RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 12182128 \ AC EXPL 26-927
Vonnis van 2 september 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd in [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. M.J.A. Arts,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- het verweer van [gedaagde] , dat wordt aangemerkt als een zogenaamde conclusie van antwoord,
- het proces verbaal van de rolzitting waar [gedaagde] is verschenen,
- de conclusie van repliek,- de reactie van [gedaagde] op de conclusie van repliek, de zogenaamde conclusie van dupliek,
- de akte van [eiseres] met reactie op de producties in dupliek.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat er een uitspraak komt.
2. De kern van de zaak
Partijen hebben een koopovereenkomst voor een auto getekend op 31 januari 2026. Op grond daarvan heeft [gedaagde] zich verplicht deze auto te kopen van [eiseres] voor € 2.300,00. [gedaagde] heeft op 5 februari 2026 afgezien van de koop. [eiseres] vordert daarom betaling van de annuleringsvergoeding van € 1.845,00. De kantonrechter wijst deze vordering af, omdat partijen de koopovereenkomst zijn aangegaan onder het voorbehoud dat de vader van [gedaagde] op 5 februari 2026 een nadere inspectie zou doen en vertrouwen zou hebben in de technische staat van de auto. Aan deze voorwaarden is niet voldaan.
3. De beoordeling
[gedaagde] heeft volgens [eiseres] geen uitvoering gegeven aan de koopovereenkomst waarop volgens hem de Algemene Voorwaarden BOVAG autobedrijven koop/reparatie & onderhoud (hierna: de BOVAG-voorwaarden) van toepassing zijn. In plaats daarvan heeft [gedaagde] op 5 februari 2026 afgezien van de koop. [gedaagde] is volgens [eiseres] daarom op grond van artikel 8 van de BOVAG-voorwaarden de annuleringsvergoeding van € 1.845,00 verschuldigd, plus wettelijke rente. [gedaagde] stelt dat hij na de proefrit, tijdens het gesprek met de verkoper, duidelijk heeft aangegeven dat hij de auto nogmaals wilde komen bekijken samen met zijn vader, voordat hij definitief tot aankoop over zou gaan. Hij had namelijk tijdens de proefrit een olielucht waargenomen en olievlekken in de motorruimte gezien. Volgens hem is toen mondeling afgesproken dat de koop werd aangegaan onder voorbehoud dat zijn vader op 5 februari 2026 een nadere inspectie zou doen en vertrouwen zou hebben in de technische staat van de auto.
Hieronder zal worden uitgelegd waarom geen onvoorwaardelijke koopovereenkomst tot stand is gekomen en [gedaagde] geen annuleringsvergoeding hoeft te betalen.
De koopovereenkomst is aangegaan onder voorwaarden
De kantonrechter is van oordeel dat is komen vast te staan dat de overeenkomst inderdaad is gesloten onder de voorwaarden dat (1) de auto door vader van [gedaagde] geïnspecteerd zou worden en (2) de vader van [gedaagde] vertrouwen zou hebben in de technische staat van de auto. [gedaagde] heeft zijn stelling dat die voorwaarden zijn overeengekomen onderbouwd door toe te lichten dat de wederpartij op het moment van de ondertekening heeft aangegeven dat de koopovereenkomst geldig was tot 5 februari 2026. Hij verwijst daarbij naar de getekende overeenkomst waarin staat vermeld: “Geldig tot:
05-02-2026”. Hoewel [eiseres] betwist dat die voorwaarden zijn afgesproken, heeft hij die betwisting onvoldoende toegelicht. [eiseres] heeft ook niet uitgelegd wat volgens hem bedoeld is met de tekst in de overeenkomst “Geldig tot: 05-02-2026”. Daarmee heeft [eiseres] de onderbouwing van [gedaagde] ten aanzien van het bestaan van de voorwaarden onvoldoende bestreden. Op grond hiervan staan beide voorwaarden tussen partijen vast.
De voorwaarden zijn niet vervuld
Partijen zijn het erover eens dat de afspraak tussen [eiseres] en [gedaagde] op 5 februari 2026 niet is doorgegaan. Er is ook geen andere afspraak gemaakt. Daardoor is de auto niet door de vader van [gedaagde] geïnspecteerd en heeft hij geen vertrouwen kunnen krijgen in de technische staat van de auto. Daaruit volgt dat de voorwaarden voor de koop van de auto niet in vervulling zijn gegaan en [gedaagde] niet gebonden is aan de koopovereenkomst. Hij is dus niet verplicht om de gevorderde annuleringsvergoeding te betalen. De vordering van [eiseres] tot betaling van € 1.845,00 wordt daarom afgewezen. [gedaagde] is ook geen wettelijke rente verschuldigd.
Ten overvloede overweegt de kantonrechter het volgende. [gedaagde] heeft nog meer redenen heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij de annuleringsvergoeding niet hoeft te betalen. De kantonrechter hoeft deze niet te bespreken, omdat het besproken verweer van [gedaagde] slaagt. Overigens geldt dat artikel 8 van de BOVAG-voorwaarden een annuleringsbeding is dat volgens de wet vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn in overeenkomsten met consumenten, tenzij de annuleringskosten een redelijke vergoeding zijn voor geleden verlies en/of gederfde winst. Dat de gevorderde annuleringsvergoeding redelijk zou zijn, is niet gesteld door [eiseres] en op geen enkele manier nader onderbouwd.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] heeft geen griffierecht betaald en heeft in persoon geprocedeerd. Aangezien [gedaagde] op de rolzitting is verschenen, wordt een vooraf vastgesteld bedrag van € 50,00 aan reis-, verblijf- en verletkosten toegekend. [eiseres] is de in het ongelijk gestelde partij en moet daarom deze kosten betalen.
4 De beslissing
De kantonrechter
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
veroordeelt [eiseres] in de reis-, verblijf- en verletkosten van € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend.
Dit vonnis is gewezen door rechter mr. H.J. Koning en in het openbaar uitgesproken op
2 september 2026.