RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/382310 / JU RK 26-1424
Datum uitspraak: 18 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
hierna te noemen de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [plaats] .
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt mee in de beoordeling:
- het schriftelijke verzoek van de GI met bijlagen, ontvangen op 18 september 2026.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] woont bij haar moeder.
Bij beschikking van 10 juli 2025 heeft de kinderrechter [de minderjarige] onder toezicht
gesteld tot 10 juli 2026, de ondertoezichtstelling is voor het laatst verlengd bij beschikking van 25 juni 2026, tot 10 juli 2027.
Daarnaast heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen binnen het netwerk, te weten bij [naam] , met ingang van 10 juli 2025 tot 10 januari 2026. De machtiging is nadien verlengd en duurt nog tot 10 juli 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van vier weken en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI verzoekt hierop te beslissen zonder de belanghebbenden te horen.
De GI verzoekt aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van 1 maand.
4. De beoordeling
De kinderrechter heeft de volgende informatie ontvangen.
Sinds 1,5 maand is Bureau Mars betrokken als ambulante hulpverlener binnen het gezin.
Bureau Mars (hierna: BM) is er voor zowel moeder als voor [de minderjarige] . BM ziet dat er zorgen zijn binnen het gezin. [de minderjarige] gebruikt veel middelen, waaronder ketamine, LSD, blowen en vapen. Ook de problematiek bij moeder is een groot aandachtspunt. Moeder ziet dingen die er niet zijn en bespreekt dit dan ook met [de minderjarige] . Zo ziet moeder bijvoorbeeld dat haar partner [partner] vreemd zou gaan met een vrouw in hetzelfde bed als waar moeder op dat moment in ligt. BM ziet dat moeder de laatste weken ontzettend emotioneel en overspannen is, waarbij de situatie steeds erger begint te worden. Moeder geeft aan BM ook meerdere malen aan dat zij de situatie niet meer aan kan, dat het haar niet lukt om voor [de minderjarige] te zorgen. BM zegt dat moeder en [de minderjarige] dezelfde vriendengroep hebben en dat er ook veel drugs gebruikt wordt. De GI is van mening dat de opvoedsituatie van [de minderjarige] bij moeder op dit moment onveilig is, omdat er sprake is van structurele onveiligheid, waardoor de GI moet ingrijpen. De structurele onveiligheid is er voor [de minderjarige] sinds zij weer volledig bij moeder woont De structurele zorgen tussen moeder en [de minderjarige] zijn onverminderd. Beide zijn verslaafd aan verdovende middelen, zowel soft- als harddrugs. Op 6 september zijn moeder en [de minderjarige] verhuisd naar een zogeheten ‘Polenhotel’, terwijl stiefvader achterbleef in de woning in [plaats] . Op 6 en 7 september zijn er twee politiemeldingen geweest over ruzie tussen moeder en stiefvader waarbij bij de tweede melding de woning door moeder kort en klein zou zijn geslagen. Moeder was onder invloed van verdovende middelen. [de minderjarige] was op dat moment alleen in de woning met haar 18-jarige vriend. Op 16 september is [de minderjarige] weg gelopen van moeder en richting stiefvader gegaan. Stiefvader, met niet-aangeboren hersenletsel, heeft zelf een scala aan hulpverlening om zich heen en kan niet voor [de minderjarige] zorgen. Moeder heeft aangegeven naar een afkickkliniek te willen gaan, ze zou over een week worden opgenomen in Zuid-Afrika. .Uit telefonische informatie van de GI volgt dat wel meegenomen is in de afweging van het verzoek of plaatsing bij vader een optie zou kunnen zijn. Dit is geen optie zoals ook eerder bij de vorige uithuisplaatsing is gebleken in verband met het gezin van vader met jonge kinderen, de weerstand van stiefmoeder en de problematiek (verslaving) van [de minderjarige] . Verder heeft de GI aangegeven dat zij nu een plek voor [de minderjarige] hebben gevonden.
Op basis van deze informatie is de kinderrechter van oordeel dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding, onderzoek van haar geestelijke toestand en onderzoek van haar lichamelijke toestand dat [de minderjarige] uit huis wordt geplaatst.
De kinderrechter is ook van oordeel dat een zitting niet kan worden afgewacht zonder onmiddellijk en ernstig gevaar voor [de minderjarige] . Daarom machtigt de kinderrechter de GI om [de minderjarige] uit huis te plaatsen voor de duur van vier weken.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
De GI en de belanghebbenden worden in de gelegenheid gesteld hun mening te geven. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
5. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 18 september 2026 tot 16 oktober 2026;
verklaart de beslissing onder 5.1. uitvoerbaar bij voorraad
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan;
roept de GI, de vader en de moeder op voor de zitting van mr. A.R.A.R. Sitaldin op [datum] in het gerechtsgebouw van deze rechtbank aan Kruseman van Eltenweg 2 in Alkmaar;
vraagt de griffier [de minderjarige] op te roepen voor een kindgesprek.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. ten Bos, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 18 september 2026, in aanwezigheid van L. de Greef als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.