RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster
Het bestuur van Veilig Thuis Utrecht, Veilig Thuis.
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/6946
en
Procesverloop
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter over het verzoek om voorlopige voorziening van verzoekster.
2. Omdat de bestuursrechter kennelijk niet bevoegd is om op het verzoek te beslissen, doet zij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
Beoordeling door de rechtbank
3. Verzoekster heeft Veilig Thuis verzocht om een afschrift van het volledige dossier van haar dochter [naam] met dossiernummer [nummer] . Op 27 juli 2026 heeft Veilig Thuis gedeeltelijke inzage gegeven. Veilig Thuis heeft namelijk inzage gegeven in het dossier maar daarin delen weggelakt. Verzoekster is het daarmee niet eens en heeft beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
4. Veilig Thuis heeft in het verweerschrift aangevoerd dat Veilig Thuis Utrecht geen bestuursorgaan is en dat de bestuursrechter daarom onbevoegd is om van het verzoek kennis te nemen. Veilig Thuis heeft ter onderbouwing verwezen naar twee uitspraken van de rechtbank.
5. De voorzieningenrechter volgt het standpunt van Veilig Thuis. In de provincie Utrecht maakt Veilig Thuis Utrecht onderdeel uit van de stichting Samen Veilig Midden-Nederland. Dit is een privaatrechtelijk rechtspersoon. Bovendien is het inzageverzoek van verzoekster gebaseerd op artikel 7.3.10 van de Jeugdwet. Uit artikel 7.3.17 van de Jeugdwet volgt dat de beslissing van Veilig Thuis over inzage en verstrekking van het dossier niet wordt genomen in de hoedanigheid van een bestuursorgaan. Het bericht van 27 juli 2026 is dan ook geen door een bestuursorgaan genomen besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Omdat verzoekster dus geen beroep heeft ingesteld tegen een besluit zoals bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is de voorzieningenrechter onbevoegd om van het verzoek kennis te nemen.
6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. mr. P.J. Blok, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: