ECLI:NL:RBMNE:2026:6461

ECLI:NL:RBMNE:2026:6461

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 24-07-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer UTR 26/5739
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Pw. Bbz. Voorlopige voorziening in bezwaar tegen afwijzing van een uitkering wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

uitspraak van de voorzieningenrechter van 24 juli 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: UTR 26/5739

(gemachtigde: mr. Y. Kurt),

en

(gemachtigde: N. Volchenko).

1. Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoeker om een voorlopige voorziening te treffen in afwachting van de beslissing op zijn bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag om bijstand op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz). De voorzieningenrechter beoordeelt de vraag of zij een voorlopige voorziening treft aan de hand van de gronden van verzoeker.

2. De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. De voorzieningenrechter ziet een spoedeisend belang in de medische toestand van verzoeker. Maar de voorzieningenrechter ziet niet dat zijn persoonlijke financiële situatie spoedeisend is. Ook lijkt het bezwaar van verzoeker geen redelijke kans van slagen te hebben. Bij die stand van zaken weegt het belang van verzoeker om een voorlopige voorziening te treffen niet op tegen het algemeen belang van het college om de wet- en regelgeving op juiste wijze uit te voeren. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

3. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

4. Verzoeker heeft op 9 oktober 2025 een aanvraag ingediend voor een uitkering en een lening voor bedrijfskapitaal op grond van het Bbz. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 5 januari 2026 afgewezen. Daarbij heeft het college zich gebaseerd op het IMK-rapport van 15 december 2025. Het IMK concludeert in dat rapport dat de onderneming van verzoeker niet levensvatbaar is. Dan wordt niet voldaan aan de voorwaarden uit het Bbz.

5. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

6. Het college heeft op 10 juli 2026 op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

7. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 14 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Is er sprake van een spoedeisend belang?

8. De voorzieningenrechter ziet een spoedeisend belang in de medische toestand van verzoeker. Uit de stukken van de bedrijfsarts en zijn eigen verklaringen op zitting volgt dat verzoeker dringend rust en behandeling nodig heeft. Verzoeker heeft op zitting echter verklaard dat hij zijn onderneming zal voortzetten, zelfs totdat hij erbij neer valt. Hij voelt zich gedwongen om te blijven werken, zodat hij de kosten voor de opslag van zijn (bedrijfs)gegevens kan betalen. Op deze manier stagneert het herstel van verzoeker.

9. Op de zitting is ook naar voren gekomen dat verzoeker inmiddels een indicatie voor beschermd wonen heeft. Daar krijgt hij onderdak, te eten en begeleiding. Ook kan hij nog bij zijn partner terecht. In de persoonlijke financiële situatie ziet de voorzieningenrechter, zonder nader onderbouwing, geen spoedeisend belang gelegen. Dat verzoeker schulden heeft bij zijn zorgverzekering, heeft hij niet onderbouwd met stukken en zou op zichzelf onvoldoende zijn om een spoedeisend belang aan te nemen.

Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?

10. De voorzieningenrechter ziet geen aanknopingspunt voor het oordeel dat het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het college zich bij de afwijzing van de Bbz-aanvraag op het IMK-rapport mogen baseren. Het IMK-rapport is tot stand gekomen nadat nadere informatie is opgevraagd en een adviesgesprek met verzoeker heeft plaatsgevonden. Dat acht de voorzieningenrechter zorgvuldig. In het IMK-rapport wordt overwogen dat voor 2026 een verlies te verwachten is, vanwege het advies van de bedrijfsarts om de werkzaamheden voor negen maanden stil te leggen. Voor 2027 wordt een beperkt positief resultaat verwacht als verzoeker geleidelijk aan herstelt. De kosten, met name die van de reis- en verblijfskosten, tonen over de jaren een wisselend beeld en zijn voor 2026 en 2027 laag begroot. Daarbij komt dat de onderneming zich in een schuldenpositie bevindt, doordat de privé-onttrekkingen uit de onderneming in 2023 en 2024 hoger waren dan het resultaat uit onderneming. Op het moment van onderzoek heeft de onderneming geen aflossingscapaciteit. De verwachting is dat na Bbz-verlening het inkomen niet toereikend is voor de voortzetting van de onderneming en evenmin voor de voorziening in de kosten van het bestaan. De onderneming van verzoeker is daarom als niet levensvatbaar beoordeeld. Daarbij heeft het IMK zorgen geuit over verzoeker, die de negatieve consequenties van de aard van zijn onderneming lijkt te negeren.

11. Het IMK heeft op 20 april 2026 en 1 juni 2026 gereageerd op de stellingen van verzoeker in bezwaar. In een reactie op het bezwaar van 15 juni 2026 heeft het college de uitleg van het IMK onderschreven. Uitgelegd is hoe de prognose en omzetberaming tot stand is gekomen en hoe de kosten en privé-onttrekkingen hierbij zijn meegenomen. De onderneming van verzoeker wordt als structureel financieel kwetsbaar beschouwd, vanwege hoge kosten en hoge privé-onttrekkingen en het ontbreken van aflossingscapaciteit in de toekomst. Daarbij komt dat de voorwaarde voor het verwachte beperkte positieve resultaat in 2027 is dat verzoeker geleidelijk aan herstelt en dan zijn werkzaamheden weer oppakt. Daarvoor is volgens de bedrijfsarts nodig dat hij de werkzaamheden nu (tijdelijk) stopt. De voorzieningenrechter stelt vast dat die werkzaamheden tot op heden niet zijn gestopt en dat dat betekent dat verzoeker niet kan herstellen. Dat betekent ook dat de vraag is of dat positieve resultaat in 2027 wel bereikt kan worden. De enkele betwisting van de bevindingen van het IMK door verzoeker, zonder nadere onderbouwing of contra-expertise, is voor de voorzieningenrechter onvoldoende om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het advies of de juistheid ervan.

Belangenafweging

12. Samenvattend ziet de voorzieningenrechter weliswaar een spoedeisend belang in de medische toestand van verzoeker, maar geen spoedeisend belang in zijn persoonlijke financiële situatie. Ook ziet de voorzieningenrechter niet dat het bezwaar van verzoeker een redelijke kans van slagen heeft. Er is nu geen aanleiding om te concluderen dat het IMK-rapport niet zorgvuldig tot stand is gekomen of niet toereikend is gemotiveerd. Verzoeker heeft hiertegen ook geen contra-expertise ingebracht. Dan ziet de voorzieningenrechter geen aanknopingspunten om te twijfelen aan de juistheid van de conclusies in het IMK-rapport. Bij die stand van zaken weegt het persoonlijk belang van verzoeker, om zijn onderneming lopende te houden, niet op tegen het algemeen belang van het college om de wet- en regelgeving in acht te nemen.

13. Het college heeft zich op de zitting bereid verklaard om met verzoeker te kijken naar andere mogelijkheden dan een Bbz-uitkering, zoals een bewindvoerder, ondersteuning bij het beëindigen van het bedrijf en schuldhulpverlening. Ter zitting is door de gemachtigde van het college aangegeven dat aanvankelijk wellicht te veel vanuit juridisch kader naar de zaak is gekeken. Voor de voorzieningenrechter is helder dat het college thans de belangen van verzoeker voor ogen heeft en samen met hem wil bezien waar zij hem kan helpen. Ook de voorzieningenrechter ziet dat verzoeker hulp nodig heeft en hoopt dan ook dat hij samen met het college tot een oplossing kan komen die hem daadwerkelijk verder zal helpen en die maakt dat hij beter wordt en van daaruit kan bezien op welke wijze hij in zijn levensonderhoud kan voorzien.

Conclusie en gevolgen

14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.J.J.M. Kock, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. H.J.J.M. Kock

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand