RECHTBANK NOORD-HOLLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/4428
en
gemachtigde: W. Stoeckart.
Inleiding, procesverloop en beoordeling
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het (herhaalde) verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende haar bezwaar tegen de omgevingsvergunning voor het realiseren van een buitensportaccommodatie in combinatie met het opknappen van het Roosje Vosplantsoen en het doortrekken van een ecologische verbinding op het perceel Wil Merkiespark in Haarlem.
2. Het college heeft de omgevingsvergunning met het besluit van 12 mei 2026, gepubliceerd op 15 mei 2026, verleend aan de gemeente Haarlem. Verzoekster heeft hiertegen op 1 juni 2026, aangevuld op 3 juli 2026, bezwaar gemaakt.
3. Bij (eerste) verzoekschrift van 12 juli 2026, aangevuld op 16, 17, 18, 26 en 28 juli 2026 en 4, 5 en 8 augustus 2026, heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Het college heeft met het e-mailbericht en met de brief van 14 juli 2026 desgevraagd schriftelijk verklaard dat het de voorlopige planning is dat eerst vanaf 23 december 2026 gestart wordt met de werkzaamheden en dat de gemeente bereid is om te wachten met de start van de werkzaamheden totdat op het bezwaar van verzoekster is beslist.
4. Met de uitspraak van 11 augustus 2026 heeft de voorzieningenrechter het verzoek afgewezen, omdat verzoekster onder die omstandigheden geen spoedeisend belang heeft bij het treffen van enige voorziening in afwachting van de beslissing op bezwaar.
5. Op 24 augustus 2026 heeft de onafhankelijke Adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Haarlem verzoekster, een vijftal andere bezwaarmakers en het college uitgenodigd voor een hoorzitting op 21 september 2026.
6. Op 12 september 2026, aangevuld op 15, 16 en 17 september 2026, heeft verzoekster de voorzieningenrechter opnieuw verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
7. Het college heeft op 17 september 2026 schriftelijk gereageerd op het verzoek.
8. Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is, doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
9. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
10. Verzoekster verzoekt de voorzieningenrechter om de hoorzitting op 21 september 2026 bij de onafhankelijke Adviescommissie bezwaarschriften van de gemeente Haarlem te “schorsen”, verweerder op te dragen het bezwaardossier aan verzoekster ter beschikking te stellen en verweerder op te dragen daarin grote delen zwart te lakken. Zij stelt dat het dossier dat zij heeft gekregen incompleet is en dat zij in verband met vakantieverblijf elders niet fysiek aanwezig kan zijn bij de hoorzitting.
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af. Nog daargelaten of een voorlopige voorziening betrekking kan hebben op de wijze waarop verweerder – of de bezwaaradviescommissie – het besluit op bezwaar voorbereid, ontbreekt een voldoende feitelijke grondslag. Uit de reactie van verweerder van 17 september 2026 volgt immers dat verzoekster inmiddels in het bezit is gesteld op de zaak betrekking hebbende stukken inclusief een verweerschrift. Het beoordelen of dat compleet is en beslissen op welke wijze die stukken behoren te worden ingericht, is aan verweerder, c.q. de bezwaaradviescommissie. Daarnaast blijkt uit het verzoek en de reactie van het college van 17 september 2026 dat verzoekster in de gelegenheid wordt gesteld om digitaal aanwezig te zijn bij de hoorzitting van 21 september 2026. Hiermee wordt feitelijk voldaan aan hetgeen verzoekster in de gevraagde voorziening heeft verzocht.
12. Ten overvloede merkt de voorzieningenrechter nog op dat het college op 17 september 2026 nogmaals schriftelijk heeft verklaard dat niet gestart zal worden met de werkzaamheden voordat op het bezwaar van verzoekster is beslist. Onder die omstandigheden heeft verzoekster – zoals in de uitspraak van 11 augustus 2026 al is geconstateerd - geen spoedeisend belang bij het treffen van enige voorziening in afwachting van die beslissing.
Conclusie en gevolgen
13. Gelet op het voorgaande is het verzoek kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.F. Hermus-Zoetmulder, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: