RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/382367 / JU RK 26-1432
Datum uitspraak: 21 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd in Amsterdam,
namens het college van Burgemeester & Wethouders van de gemeente waar de jeugdige zijn
woonplaats heeft, zijnde [plaats] ,
hierna te noemen: het college van B&W,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 21 september 2026;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 21 september 2026.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij zijn moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 2 november 2016 [de minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI, waarna de ondertoezichtstelling telkens is verlengd, laatstelijk tot 2 mei 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van drie maanden.
4. De beoordeling
Bevoegdheid
Door de omstandigheid dat de moeder de Franse nationaliteit heeft, draagt de onderhavige zaak een internationaal karakter. Gelet hierop dient eerst de vraag te worden beantwoord of de Nederlandse rechter in deze zaak rechtsmacht toekomt. Aangezien de gewone verblijfplaats van [de minderjarige] in Nederland is, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om dit verzoek te behandelen.
Vervolgens is de vraag aan de orde welk recht van toepassing is. Op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 is het Nederlands recht van toepassing op het verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen. [de minderjarige] is een 15-jarige jongen die van 2019 tot en met 2025 binnen verschillende instellingen/behandelsettingen heeft verbleven. De laatste twee jaar binnen een gesloten setting ( [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] ). Sinds de thuisplaatsing is sprake van een ernstige toename van zorgelijk gedrag. De GI geeft aan dat [de minderjarige] een gevaar is voor zichzelf en zijn omgeving. Hij staat op het punt om strafbare feiten te plegen en de GI stelt dat hij dit al doet. De moeder gaat aangifte doen van fysieke mishandelingen. Zo zou [de minderjarige] zijn moeder en zusje mishandelen. Zijn beperkte empathie en zelfbeeld, waarbij hij zichzelf beter en uniek vindt ten opzichte van zijn omgeving, hebben binnen het gezin geleid tot een patroon dat wordt geduid als psychische mishandeling van zusje en moeder. Er zijn tevens zorgen om de seksuele ontwikkeling van [de minderjarige] . Zo laat hij kinderporno zien aan andere kinderen bij de logeerplek. Daarnaast heeft hij online contact met een vriend (uit [plaats] , bekend uit gesloten setting) waarbij hij jonge meisjes aanzet tot zichzelf snijden/krassen, dit live bekijkt en hierop lijkt te kicken. Er is geen zicht op zijn gedrag online en de GI stelt dat hij online beïnvloedbaar is. Zo is er een signaal dat hem een geldbedrag zou zijn aangeboden om iemand neer te steken. [de minderjarige] onttrekt zich aan het ouderlijk gezag en is er geen zicht op waar hij verblijft, wat hij doet en met wie hij wat doet. [de minderjarige] staat niet open voor behandeling.
Sinds najaar 2020 volgt [de minderjarige] geen onderwijs meer, omdat zijn gedrag verstorend en onveilig is voor hemzelf en anderen en er geen ruimte meer is om te profiteren van onderwijs. Wel heef hij dagbesteding op meerdere zorgboerderijen gehad, maar ook hier wordt hij weggestuurd vanwege zijn gedrag en incidenten. Gedurende zijn verblijf binnen [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] volgt [de minderjarige] dagelijks onderwijs op de interne school. Sinds hij in najaar 2025 is thuisgeplaatst volgt [de minderjarige] dagbesteding bij ACB, waar hij de grenzen opzoekt door zorgwekkend onlinegedrag (pornografisch materiaal, extremistische en discriminerende content) en in de zomer van 2026 weigert naar dagbesteding te gaan.
Na terugkeer naar huis (bij moeder), vanuit [een gesloten accommodatie voor jeugdhulp] , is er ingezet op intensieve ambulante thuisbegeleiding voor moeder (gericht op opvoedingsondersteuning). Voor [de minderjarige] is er ingezet op 5 dagen dagbesteding in de week en 3 weekenden logeeropvang (per maand). Sinds de zomervakantie weigert [de minderjarige] naar de dagbesteding te gaan. Sinds 15 september 2026 verblijft [de minderjarige] (tijdelijk) op een logeerplek, waar hij tot uiterlijk 22 september kan verblijven als time-out. Dit, om de veiligheid van [de minderjarige] , moeder en zusje te bewaken. [de minderjarige] kan niet terugkeren naar de thuissituatie bij moeder.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is. De kinderrechter heeft een ernstig vermoeden dat er ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen zijn die de ontwikkeling van [de minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [de minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken.
Omdat de vader en de moeder instemmen met het verzoek, is een ondertoezichtstelling van [de minderjarige] niet vereist.
De GI, [de minderjarige] , zijn advocaat en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een spoedmachtiging om [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 21 september 2026 tot 19 oktober 2026;
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voorzetting daarvan op een nader te bepalen zitting;
bepaalt dat de griffier de GI, de vader, de moeder en [de minderjarige] en zijn advocaat tijdig zal oproepen voor die zitting.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.W.S. Kiliç, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026, in aanwezigheid van M.P. van Driel als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.