ECLI:NL:RBMNE:2026:6500

ECLI:NL:RBMNE:2026:6500

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 21-08-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer C/16/615071
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

ondertoezichtstelling + uithuisplaatsing bij vader met gezag. toewijzing

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/615071 / JE RK 26-1119

Datum uitspraak: 21 augustus 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming Midden-Nederland,

hierna te noemen de Raad,

gevestigd in Utrecht,

over

[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 1] ,

[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen [minderjarige 2] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen de moeder,

wonende in [woonplaats] ,

advocaat mr. P.M.A.C. van de Wouw,

[de vader] ,

hierna te noemen de vader,

wonende in [woonplaats] .

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 21 juli 2026;

het verweerschrift met bijlage van de moeder van 20 augustus 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:

- de vader via een digitale verbinding, zonder beeld;

- de moeder met haar advocaat;

[A] namens de Raad;

[B] namens de gecertificeerde instelling Samen Veilig Midden-Nederland (hierna: de GI).

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.

Aan het einde van de zitting heeft de kinderrechter mondeling uitspraak gedaan. Dit is de schriftelijke uitwerking van die beslissing.

2. De feiten

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] staan ingeschreven op het adres van de moeder. Zij verblijven echter feitelijk bij de vader.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt [minderjarige 1] onder toezicht te stellen tot aan zijn meerderjarig worden op [geboortedag] 2027 en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de vader met gezag tot aan zijn meerderjarig worden op [geboortedag] 2027 en een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de vader met gezag te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.

De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4. De standpunten

De vader is het eens met de verzoeken van de Raad.

De moeder is het eens met het verzoek van de Raad om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen. De moeder is het ook eens met het verzoek van de Raad om [minderjarige 1] uit huis te plaatsen bij de vader tot aan zijn meerderjarig worden. De moeder is het niet eens met het verzoek van de Raad om [minderjarige 2] voor de duur van een jaar uit huis te plaatsen. Zij vraagt de rechtbank:

- primair: het verzoek van de Raad af te wijzen voor zover het [minderjarige 2] betreft;

- subsidiair: de machtiging tot uithuisplaatsing ten aanzien van [minderjarige 2] te verlenen voor een kortere duur dan de verzochte periode van een jaar, namelijk drie maanden, en daarbij te bepalen dat de GI binnen die termijn onafhankelijk onderzoek doet, althans doet verrichten, naar (a) de door [minderjarige 2] in het kindgesprek van 28 mei 2026 gedane uiting over fysiek geweld en (b) de actuele opvoedsituatie bij de moeder.

5. De beoordeling

De beslissing

De kinderrechter stelt [minderjarige 1] onder toezicht tot 1 mei 2027 en stelt [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar, dus tot 21 augustus 2027.

Daarnaast verleent de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de vader met gezag tot 1 mei 2027 en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de vader met gezag voor de duur van zes maanden, dus tot 21 februari 2027.

De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

De ondertoezichtstelling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter wijst het verzoek van de Raad daarom toe.

De Raad heeft de volgende doelen gesteld:

- [minderjarige 2] heeft een veilig en onbelast contact (/omgang) met zijn moeder;

- Er is voor [minderjarige 2] een neutrale plek waar er aandacht is voor zijn belevingswereld, hij uitleg krijgt over zijn opgroeisituatie en erkenning krijgt voor hetgeen wat hij heeft meegemaakt;

- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] groeien op in een veilige opvoedsituatie met ouder(s)/opvoeder(s) die kunnen aansluiten bij hun kwetsbare ontwikkeling;

- [minderjarige 1] heeft inzicht in de (on)mogelijkheden die hij ervaart tot contact met de moeder en indien gewenst, vindt er een herstelgesprek of herstel van contact plaats.

De uithuisplaatsing

De kinderrechter is van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding van hen.

De kinderrechter maakt zich ernstig zorgen over de huidige situatie van [minderjarige 2] . De moeder herkent deze zorgen niet. Zij stelt dat zij wordt zwartgemaakt door de vader en de drie oudste kinderen. De kinderrechter ziet dit anders. De zorgen die er zijn, zijn niet slechts gebaseerd op uitingen van familieleden en/of anonieme meldingen. Er zijn objectieve aanwijzingen die maken dat de kinderrechter de zorgen van de Raad deelt. Zo heeft de politie op 7 april 2026 een voorlopig ademonderzoek bij de moeder uitgevoerd, waarbij zij het hoogst haalbare voor een voorlopig ademonderzoek blies en waarbij zij tevens positief testte op de speekseltest op verschillende soorten drugsgebruik, waaronder: cannabis, cocaïne/opiaten en amfetamine/methamfetamine, terwijl zij verklaarde zwanger te zijn. Daarnaast verklaart de basisschool van [minderjarige 2] dat zij een blij kind zien sinds [minderjarige 2] bij de vader woont, dat er meer structuur is en dat [minderjarige 2] rustiger is en niet meer angstig. Voorheen werd [minderjarige 2] vaak op dinsdag en woensdag ziekgemeld en nu bijna nooit. De school vindt dat opvallend. De moeder heeft niet aangetoond dat dit anders is en de kinderrechter ziet geen reden om aan te nemen dat de school van [minderjarige 2] onwaarheden vertelt. De kinderrechter vindt dat de zorgen van de Raad over [minderjarige 2] zijn onderbouwd. Zij vindt dat het daarom op dit moment noodzakelijk is dat [minderjarige 2] bij de vader blijft wonen.

De kinderrechter hoopt dat de moeder aan zichzelf gaat werken, zodat zij in de toekomst weer een stabiele basis kan zijn voor [minderjarige 2] en dat de zorgregeling weer kan worden opgebouwd. In dat kader is het ook belangrijk dat de vader zal gaan meewerken aan de door de hulpverlening geadviseerde begeleide omgang tussen de moeder en [minderjarige 2] . De kinderrechter vindt het fijn dat het goed gaat bij [minderjarige 2] in de gezinssituatie van de vader, maar het is ook heel belangrijk dat [minderjarige 2] zijn moeder weer kan gaan zien. De kinderrechter gaat ervan uit dat de vader hier zijn medewerking aan verleent, onder begeleiding van de hulpverlening. Daarbij is het ook belangrijk dat de vader niet afwijzend naar [minderjarige 2] reageert op de begeleide omgangsmomenten.

Anders dan de Raad heeft verzocht zal de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] verlenen voor de duur van zes maanden. Het resterende deel van het verzoek wordt aangehouden. De kinderrechter vindt het belangrijk dat over zes maanden wordt bekeken hoe de situatie ervoor staat. Een machtiging voor de duur van negen maanden zoals op zitting is aangegeven door de Raad vindt de kinderrechter niet zinvol, omdat er dan na drie maanden weer een nieuwe zitting gepland moet worden. Een machtiging voor de duur van drie maanden, zoals door de moeder is voorgesteld, vindt de kinderrechter te kort. De Raad en de GI hebben namelijk voldoende toegelicht dat er dan niet voldoende tijd is om alles op te zetten en te evalueren.

De kinderrechter zal het verzoek van de Raad over de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] toewijzen, nu de moeder daar geen verweer tegen heeft gevoerd.

Uitvoerbaar bij voorraad

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

stelt [minderjarige 1] onder toezicht van Stichting Samen Veilig Midden-Nederland met ingang van 21 augustus 2026 tot 1 mei 2027;

stelt [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Samen Veilig Midden-Nederland met ingang van 21 augustus 2026 tot 21 augustus 2027;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] bij de vader met gezag met ingang van 21 augustus 2026 tot 1 mei 2027;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de vader met gezag met ingang van 21 augustus 2026 tot 21 februari 2027;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

houdt de beslissing op de rest van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 2] bij de vader met gezag aan tot een nog te bepalen zitting;

verzoekt de Raad om uiterlijk op 1 februari 2027 nieuwe informatie te delen met de kinderrechter en de belanghebbenden en te laten weten of het aangehouden deel van het verzoek wordt gehandhaafd of gewijzigd.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 21 augustus 2026 door mr. D. Riani el Achhab, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.C. van Schip als griffier, en op schrift gesteld op 28 augustus 2026.

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!

!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. I.C. van Schip als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand