RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/382328 / JU RK 26-1426
Datum uitspraak: 18 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering te Velserbroek,
hierna te noemen de GI,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] , [land] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 18 september 2026.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij haar moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 februari 2026
[de minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 25 mei 2026 en een spoedmachtiging
verleend [de minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie
van een jeugdhulpaanbieder tot 25 maart 2026. De ondertoezichtstelling is voor het laatst bij beschikking van 22 mei 2026 verlengd tot 22 mei 2027. De machtiging tot uithuisplaatsing is voor het laatst bij beschikking van 22 mei 2026 verlengd tot 3 juli 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van 6 maanden.
4. De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.
De afgelopen periode is voor [de minderjarige] zeer belastend geweest. Binnen het gezin is sprake van veel spanningen en escalaties tussen moeder en de kinderen. [de minderjarige] wordt hierbij tevens belast met de interacties tussen moeder en haar zus [zus] . Vanwege de taalbarrière heeft [de minderjarige] de afgelopen periode meerdere malen als boodschapper gefungeerd tussen
moeder, de jeugdbeschermer en hulpverleners. Hierdoor is zij in een positie terechtgekomen die niet passend is voor haar als kind en die een extra belasting voor haar vormt.
Daarnaast is sprake van toenemende spanningen tussen [de minderjarige] en moeder. [de minderjarige] zet zich meer tegen moeder af en luistert volgens moeder onvoldoende. Er hebben zich situaties voorgedaan waarbij [de minderjarige] en moeder elkaar hebben geslagen [de minderjarige] heeft daarnaast meerdere malen van moeder te horen gekregen dat jeugdzorg haar zou moeten
komen halen voor een uithuisplaatsing. Gezien de reeds bestaande spanningen en haar betrokkenheid bij de problemen binnen het gezin, draagt dit bij aan haar emotionele belasting en onzekerheid. Op 15 september heeft [de minderjarige] aan de school aan de begeleiding van [zus] laten weten dat zij op 12 oktober van school afwezig zal zijn, omdat zij samen met haar moeder naar [land] zou moeten reizen. Deze mededeling roept ernstige zorgen op, mede gelet op de voorgeschiedenis rondom de situatie van het gezin en de eerder bestaande zorgen met betrekking tot mogelijk eergerelateerd gedrag en de situatie rondom zus [zus] . [de minderjarige] heeft aangegeven dat zij bang is voor de huidige situatie en op dit moment niet meer thuis wil wonen. Zij heeft daarnaast aangegeven dat de situatie thuis volgens haar niet is verbeterd en dat dezelfde problematiek nog steeds aanwezig is sinds haar zus [zus] uit huis is gegaan. De combinatie van de aangekondigde reis naar [land] , de bestaande zorgen rondom de gezinssituatie, de eerdere signalen met betrekking tot mogelijk eergerelateerde problematiek en de angst die [de minderjarige] zelf uitspreekt, maakt dat er zorgen bestaan over haar veiligheid en welzijn. Het voorgenomen vertrek naar [land] dient daarom zorgvuldig te worden beoordeeld, mede in het licht van de door [de minderjarige] uitgesproken angst en haar uitdrukkelijke wens om op dit moment niet thuis te wonen. Uit de telefonische toelichting van de GI Volgt dat [de minderjarige] vandaag (18 september) terecht kan in een via de gemeente geregeld vakantiehuisje met 1 op 1 begeleiding.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van haar geestelijke toestand en onderzoek van haar lichamelijke toestand dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 18 september 2026 tot 16 oktober 2026;
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en bepaalt de voortzetting daarvan op een nader te bepalen zitting;
bepaalt dat de griffier, de vader, moeder en [de minderjarige] tijdig op dient te roepen voor de zitting.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. ten Bos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.