RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Utrecht
Zaaknummer: C/16/616367 / JE RK 26-1241
Datum uitspraak: 21 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over het horen op de voorlopige ondertoezichtstelling en (spoed)uithuisplaatsing en over het vervolg van de (spoed)uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland,
hierna te noemen de Raad,
gevestigd in Utrecht,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] , Zuid-Afrika,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. E.J. Coxon,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] , Zuid-Afrika.
1. Het verloop van de procedure
Het procesverloop blijkt uit de beschikking van de kinderrechter van deze rechtbank van 14 augustus 2026.
Daarna heeft de kinderrechter nog de brief met bijlagen van de Raad van 19 augustus 2026 ontvangen.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader;
E. Duarte als tolk voor beide ouders;
[A] en [B] namens de Raad;
- [C] namens de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: de GI).
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Aan het einde van de zitting heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] staat ingeschreven op het adres van de moeder, maar verblijft op dit moment in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 augustus 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 14 november 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 14 augustus 2026 een spoedmachtiging verleend van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van twee weken, te weten tot 28 augustus 2026.
3. De verzoeken
De kinderrechter moet de ouders nog horen op de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing die bij beschikking van 14 augustus 2026 is uitgesproken. Daarnaast moet de kinderrechter nog beslissen op het resterende deel van het verzoek van de Raad om [minderjarige] met een machtiging uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder (crisisplek) en aansluitend bij de vader tot 14 november 2026 en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
In aanloop naar de zitting heeft de Raad verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen tot en met 9 september en het resterende deel aan te houden en voor dit deel een nieuwe zitting te plannen. Er zijn namelijk nieuwe recente ontwikkelingen en de Raad vindt het belangrijk om voldoende tijd te hebben om de situatie te onderzoeken. De Raad wil meer zicht krijgen op de (veiligheid in de) opvoedingssituatie bij vader en de inzet van concrete hulpverlening voor vader en [minderjarige] in Zuid-Afrika en parallel daaraan nader onderzoek doen naar de mogelijkheden van eventuele plaatsing in een open behandelsetting in Nederland.
4. De standpunten
De vader is het eens met het verzoek van de Raad om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op de plek waar hij nu verblijft te verlengen voor een korte periode. De vader vindt het wel belangrijk dat [minderjarige] geen beschikking meer heeft en krijgt over zijn telefoon en/of internet.
De moeder is het eens met het verzoek van de Raad om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] op de plek waar hij nu verblijft te verlengen voor een korte periode.
5. De beoordeling
De voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing
De kinderrechter heeft de betrokkenen gehoord over de voorlopige ondertoezichtstelling en de spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] . De kinderrechter ziet naar aanleiding daarvan geen reden om anders te beslissen.
De machtiging tot uithuisplaatsing
De kinderrechter verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing voor de duur van drie weken, dus tot 11 september 2026, en houdt het resterende gedeelte van het verzoek aan. De kinderrechter vindt dat het noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , dat hij uit huis wordt geplaatst. De situatie bij moeder thuis is niet langer veilig en houdbaar. De kinderrechter verlengt nu voor een korte periode, omdat de Raad meer tijd nodig heeft om te onderzoeken waar [minderjarige] het beste kan verblijven. De zaak zal op de zitting van 4 september 2026 om 11.45 uur worden gepland om op het resterende gedeelte van het verzoek te beslissen. De kinderrechter verzoekt de Raad om uiterlijk op 2 september 2026 nieuwe informatie te delen met de kinderrechter en de belanghebbenden en te laten weten of het aangehouden deel van het verzoek wordt gehandhaafd of gewijzigd.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 21 augustus 2026 tot 11 september 2026;
verklaart de beslissing onder 6.1 tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
houdt de beslissing op de rest van het verzoek aan tot 4 september 2026;
roept de Raad, de moeder, de vader, mr. E.J. Coxon en de GI op om te verschijnen tijdens de zitting van kinderrechter mr. G.L.M. Urbanus van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, in het gerechtsgebouw aan Vrouwe Justitiaplein 1 te Utrecht, op 4 september 2026 om 11.45 uur, teneinde nader op het verzoek te worden gehoord;
verzoekt de Raad om uiterlijk op 2 september 2026 nieuwe informatie te delen met de kinderrechter en de belanghebbenden en te laten weten of het aangehouden deel van het verzoek wordt gehandhaafd of gewijzigd.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2026 door mr. D. Riani el Achhab, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. van Schip als griffier, en op schrift gesteld op 28 augustus 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de voorlopige ondertoezichtstelling staat geen hoger beroep open.