RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/250
(gemachtigde: mr. J. Sprakel),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden, het college
(gemachtigde: E.D. Kwint).
1. Eiser heeft zijn inschrijftijd bij WoningNet verloren, omdat hij zich na het krijgen van een sociale huurwoning niet binnen een jaar opnieuw heeft ingeschreven. Deze uitspraak gaat over de vraag of het college het verzoek van eiser om de hardheidsclausule toe te passen mocht afwijzen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van het verzoek om toepassing van de hardheidsclausule in stand kan blijven. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft het college verzocht om de hardheidsclausule toe te passen zodat hij 75% van zijn inschrijftijd bij WoningNet kan behouden ondanks dat hij zich niet binnen een jaar opnieuw heeft ingeschreven. Het college heeft dit verzoek met het besluit van 18 juni 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 2 december 2025 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
4. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
5. De rechtbank heeft het beroep op 20 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
6. Eiser heeft op 17 januari 2024 een huisvestingsvergunning gekregen voor het gebruiken van een sociale huurwoning aan het [adres] in [plaats] voor vier personen. Bij die toewijzing is vermeld dat eiser 75% van zijn inschrijftijd kan behouden als hij zich binnen twaalf maanden na het verkrijgen van de woning opnieuw inschrijft. Op 17 januari 2025 heeft eiser een melding gekregen dat hij is uitgeschreven bij WoningNet, omdat hij zich niet binnen een jaar opnieuw heeft ingeschreven. Dit heeft tot gevolg dat eiser zijn opgebouwde inschrijftijd is kwijtgeraakt. Eiser heeft op 18 maart 2025 verzocht om alsnog 75% van zijn inschrijftijd te behouden en het college gevraagd de hardheidsclausule toe te passen. Daarbij heeft eiser er op gewezen dat gedurende het jaar verschillende omstandigheden er toe hebben geleid dat hij zich niet binnen de voorgeschreven twaalf maanden opnieuw heeft ingeschreven. Zo had hij de zorg voor zijn ouders, is zijn vader overleden en heeft hij in dat jaar een kind gekregen.
7. Het college ziet geen reden om in het geval van eiser de hardheidsclausule toe te passen zodat eiser 75% van zijn inschrijftijd behoudt. Volgens het college is eiser er bij de toewijzing van de woning op gewezen dat hij zich opnieuw moet inschrijven om een deel van zijn inschrijftijd te behouden. Eiser heeft een jaar de tijd gehad om zich opnieuw in te schrijven en heeft dit niet gedaan. De door eiser naar voren gebrachte gebeurtenissen maken volgens het college niet dat de hardheidsclausule moet worden toegepast. Eiser heeft een woning en onderbouwt niet waarom het besluit voor hem tot bijzondere hardheid leidt. Als eiser niet tevreden is met de grootte van zijn huidige woning had hij zich opnieuw moeten inschrijven.
Het standpunt van eiser
8. Eiser vindt dat het college de hardheidsclausule wel had moeten toepassen zodat hij 75% van zijn inschrijftijd kon behouden. Eiser vindt dat hem niet kan worden verweten dat hij zich niet op tijd opnieuw heeft ingeschreven bij WoningNet. Eiser moest destijds gedwongen verhuizen. Ten tijde van de verhuizing had hij dus iets anders zijn hoofd dan de mededeling dat hij zich opnieuw moest inschrijven. Na de toewijzing van zijn woning heeft hij vervolgens een lastig en ontregelend jaar gehad met de komst van zijn derde kind, het feit dat hij voor zijn ouders moest zorgen en de omstandigheid dat zijn vader is komen te overlijden. Eiser wijst er verder op dat hij zich twee maanden na het bericht van de uitschrijving alsnog heeft gemeld. In zoverre is de overschrijding van de termijn van twaalf maanden gering. Ook wijst eiser er op dat het gezin nu al in een te kleine woning woont en moeilijk aan een nieuwe woning kan komen. Dit alles maakt dat het college de hardheidsclausule had moeten toepassen. Verder voert eiser aan dat het college bij de toets aan de hardheidsclausule ten onrechte verwijst naar een situatie over het krijgen van een urgentieverklaring in levensbedreigende omstandigheden. Die situatie is namelijk niet van toepassing op eiser en is een te strenge maatstaf voor het toepassen van de hardheidsclausule.
Het oordeel van de rechtbank
9. De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 10, vijfde lid, van de Huisvestingsverordening volgt dat na aanvaarding van een woonruimte in eigendom van een woningcorporatie, een woningzoekende 75% van de inschrijfduur behoudt als de woningzoekende zich binnen twaalf maanden na de aanvaarding opnieuw inschrijft. Niet in geschil is dat eiser zich niet binnen de twaalf maanden na aanvaarding opnieuw heeft ingeschreven. Om toch 75% van zijn inschrijftijd te kunnen behouden, doet eiser een beroep op de hardheidsclausule als bedoeld in artikel 72, eerste lid, van de Huisvestigingsverordening. Daaruit volgt dat het college kan afwijken van de Huisvestingsverordening in gevallen waarin toepassing daarvan tot bijzondere hardheid leidt. Dat betekent dat het aan het college is om te beoordelen of toepassing van artikel 10, vijfde lid, van de Huisvestingsverordening in het geval van eiser leidt tot onaanvaardbare hardheid gelet op het belang dat de verordening probeert te beschermen. Dit toetsingskader volgt ook uit de toelichting bij artikel 72 van de Huisvestingsverordening. Weliswaar staat daar ook de situatie van levensbedreigende omstandigheden genoemd, maar dit is expliciet genoemd als voorbeeld voor de situatie van het al dan niet krijgen van een urgentieverklaring. Uit het bestreden besluit blijkt niet dat dit de maatstaf is waar het college aan heeft getoetst bij de vraag of de hardheidsclausule moet worden toegepast in het geval van eiser. Het verzoek is namelijk niet afgewezen omdat eiser zich naar het oordeel van het college niet in een levensbedreigende of daarmee vergelijkbare situatie bevindt.
10. In het geval van eiser is artikel 10, vijfde lid, van de Huisvestingsverordening toegepast met als gevolg dat hij zijn inschrijftijd kwijt is. Het college heeft er op gewezen dat het inschrijfsysteem is bedoeld om het beperkte aanbod van woningen binnen de gemeente evenredig toe te wijzen gelet op de grote behoefte van woningzoekenden. Om dit doel te bereiken is het volgens het college noodzakelijk dat inwoners van de gemeente zich inschrijven. Uit de toelichting bij artikel 10, vijfde lid, van de Huisvestingsverordening en van het college op de zitting, kan verder worden opgemaakt dat dit artikel van belang is om inwoners aan te moedigen een woning te accepteren. Omdat er de mogelijkheid is voor een woningzoekende om 75% van zijn inschrijftijd te behouden als hij zich binnen een jaar opnieuw inschrijft, kan de woningzoekende sneller verhuizen als de woning bijvoorbeeld toch niet bevalt of als zijn persoonlijke situatie verandert.
11. Eiser is er bij het toewijzen van de woning op gewezen dat hij zich binnen twaalf maanden opnieuw moet inschrijven om 75% van zijn inschrijftijd te behouden. De rechtbank kan zich voorstellen dat eiser de termijn van twaalf maanden gelet op de gebeurtenissen in zijn leven is vergeten, maar dit leidt op zichzelf niet tot de conclusie dat toepassing van artikel 10, vijfde lid, van de Huisvestingsverordening tot onevenredige hardheid leidt. Daarbij vindt de rechtbank van belang dat het doel van dat artikel is om bij onvrede of spijt over de aanvaarde woning de inschrijftijd voor een groot deel te herstellen zodat de woningzoekende sneller kan verhuizen naar een woning die wel bevalt of past bij de persoonlijke situatie. Bij dit doel past dat dat van de woningzoekende mag worden verwacht om zelf actie te ondernemen om zijn inschrijfduur te behouden, gegeven de wens om sneller te kunnen verhuizen. Eiser heeft naar voren gebracht dat hij de woning heeft moeten accepteren na een gedwongen verhuizing en dat hij deze woning op dat moment al te klein vond. De rechtbank begrijpt daaruit dat eiser binnen twaalf maanden tot de conclusie is gekomen dat de woning niet bevalt of niet past bij zijn persoonlijke situatie. Maar dit heeft eiser niet tot actie aangezet. Naar het oordeel van de rechtbank komt dat voor zijn rekening en risico. Het lag ook niet op de weg van het college om eiser kort voor het verstrijken van de termijn een herinnering te sturen. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser zich twee maanden nadat hij bericht heeft gekregen dat hij wordt uitgeschreven bij WoningNet voor het eerst heeft gemeld met het verzoek om zijn inschrijfduur te behouden. Ook daaruit komt naar het oordeel van de rechtbank niet naar voren dat bij eiser zodanige noodzaak bestond om sneller te kunnen verhuizen, dat hij zich daarom zo spoedig mogelijk heeft gemeld om zijn inschrijftijd te behouden. Het standpunt van eiser dat de overschrijding van de twaalf maanden zo gering is dat het toepassen van artikel 10, vijfde lid, van de Huisvestingsverordening tot onevenredige hardheid leidt in verhouding tot het daarmee gediende doel volgt de rechtbank dan ook niet.
12. Verder heeft het college zich op het standpunt kunnen stellen dat niet is gebleken dat toepassing van de Huisvestingsverordening in het geval van eiser tot onevenredige hardheid leidt. Eiser heeft er op gewezen dat hij al zijn inschrijfduur is verloren, hij niet snel kan verhuizen, dat het huis te klein is voor vijf personen en dat hij de wens heeft voor toekomstige gezinsuitbreiding. De rechtbank is van oordeel dat eiser deze omstandigheden niet of nauwelijks heeft onderbouwd en ook niet inzichtelijk heeft gemaakt hoe deze gevolgen voor hem leiden tot bijzondere of onaanvaardbare hardheid. Bovendien is de omstandigheid dat eiser een wens heeft voor meer gezinsuitbreiding een onzekere toekomstige gebeurtenis. Het college heeft daar dan ook niet de waarde aan hoeven hechten die eiser daaraan hecht.
12. Voor zover eiser er op heeft gewezen dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld door hem pas na het verstrijken van de termijn nog een herinnering te sturen, volgt de rechtbank dit niet. Anders dan eiser stelt is de melding dat eiser is uitgeschreven bij WoningNet geen herinnering voor het op tijd opnieuw inschrijven, maar een vaststelling dat dit niet is gedaan waardoor de inschrijftijd komt te vervallen.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn verzoek om toepassing van de hardheidsclausule in stand kan blijven. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.