[verzoeker] , uit [plaats 1] , verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Koggenland
(gemachtigde: mr. K. Hashemzadeh).
Inleiding
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen de weigering hem een omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van regels in het omgevingsplan van de gemeente Koggenland. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Het college heeft met het besluit van 6 november 2025 geweigerd aan verzoeker omgevingsvergunning te verlenen voor het afwijken van regels in het Omgevingsplan van de gemeente Koggenland. Met het bestreden besluit van 16 juni 2026 op het bezwaar van verzoeker heeft het college het besluit van 6 november 2025 herroepen en de aanvraag afgewezen omdat voor het gevraagde geen vergunning nodig is (positieve weigering) Verzoeker heeft hiertegen beroep ingesteld.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als “onverwijlde spoed” dat vereist.
3. Bij het bestreden besluit heeft het college geweigerd aan verzoeker de door hem gevraagde omgevingsvergunning te verlenen.
4. Verzoeker heeft de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen die – zo begrijpt de voorzieningenrechter het verzoek - ertoe strekt verweerder op te dragen te bevestigen dat op het perceel [adres] in [plaats 2] een woning mag worden gebouwd. Verzoeker voert aan dat hij als gevolg van de besluitvorming van het college schade leidt. Een snelle verkoop van het perceel dreigt door de besluitvorming te mislukken en het perceel loopt door de besluitvorming ernstige waardevermindering op. Daarbij geldt dat de woningmarkt volgende maand kan instorten.
5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoeker bij de gevraagde voorlopige voorziening geen spoedeisend belang. Hetgeen verzoeker ter onderbouwing van het spoedeisend belang heeft aangevoerd, te weten dat hij schade leidt omdat als gevolg van de besluitvorming een snelle verkoop van het perceel dreigt te mislukken, het perceel ernstige waardevermindering oploopt waarbij geldt dat de woningmarkt volgende maand kan instorten, levert geen spoedeisend belang op. Volgens vaste rechtspraak vormt een financieel belang op zichzelf namelijk in de regel onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dit zou anders zijn als verzoeker aannemelijk maakt dat hij als gevolg van de besluitvorming in een financiële noodsituatie verkeert of op korte termijn zou komen te verkeren. Dat daarvan sprake is, blijkt niet uit de door verzoeker aangeleverde stukken.
Conclusie en gevolgen
6. Omdat het vereiste spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening ontbreekt, is het verzoek kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. lauryssen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. P.C. van der Vlugt, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 september 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: