RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
kantonrechter
locatie Utrecht
zaaknummer: 12189278 UC EXPL 26-3446 CD/942
Verstekvonnis van 16 september 2026
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Alektum Capital II AG,
gevestigd in Zug, Zwitserland,
eisende partij,
gemachtigde: E.A.P. van Lith,
tegen:
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
niet verschenen.
1. De procedure
De eisende partij is een rechtszaak begonnen tegen de gedaagde partij. De gedaagde partij heeft niet (op tijd) gereageerd op de dagvaarding. Hij heeft ook geen uitstel gevraagd om daar op een later moment op te mogen reageren. Daarom heeft de kantonrechter verstek verleend tegen de gedaagde partij. De eisende partij heeft daarna gebruik gemaakt van de aangeboden mogelijkheid om nog een nadere toelichting te geven.
De kantonrechter heeft bepaald dat vandaag het vonnis wordt uitgesproken.
2. De kern van de zaak
De gedaagde partij, een consument, heeft in juli 2021 in een webwinkel diverse kledingstukken gekocht. Hij heeft gekozen voor uitgestelde betaling (“Buy Now, Pay Later”) aan Klarna Bank AB (hierna: Klarna). Hij heeft de koopprijs niet betaald, ook niet nadat hij een aanmaning had gekregen. Klarna heeft de vordering op de gedaagde partij vervolgens verkocht aan de eisende partij. Die vordert nu dat de gedaagde partij wordt veroordeeld om de koopprijs alsnog te betalen, vermeerderd met rente en een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke incassokosten.
De kantonrechter oordeelt dat de gedaagde partij een deel van de koopprijs moet betalen en dat hij de proceskosten van de eisende partij moet vergoeden. De gedaagde partij hoeft niet de hele koopprijs te betalen en ook geen rente en incassokosten. Er gelden namelijk consumentenbeschermende regels en in deze zaak is niet gebleken dat die regels zijn nageleefd.
3. De beoordeling
De eisende partij is een rechtspersoon naar buitenlands recht. Daarom moet eerst worden beoordeeld of de Nederlandse rechter wel bevoegd is. Dat is zo. De gedaagde partij woont namelijk in Nederland en is een consument. Op de vordering is het Nederlands recht van toepassing.
Het gaat in deze zaak eigenlijk om twee verschillende overeenkomsten tussen een consument en een partij die handelt in de uitoefening van haar beroep of bedrijf, namelijk:
( a) een kredietovereenkomst tussen de gedaagde partij en Klarna, en
( b) een koopovereenkomst tussen de gedaagde partij en de webwinkel (hierna: de handelaar).
Voor beide overeenkomsten gelden bepaalde wettelijke regels die consumenten moeten beschermen. De kantonrechter moet ambtshalve (dat wil zeggen uit zichzelf, ook als de gedaagde partij daar niet om vraagt) toetsen of die regels zijn nageleefd. Dit wordt hieronder verder uitgelegd en beoordeeld.
De kredietovereenkomst
De gedaagde partij heeft gekozen voor uitgestelde betaling. Dat is een vorm van kredietverstrekking en daarvoor gelden vaak strenge consumentenbeschermende regels. Soms is dat anders: kredietovereenkomsten waarbij een consument minder financieel risico loopt, vallen bijvoorbeeld niet onder de strenge regels.
Kredietovereenkomsten van aanbieders van Buy Now, Pay Later (hierna: BNPL) kunnen ook onder deze uitzondering vallen, namelijk als het gaat om een gratis krediet of om een kortdurend krediet met onbetekenende kosten. Bij de vraag of daarvan sprake is mogen vertragingsrente en buitengerechtelijke kosten in principe niet in aanmerking worden genomen. Maar dat is anders als die rente en/of kosten onderdeel uitmaken van het verdienmodel van de kredietverstrekker. Dan maakt de kredietverstrekker winst op deze bijkomende posten. Daarop is de uitzonderingsregel niet van toepassing.
Om te beoordelen of dat zo is, moet de kantonrechter rechter alle omstandigheden rond de sluiting van de kredietovereenkomst en andere relevante factoren onderzoeken.
De partij die zich op de uitzonderingsregel beroept, moet aan de kantonrechter alle informatie geven die nodig is voor die beoordeling. Kan de kantonrechter op basis van de gegeven informatie niet vaststellen of sprake is van een gratis krediet of van een kortdurend krediet met onbetekenende kosten, dan zal worden geoordeeld dat de uitzonderingsregel niet opgaat. Dat betekent dan dus dat op de kredietovereenkomst alle regels van consumentenbescherming van toepassing zijn.
Kantonrechters bij de rechtbank Midden-Nederland hebben tot nu steeds geoordeeld dat kredietovereenkomsten die zijn gesloten door Klarna niet onder de uitzondering vallen, omdat niet werd aangetoond dat Klarna geen winst maakte op de bijkomende kosten.
In deze zaak heeft de eisende partij gesteld dat ook Klarna (inmiddels) voldoet aan de regels om voor de uitzondering in aanmerking te komen. Zij heeft uitgelegd hoe het (huidige) verdienmodel van Klarna in elkaar steekt en om dat toe te lichten heeft zij het volgende ingediend:
een verklaring van de algemeen directeur van Klarna Nederland uit juli 2025,
een accountantsrapport van 21 oktober 2025,
enkele artikelen van de Autoriteit Financiële Markten (AFM) van 27 oktober 2023 en 1 juli 2025,
een persbericht van de gezamenlijke BNPL-aanbieders van 25 november 2024,
een artikel van de Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland (VFN) van 15 januari 2025, en
de BNPL-Gedragscode van 15 januari 2025, waaraan Klarna gebonden is.
De eisende partij heeft ook verwezen naar een paar vonnissen van kantonrechters bij andere rechtbanken, die hebben geoordeeld dat Klarna-kredieten wél onder de uitzonderingsregel vallen. Volgens de eisende partij ging het om vergelijkbare zaken als de zaak waar de kantonrechter vandaag over oordeelt.
De kantonrechter overweegt dat de informatie die de eisende partij in deze zaak heeft gegeven (zie 3.9.) vooral gaat over de situatie vanaf 2023 (en dan met name vanaf 2025). Maar die informatie is niet relevant voor deze zaak, want de vordering gaat over kledingstukken die de gedaagde partij in juli 2021 heeft gekocht. Het gaat er dus om of Klarna toen onder de uitzonderingsregel viel. Dat dit zo is, heeft de eisende partij niet laten zien. Daarom moet de kredietovereenkomst tussen de gedaagde partij en Klarna worden beschouwd als een consumentenkredietovereenkomst waarop de consumentenbeschermende bepalingen gewoon van toepassing zijn.
De kantonrechter moet daarom beoordelen of Klarna toen, in juli 2021, een aantal belangrijke consumentenbeschermende bepalingen heeft nageleefd. Zij moet met name toetsen of bij het sluiten van de overeenkomst bepaalde informatie aan de gedaagde partij is gegeven en of dat op de voorgeschreven manier was. Ook moet de kantonrechter toetsen of van tevoren is gecontroleerd of de gedaagde partij wel voldoende draagkracht had om het krediet terug te kunnen betalen. Als dat niet is gebeurd, of als de kantonrechter over onvoldoende informatie beschikt om dit te kunnen beoordelen, moet de kantonrechter daar ambtshalve gevolgen aan verbinden.
Ook hierbij geldt dat de eisende partij (als rechtsopvolgster van Klarna) de kantonrechter voldoende informatie moet geven om te kunnen beoordelen of Klarna zich aan haar verplichtingen heeft gehouden, toen zij de kredietovereenkomst met de gedaagde partij sloot. Dat is in deze procedure niet of onvoldoende gebeurd. De kantonrechter kan daardoor niet toetsen of de consumentenbeschermende regels zijn nageleefd.
Die consumentenbeschermende regels zijn regels met een Europese oorsprong, die in ons nationale recht zijn geïmplementeerd. Dat wil zeggen dat die regels in de Nederlandse wet zijn gezet. Die regels moeten gelijk worden gesteld aan regels die naar nationaal recht van openbare orde zijn. Als zulke regels niet zijn nageleefd of als niet kan worden vastgesteld dat ze wél zijn nageleefd, is niet voldaan aan een regel van openbare orde en moet de overeenkomst worden vernietigd.
In 3.13. staat al dat de kantonrechter in deze zaak niet vaststellen dat Klarna zich aan de regels heeft gehouden. Daarom vernietigt de kantonrechter de kredietovereenkomst. Als gevolg daarvan hoeft de gedaagde partij de gevorderde incassokosten en rente niet te betalen.
De koopovereenkomst
Ook op de koopovereenkomst zijn consumentenbeschermende regels van toepassing.
Als het een online gesloten overeenkomst is, zoals in deze zaak, moet de handelaar tijdens het bestelproces vóór het sluiten van een overeenkomst bepaalde informatie geven, zodat consumenten weten waar ze aan toe zijn. Ná het sluiten van een overeenkomst moet de handelaar die informatie ook nog op een voorgeschreven manier bevestigen, zodat de consument die de overeenkomst heeft gesloten die informatie op een later moment nog eens kan bekijken.
De kantonrechter moet ambtshalve toetsen of de handelaar de voorgeschreven informatie op de goede manier aan de gedaagde partij heeft gegeven.
In deze zaak heeft de kantonrechter te weinig gegevens om te beoordelen of dat goed is gegaan. Dat is omdat de ingediende (aan de gedaagde partij gestuurde) bestelbevestiging niet alle informatie bevat. Er staat bijvoorbeeld niets in over het recht om de kledingstukken binnen twee weken te retourneren. In de bestelbevestiging staat wel een hyperlink naar een factuur. Misschien staat in die factuur dat de kledingstukken terug kunnen worden gestuurd, maar die factuur is niet ingediend, dus dat weet de kantonrechter niet. Sowieso is een hyperlink niet geschikt om informatie te bevestigen, omdat de handelaar de informatie achter die hyperlink achteraf gemakkelijk zelf kan aanpassen. De consument kan daarna niet meer vinden wat hij met de handelaar had afgesproken.
De kantonrechter begrijpt dat consumenten zoals de gedaagde partij op de website van de handelaar een persoonlijk account kunnen aanmaken en dat zij in dat account ook de nodige informatie kunnen zien. Zo’n account kan geschikt zijn om informatie te bevestigen, maar ook daarvoor gelden bepaalde eisen. Of de gedaagde partij in deze zaak een persoonlijk account heeft aangemaakt, en of dat account aan de eisen voldoet, is niet bekend. Dat verandert het oordeel van de kantonrechter dus niet.
Als niet kan worden vastgesteld dat een handelaar zich aan zijn informatieverplichtingen heeft gehouden (of als blijkt dat hij die verplichtingen heeft overtreden), moet de kantonrechter daar ambtshalve gevolgen aan verbinden. De consument hoeft dan niet meer de hele koopprijs te betalen. In deze zaak betekent dit dat de gedaagde partij maar 80% van de koopprijs hoeft te betalen. De gekochte, ontvangen en gehouden kledingstukken kostten € 163,33 en de gedaagde partij moet dus € 130,66 betalen. De kantonrechter zal de gedaagde partij veroordelen om dat bedrag te betalen.
Proceskosten
Hoewel een deel van de vordering wordt afgewezen is de eisende partij wel terecht deze rechtszaak begonnen. De eisende partij heeft namelijk een vordering op de gedaagde partij, die niet werd betaald. Om die reden zal de gedaagde partij in de proceskosten (inclusief nakosten) worden veroordeeld. De proceskosten van de eisende partij worden begroot op:
- dagvaarding € 127,08
- griffierecht € 139,00
- salaris gemachtigde € 43,00 (1 punt x tarief € 43,00)
- nakosten € 21,50 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 330,58.
Uitvoerbaar bij voorraadverklaring
Dit vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals door de eisende partij is gevorderd. Dat betekent dat dit vonnis moet worden gevolgd, ook als de gedaagde partij hiertegen in verzet komt. Dit vonnis geldt dan totdat de rechter in de verzetzaak een andere beslissing heeft genomen.
4. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de gedaagde partij om tegen bewijs van kwijting € 130,66 aan de eisende partij te betalen;
veroordeelt de gedaagde partij in de proceskosten van € 330,58, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als de gedaagde partij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet de gedaagde partij ook de kosten van betekening betalen;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.G. Nicholson, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.