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op basis van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting, stelt de rechtbank het volgende vast. De aangever is rond 19:30 uur van de voetbalvereniging in Zuidoostbeemster weggegaan en heeft zijn scooter daar laten staan. Om 04:28 uur maakt een getuige melding van een slingerende scooter op de N247 ter hoogte van Beets. De verdachte wordt kort daarna door verbalisanten gezien, terwijl hij op de scooter van de aangever reed. Volgens de verdachte had hij de scooter geleend van een vriend in Purmerend, waar hij die avond was, om vanuit Purmerend naar huis te kunnen rijden.
Uit de beschrijving van de beelden van de diefstal blijkt dat de scooter gestolen is door drie personen, maar deze beelden zijn van slechte kwaliteit zodat de personen die te zien zijn, niet herkenbaar zijn. Ook zijn de beelden niet voorzien van een tijdstempel. Gelet hierop kan de rechtbank dan ook niet vaststellen of en zo ja welke rol de verdachte heeft gespeeld bij de diefstal van de scooter. De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit.
Vrijspraak onder parketnummer 15-087861-26 primair ten laste gelegde feit 2 en ten laste gelegde feit 3
Naar het oordeel van de rechtbank is niet wettig en overtuigend bewezen wat de verdachte primair onder feit 2 en onder feit 3 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan moet worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op basis van het dossier en het onderzoek op de terechtzitting, stelt de rechtbank het volgende vast. De verdachte en de medeverdachte zijn op 24 februari 2025 aanwezig op een parkeerplaats bij het station in Hoogkarspel. De verdachte heeft in bijzijn van de medeverdachte aan het slot van de rode [merk auto] met het kenteken [kenteken] gezeten. Eén van de jongens heeft met een schroevendraaier het slot van de [merk auto] proberen in te drukken. Hoewel deze handelingen op zichzelf vragen oproepen, is dit enkele gegeven naar het oordeel van de rechtbank echter onvoldoende om aan te nemen dat de verdachte en zijn medeverdachte hiermee opzet hadden om de rode [merk auto] weg te nemen. De verdachte wordt dan ook vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit 2.
Het dossier bevat eveneens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs waaruit blijkt dat de verdachte op enige wijze betrokken is geweest bij de tenlastegelegde diefstal of vernieling van de [merk auto] met het kenteken [kenteken] . De verdachte wordt dan ook integraal vrijgesproken van feit 3.
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de onder parketnummer 15-035369-26 ten laste gelegde feiten, het onder parketnummer 15-047233-26 subsidiair ten laste gelegde feit, het onder parketnummer 15-087861-26 primair ten laste gelegde feit 1, subsidiair ten gelegde feit 2 en ten laste gelegde feit 4 op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn vervat.
Bewijsmotivering onder parketnummer 15-047233-26 subsidiair ten laste gelegde feit
Voor een bewezenverklaring van opzet- of schuldheling dient te worden vastgesteld dat de verdachte “ten tijde van” het verwerven of voorhanden “krijgen” wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een “door misdrijf verkregen goed” betrof. Daarbij kan onder omstandigheden een rol spelen of de verdachte een aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het verwerven of voorhanden hebben van het betreffende goed. De rechter mag bij zijn bewijsoordeel betrekken dat de verdachte voor een omstandigheid die – op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd – redengevend kan worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen aannemelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven.
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af. Zoals reeds overwogen heeft de verdachte verklaard de scooter te hebben geleend van een vriend in Purmerend bij wie hij op bezoek was. De verdachte heeft verder verklaard dat hij de scooter niet heeft gestart met een sleutel, maar door een kick-start. Toen de verdachte op de scooter reed, ontbrak het cilinderslot van de scooter. Op de foto’s van de scooter die zich in het dossier bevinden, is duidelijk te zien dat op de plaats waar normaal gesproken het cilinderslot zit, een groot gat is. Naar het oordeel van de rechtbank ligt dan ook de conclusie voor de hand dat de verdachte ten tijde van het voorhanden krijgen van de scooter, wist, althans onder de gegeven omstandigheden willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de scooter gestolen was. De verklaring van de verdachte, dat hij helemaal niet op het contactslot heeft gelet en dus niets door heeft gehad, acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk en schuift die dan ook terzijde.
Bewijsmotivering onder parketnummer 15-087861-26 primair ten laste gelegde feit 1
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat de verdachte samen met de medeverdachte op 24 februari 2026 in Hoogkarspel bij het station aanwezig was. Zij hadden een schroevendraaier meegenomen. Ze zijn naar de blauw/grijze [merk auto] met het kenteken [kenteken] gegaan en verrichten handelingen bij het rechterportier. Daarna stapt de verdachte in de auto op de bestuurdersstoel en rommelt bij het contactslot, verricht handelingen onder het stuurkolom en is bezig dingen aan elkaar te verbinden. Uit camerabeelden blijkt dat hij enkele minuten bezig is met het contactslot. De medeverdachte krijgt een schermkap in zijn handen en gooit die onder een andere auto. Gebleken is dat de verdachte met behulp van een schroevendraaier het schermkap heeft verwijderd. De verdachte rijdt vervolgens met moeite de auto de parkeerplaats af, waarbij de auto half op de rijbaan, half in het parkeervak blijft staan. De verdachte en de medeverdachte proberen de auto terug het parkeervak in te duwen. Verdachte probeert daarna nogmaals de auto weg te rijden, maar dat lukt niet.
Deze gedragingen zijn, in onderling samenhang bezien, naar het oordeel van de rechtbank naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht op een (poging) diefstal en duiden op een gezamenlijke uitvoering hiertoe van de verdachte en de medeverdachte. De verklaring van de verdachte dat de auto al open was toen hij op het station aankwam, de auto van binnen al beschadigd was en hem hooguit de beschadiging van de onderkap kan worden verweten, komt niet overeen met het bewijs in het dossier en acht de rechtbank dan ook onaannemelijk.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit in vereniging met de medeverdachte heeft gepleegd.
Ook acht de rechtbank het wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit 4 heeft gepleegd. De verdachte heeft, weliswaar kort, in de auto gereden, terwijl hij daarvoor ten tijde van het ten laste gelegde feit geen rijbewijs voor had. De rijbewijsverplichting geldt voor de bestuurder van een motorrijtuig op de weg.
Bewijsmotivering onder parketnummer 15-087861-26 subsidiair ten laste gelegde feit 2
Uit de bewijsmiddelen leidt de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden af. Nadat de verdachte en de medeverdachte bij de reeds genoemde blauw/grijze [merk auto] zijn geweest, zijn ze naar de rode [merk auto] met het kenteken [kenteken] gegaan. Getuige [getuige] heeft verklaard twee jongens bij deze auto te hebben gezien. De jongen met de schroevendraaier probeerde aan de bestuurderskant het slot van de rode [merk auto] in te drukken. De aangever heeft verklaard dat schade aan het slot was ontstaan. De verdachte heeft verklaard met een fietssleutel aan het slot van de auto te hebben gezeten, maar niet met een schroevendraaier. De rechtbank volgt de verdachte gelet op de getuigenverklaring, die de rechtbank betrouwbaar acht, niet dat hij geen schroevendraaier heeft gebruikt. De rechtbank stelt vast dat door het handelen van de verdachte schade aan het slot is ontstaan.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde feit in vereniging met de medeverdachte heeft gepleegd.
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder parketnummer 15-035369-26 ten laste gelegde feiten, het onder parketnummer 15-047233-26 subsidiair ten laste gelegde feit, het onder parketnummer 15-087861-26 primair ten laste gelegde feit 1, subsidiair ten gelegde feit 2 en ten laste gelegde feit 4 heeft begaan, met dien verstande dat:
ten aanzien van parketnummer 15-035369-26:
feit 1:
hij op 23 oktober 2025 te Wieringerwerf, gemeente Hollands Kroon,
tezamen en in vereniging met een ander
ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen
misdrijf om een geldbedrag, dat geheel aan [benadeelde partij 1] , toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen
en deze poging diefstal te doen vergezellen van geweld en bedreiging met geweld tegen die [benadeelde partij 1] , te plegen met het oogmerk om die voorgenomen diefstal gemakkelijk te maken, te weten
- die [benadeelde partij 1] een duw heeft gegeven en
- daarbij die [benadeelde partij 1] onder bedreiging van een mes, de dreigende woorden: 'opkankeren, opkankeren, wegwezen, oprotten!'' of woorden van gelijke strekking deed toekomen,
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2:
hij op 23 oktober 2025 te Wieringerwerf, gemeente Hollands Kroon tezamen en in vereniging met een ander, twee elektrische fietsen, die ten dele aan [benadeelde partij 2] , in elk geval aan een ander dan aan verdachte en zijn mededader, toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;
ten aanzien van parketnummer 15-047233-26:
hij op 14 december 2025 te Purmerend, één bromfiets ( [kenteken] ), voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van dit goed wist, dat het een door misdrijf verkregen goed betrof;
ten aanzien van parketnummer 15-087861-26:
feit 1:
hij op 24 februari 2026 te Hoogkarspel, gemeente Drechterland, tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader voorgenomen
misdrijf om een personenauto ( [merk auto] kenteken [kenteken] ) die geheel aan [benadeelde partij 4]
toebehoorde weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en dat weg te nemen goed onder hun bereik te brengen door middel van braak te weten
met een schroevendraaier het portier heeft geopend en de stuurkolom en het contactslot heeft vernield en de auto heeft gestart en heeft geprobeerd weg te rijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 2:
hij op 24 februari 2026 te Hoogkarspel, gemeente Drechterland, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk een personenauto ( [merk auto] [kenteken] ),
die geheel aan [benadeelde partij 5] , toebehoorde, heeft beschadigd;
feit 4:
hij op 24 februari 2026 te Hoogkarspel, gemeente Drechterland als bestuurder van een motorrijtuig (een personenauto) heeft gereden op de weg, [weg] , zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Voor zover sprake was van in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten zijn deze verbeterd. Blijkens wat op de zitting is besproken, is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.
Wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid van de feiten
Het bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van parketnummer 15-035369-26:
feit 1: poging tot diefstal, vergezeld van geweld/bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, gepleegd door twee of meer verenigde personen;
feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen.
Ten aanzien van parketnummer 15-047233-26:
opzetheling.
Ten aanzien van parketnummer 15-087861-26:
feit 1: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van braak;
feit 2: opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort beschadigen;
feit 4: overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezenverklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is derhalve strafbaar.
5. Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.
6. Motivering van de sancties
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie van 30 dagen, waarvan 25 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de tijd die hij in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht en een proeftijd van twee jaar onder de algemene voorwaarde en voor één jaar de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte een werkstraf op te leggen van 40 uur te vervangen door 20 dagen jeugddetentie.
Standpunt van de verdediging
De verdediging stelt zich op het standpunt dat aan de verdachte in ieder geval geen jeugddetentie moet worden opgelegd. De verdediging vindt een deels voorwaardelijke werkstraf passend onder de algemene en bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de Raad. Verder verzoekt de verdediging om rekening te houden met de lange periode dat de verdachte zich aan strenge schorsingsvoorwaarden heeft gehouden, waaronder elektronische monitoring en een avondklok. Ook verzoekt de verdediging om mee te wegen dat de verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt.
Oordeel van de rechtbank
Inleiding
Bij de beslissing over de straf die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van de feiten
De verdachte heeft in een periode van vijf maanden meerdere strafbare feiten gepleegd.
Hij heeft samen met een ander een poging gedaan om een vrouw te beroven bij een pinautomaat, waarbij hij op korte afstand van het slachtoffer een groot mes vast hield. De verdachte heeft op dat moment niet stilgestaan bij de gevolgen van dit soort strafbare feiten voor de mensen die het treft. Gewapende straatroven als deze hebben een enorm ontwrichtend effect op de directe slachtoffers en ook op de maatschappij als geheel. Dit blijkt ook uit de slachtofferverklaring van het slachtoffer, waarin staat dat zij kampt met angstgevoelens als gevolg van de poging tot straatroof en nog steeds bezig is met de verwerking hiervan.
Daarnaast heeft de verdachte zich onder meer schuldig gemaakt aan diverse (pogingen) diefstal en heling. Dit soort vermogensdelicten kosten de slachtoffers geld en leidt tot maatschappelijke ergernis. De verdachte heeft met zijn handelen daarnaast geen respect getoond voor andermans eigendom.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op:
- het op naam van de verdachte staande Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 13 juli 2026, waaruit blijkt dat de verdachte door de rechtbank Noord-Holland is veroordeeld voor het medeplegen van diefstal van een fiets en schuldheling.
- de over de verdachte uitgebrachte adviesrapportage van de Raad van 22 juli 2026 van [raadsonderzoeker] , als raadsonderzoeker verbonden aan de Raad.
De rechtbank neemt ten nadele van de verdachte mee dat de verdachte in oktober 2025 net was veroordeeld door de kinderrechter toen hij de eerste twee feiten heeft begaan. Ook de andere feiten heeft hij begaan in zijn proeftijd. Bovendien heeft hij de laatste feiten in februari 2026 begaan toen hij net geschorst was uit voorlopige hechtenis. De verdachte was dus tot twee keer toe een gewaarschuwd mens en had beter moeten weten.
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van de adviesrapportage van de Raad van
22 juli 2026. Het is de Raad niet gelukt om in contact te komen met de verdachte en één van zijn ouders. De Raad heeft zich in de rapportage daardoor met name gebaseerd op eerdere informatie. Ter zitting heeft de Raad vermeld dat vanuit de jeugdreclassering wordt gezien dat de verdachte vooruit is gegaan. Het is wel van belang toezicht en begeleiding vanuit de jeugdreclassering één jaar te laten doorlopen. De verdachte is nog jong en heeft risicovolle vrienden, waardoor coaching en begeleiding van de jeugdreclassering nodig is. Ook is het continueren van het reeds gestarte coachtraject van belang om de verdachte te helpen met de risicovolle domeinen: het contact met zijn moeder, drugsgebruik en zijn opleiding. De Raad acht een werkstraf met een voorwaardelijk deel het meest passend.
Ter zitting is namens de jeugdreclassering toegelicht dat het niet aan de verdachte is te wijten dat het gesprek met de Raad geen doorgang heeft gevonden. Het contact met de verdachte en zijn moeder verloopt moeizaam. De jeugdreclassering heeft ook vermeld dat sinds april jl. een verandering zichtbaar is bij de verdachte. Hij is anders gaan denken en neemt meer verantwoordelijkheid voor zijn handelen. De leerstraf heeft hem daarbij geholpen. De jeugdreclassering acht ook de voorwaarde van het hebben en behouden van dagbesteding nodig.
Op de zitting heeft de verdachte spijt betuigd van de poging tot diefstal op 23 oktober 2025 en blijk gegeven van medeleven voor het slachtoffer.
Conclusie
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten, waaronder een poging diefstal onder bedreiging van een mes. Hiervoor is doorgaans een jeugddetentie passend. In het nadeel van de verdachte weegt de rechtbank mee dat de verdachte tijdens zijn proeftijd en de schorsing van de voorlopige hechtenis strafbare feiten heeft gepleegd. In het voordeel van de verdachte houdt de rechtbank er rekening mee dat hij zich sinds zijn schorsing op 27 februari 2026 aan de opgelegde strenge bijzondere voorwaarden heeft gehouden (waarbij hij door een avondklok en elektronische monitoring nog een tijd in zijn vrijheid beperkt is geweest) en zich daar goed voor heeft ingezet. Ook heeft de verdachte een positieve ontwikkeling doorgemaakt mede door de uitgevoerde leerstraf en de coaching. De rechtbank is van oordeel dat jeugddetentie zijn positieve ontwikkeling nu zal doorkruisen. De rechtbank volgt de eis van de officier van de justitie echter wel in het opleggen van een voorwaardelijke jeugddetentie.
Alles afwegende zal de rechtbank aan de verdachte opleggen een jeugddetentie van 30 dagen, met aftrek van de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. De rechtbank zal bepalen dat een gedeelte van de jeugddetentie, te weten 23 dagen, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren, zodat de verdachte ervan wordt weerhouden zich voor het einde van de proeftijd schuldig te maken aan een strafbaar feit. Aan het voorwaardelijk strafdeel zullen de door de Raad en jeugdbescherming geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden. Deze bijzondere voorwaarden worden in lijn met het advies van de Raad voor één jaar opgelegd. De algemene voorwaarde die is verbonden aan de proeftijd wordt wel voor twee jaar opgelegd, zodat de verdachte ook na afloop van de begeleiding en coaching een stok achter de deur heeft om niet opnieuw strafbare feiten te plegen.
Om voldoende recht te doen aan de ernst van de feiten, zal de rechtbank daarnaast aan de verdachte opleggen een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uur, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 dagen jeugddetentie. Het is belangrijk dat de verdachte ook nu nog de gevolgen ondervindt van zijn herhaalde keuze om strafbaar te handelen.
7. Vordering benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregel
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1]
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] vordert immateriële schade ter hoogte van € 800,00 die zij als
gevolg van het ten laste gelegde feit heeft geleden, vermeerderd met de wettelijke rente en
met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
De benadeelde partij heeft ter onderbouwding aangevoerd dat een beroving naar de aard
van het delict een ernstig misdrijf is waarbij een grove inbreuk wordt gemaakt op de
persoonlijke en de lichamelijk integriteit van het slachtoffer. Bij dit misdrijf liggen de
nadelige gevolgen dan ook zo voor de hand dat ook zonder onderbouwing met concrete
gegevens en/of objectief vastgesteld geestelijk letsel een aantasting in de persoon kan
worden aangenomen, hetgeen toewijzing van een vergoeding voor immateriële schade
rechtvaardigt.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering geheel kan worden
toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 800,00. Volgens de officier van justitie blijkt uit
de onderbouwing dat gelet op de aard en de ernst van de normschending de benadeelde partij
‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast.
Standpunt van de verdediging
De verdediging refereert zich aan het oordeel van de rechtbank, maar verzoekt de vordering
te matigen tot € 500,00, omdat geen sprake is van een voltooide diefstal. Ook verzoekt de
verdediging de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
Gelet op de onderbouwing van de vordering en wat op de zitting is besproken, komt de
rechtbank vergoeding van de immateriële schade billijk voor. De vordering zal dan ook
worden toegewezen voor een bedrag van € 800,00 vermeerderd met de wettelijke rente
over dit bedrag vanaf 23 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening. De
rechtbank heeft hierbij acht geslagen op de bedragen die in soortgelijke zaken worden
toegewezen.
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van poging tot diefstal. De benadeelde partij die rechtstreekse schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte en zijn mededaders, kan aanspraak maken op vergoeding van die schade. Op grond van artikel 6:102 van het Burgerlijk Wetboek zijn alle daders hoofdelijk verbonden tot het betalen van de gehele schade. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor het standpunt van de verdachte, ziet de rechtbank geen wettelijke grondslag om van dit uitgangspunt af te wijken. Het is juist ook de bedoeling van de wetgever geweest indien er sprake is van twee of meer medeplegers, dat niet het slachtoffer achter de daders aan hoeft te gaan om ieders deel van de schade te innen, maar dat hij de totale schade kan verhalen bij ieder van hen. Het is dan aan de mededaders om onderling een regeling te treffen over de verdeling van de schade.
De betalingsverplichting wordt dan ook hoofdelijk opgelegd. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde
partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken. De tot
op heden door de benadeelde partij gemaakte kosten worden vastgesteld op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen, te weten:
poging tot diefstal, vergezeld van geweld/bedreiging met geweld tegen personen in
vereniging gepleegd, aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de
schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te
leggen.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 2]
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] vordert materiële schade ter hoogte van € 780,00 die hij als
gevolg van het ten laste gelegde feit heeft geleden, vermeerderd met de wettelijke rente.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering geheel hoofdelijk kan
worden toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 780,00.
Standpunt van de verdediging
De verdediging vraagt de vordering te matigen tot € 700,00 in verband met afschrijving. Ook
verzoekt de verdediging de vordering niet hoofdelijk toe te wijzen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit, namelijk medeplegen van diefstal van de fatbike. Vergoeding van de schade komt de rechtbank billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering. De vordering zal dan ook worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 29 april 2026 (het moment waarop de vordering is ingediend).
Anders dan de verdediging heeft betoogd, zal de rechtbank – zoals hiervoor reeds is overwogen – niet afwijken van het wettelijke uitgangspunt om de vordering hoofdelijk toe te wijzen voor het geheel aan schade. De betalingsverplichting wordt dan ook hoofdelijk opgelegd. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat indien de medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, de verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken, tot op heden begroot op nihil.
schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen, te weten: medeplegen diefstal, aanleiding voor de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 3]
De benadeelde partij [benadeelde partij 3] vordert materiele schade die hij als gevolg van de ten laste gelegde feiten heeft geleden. Hij vordert € 957,15 aan materiele schadevergoeding. Deze materiele schade bestaat uit nieuwe onderdelen voor de scooter en arbeidsloon. De benadeelde partij verzoekt de schadevergoeding te vermeerderen met wettelijke rente en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vordering deels moet worden toegewezen, namelijk alleen voor de schade die rechtstreeks het gevolg van is van de heling. Dit betreft de schade aan de spiegel, het spatbord en het bord waar de voeten op geplaatst worden, en betreft een bedrag van € 162,50. De officier van justitie vordert de arbeidsloon toe te wijzen tot een bedrag van € 100,00. De officier van justitie heeft gevorderd het overige deel van de vordering niet-ontvankelijk te verklaren.
Standpunt van de verdediging
De verdediging is van oordeel dat de vordering voor het grootste deel niet-ontvankelijk
verklaard dient te worden. Een schaderapport ontbreekt en de foto’s van de schade aan de
scooter zijn onduidelijk. Een deel van de gevorderde kosten lijkt geen verband te hebben met
de heling. Wel is mogelijk schade ontstaan als gevolg van de val met de scooter. Dit betreft
de kosten van de remgreep, beenschild, voorspatbord en de spiegel. Dit betreft een bedrag
van € 178,50.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat een benadeelde partij in het strafproces vergoeding kan vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden als sprake is van rechtstreekse schade. Er moet dan voldoende verband bestaan tussen het bewezen verklaarde handelen van de verdachte en de geleden schade.
Zoals hiervoor is overwogen en beslist, zal de verdachte worden vrijgesproken van de onder
parketnummer 15-047233-26 primair ten laste gelegde diefstal van de scooter. De rechtbank
kan niet vaststellen dat de verdachte een wezenlijke rol bij de diefstal heeft gespeeld. Dat
maakt dat hij in dit geval niet aansprakelijk kan worden gehouden voor de bij en door de
desbetreffende diefstal ontstane schade. De rechtbank is van oordeel dat in de vordering
onvoldoende is onderbouwd welke schadeposten rechtstreeks verband hebben met het
bewezen feit, te weten de heling van de scooter. Niet duidelijk is welke schade als gevolg
waarvan is ontstaan.
Gelet op het vorenstaande verklaart de rechtbank de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in zijn vordering. De benadeelde partij kan de vordering nog aanbrengen bij de burgerlijke rechter in een civiele procedure.
8. Vordering tot tenuitvoerlegging
Bij vonnis van 26 september 2025 in de ter zitting gevoegde zaken met parketnummer 15-013736-25 en 15-173512-25 heeft de kinderrechter te Alkmaar de verdachte veroordeeld voor schuldheling en diefstal door twee of meer verenigde personen, tot een geheel voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 uur. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
De mededeling als bedoeld in artikel 366a van het Wetboek van Strafvordering is op
15 oktober 2025 aan de verdachte toegezonden. De bij genoemd vonnis vastgestelde proeftijd is ingegaan op 11 oktober 2025 en loopt tot 10 oktober 2027.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de rechtbank zal gelasten dat de voorwaardelijke straf alsnog ten uitvoer zal worden gelegd.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit om ofwel de vordering tot tenuitvoerlegging toe te wijzen, dan wel de proeftijd te verlengen.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.
De rechtbank is van oordeel dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden toegewezen. De verdachte is binnen zijn proeftijd meerdere malen opnieuw de fout in gegaan, terwijl hij gewaarschuwd had moeten zijn gelet op de voorwaardelijke straf die nog boven zijn hoofd hing. Dit heeft hem er echter niet van weerhouden om opnieuw strafbaar feiten te begaan. Aan de verdachte moet daarom een duidelijk signaal worden gegeven. De rechtbank ziet geen contra-indicaties voor het toewijzen van de vordering.
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering tot tenuitvoerlegging toewijzen.
Dit betekent dat de verdachte de eerder opgelegde werkstraf van 40 uur alsnog zal moeten uitvoeren.
9. Toepasselijke wettelijke voorschriften
De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 36f, 45, 47, 77a, 77g, 77i, 77m, 77n, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, 310, 311, 312, 350, 416 van het Wetboek van Strafrecht en artikelen 107 en 177 van de Wegenverkeerswet 1994.
10. Beslissing
De rechtbank:
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte onder parketnummer 15-047233-26 primair en onder parketnummer 15-087861-26 feit 2 primair en feit 3 is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij.
Verklaart bewezen dat de verdachte de onder parketnummer 15-035369-26, onder parketnummer 15-047233-26 subsidiair en onder parketnummer 15-087861-26 1 primair, 2 subsidiair en 4 ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat de onder 3.4 bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 4. vermelde strafbare feiten opleveren.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van dertig (30) dagen.
Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot 23 (drieëntwintig) dagen, niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van 2 (twee) jaren.
Bepaalt dat de tijd die de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de eventueel ten uitvoer te leggen jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde gedurende één jaar van de proeftijd:
- zich meldt bij de jeugdreclassering van de gecertificeerde instelling De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar, op de door de jeugdreclassering te bepalen tijden en plaatsen, zo frequent en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht;
- zich inzet voor het hebben en behouden van een zinvolle en gestructureerde dagbesteding
en/of school voor ten minste 5 dagen per week;
- meewerkt aan coaching vanuit Fourzorg of een soortgelijke instelling, zolang de reclassering dit noodzakelijk acht.
Geeft opdracht aan De Jeugd- en Gezinsbeschermers, gevestigd te Alkmaar, een gecertificeerde instelling die jeugdreclassering uitvoert, tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.
Stelt verder als voorwaarden dat de veroordeelde is gehouden om, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking te verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan te bieden en medewerking te verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 77aa, eerste tot en met het vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang als de reclasseringsinstelling dit noodzakelijk acht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van 60 (zestig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 30 (dertig) dagen jeugddetentie.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 1] inzake parketnummer 15-035369-26
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade tot een bedrag van € 800,00 bestaande uit immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 1] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 800,00 vermeerderd met
de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 23 oktober 2025 tot aan de dag der algehele voldoening, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 0 (nul) dagen gijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Vordering benadeelde partij [benadeelde partij 2] inzake parketnummer 15-035369-26
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade tot een bedrag van € 780,00 bestaande uit materiële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [benadeelde partij 2] voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Veroordeelt de verdachte hoofdelijk tot betaling van het toegewezen bedrag, met dien verstande dat indien en voor zover reeds door een ander (gedeeltelijk) aan de benadeelde is betaald, de verdachte (in zoverre) van deze verplichting zal zijn bevrijd.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 780,00 vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 29 april 2026 tot aan de dag der algehele voldoening, en bepaalt daarbij de duur van de gijzeling op 0 (nul) dagen gijzeling.
Bepaalt dat voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens een medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de Staat is betaald, de verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
vordering benadeelde partij [benadeelde partij 3] inzake parketnummer 15-047233-26
Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3] niet-ontvankelijk in de vordering.
vordering tot tenuitvoerlegging
Wijst toe de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging in de zaak met parketnummer 15-013736-25 en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke werkstraf voor de duur van 40 (veertig) uren, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter te Alkmaar van 26 september 2025.
Heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Mireku, voorzitter,
mr. E.M. ten Bos en mr. M.E. Kleijn, rechters, allen tevens kinderrechter,
in tegenwoordigheid van de griffiers mr. D.A.C. Sinnige en mr. P.M. van der Linden,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 september 2026.