RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12232551 \ MC EXPL 26-2600 \ DB 68749
Vonnis van 9 september 2026
in de zaak van
INFOMEDICS B.V., mede handelend onder de namen INFOMEDICS FACTORING, UWNOTA.NL, DFA SERVICES EN INFOMEDICS DFA,
gevestigd in Almere,
eisende partij,
hierna te noemen: Infomedics,
gemachtigde: Yards Deurwaardersdiensten BV,
tegen
[gedaagde] ,
wonend in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 6 mei 2026 met 2 producties;- de conclusie van antwoord;
- de akte van [gedaagde] met schriftelijke aanvulling op de conclusie van antwoord;- de akte van Infomedics met vermindering van eis;- de akte van [gedaagde] .
De kantonrechter heeft bepaald dat hij schriftelijk uitspraak doet.
2. De kern van de zaak
Infomedics heeft opdracht gekregen van Infomedics Finance B.V. (hierna: Finance) om een vordering van een zorgverlener op [gedaagde] – voor een aan [gedaagde] verstrekte (para)medische behandeling – in eigen naam te incasseren. Die vordering was door de zorgverlener aan Finance overgedragen (gecedeerd).
Infomedics heeft een factuur van € 147,24 voor de vordering van de zorgverlener aan [gedaagde] gestuurd. [gedaagde] heeft die factuur niet betaald. Infomedics vordert – na eisvermindering – dat [gedaagde] nog € 32,24 aan haar betaalt met rente en kosten. [gedaagde] is het niet eens met de vordering. De kantonrechter geeft Infomedics deels gelijk. [gedaagde] moet € 32,24 met rente aan Infomedics betalen. De incassokosten en proceskosten hoeft [gedaagde] niet te betalen.
3. De beoordeling
Ambtshalve toetsing van oneerlijke bedingen
De overeenkomst is gesloten tussen een professionele partij, handelend in de uitoefening van haar beroep of bedrijf (de zorgverlener) en een consument ( [gedaagde] ). Op zo’n overeenkomst kunnen consument-beschermende bepalingen van toepassing zijn. De kantonrechter moet ambtshalve beoordelen of op de overeenkomst algemene voorwaarden van toepassing zijn. Zo ja, dan moet de kantonrechter ambtshalve toetsen of daarin bepalingen (“bedingen”) staan die relevant zijn voor de beoordeling van (onderdelen van) de vordering. Als dergelijke bedingen onredelijk bezwarend zijn voor consumenten zoals de gedaagde partij, als bedoeld in artikel 6:233 onder a Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), moet de kantonrechter de betreffende bedingen ambtshalve vernietigen en de daarmee verband houdende (delen van de) vordering afwijzen.
Er zijn geen algemene voorwaarden op de overeenkomst van toepassing. Over de betalingsvoorwaarden is het een en ander vermeld op de achterkant van de factu(u)r(en). Het gaat om een uitleg van de wettelijke regels over de betaling van facturen en de gevolgen van te late betaling. De kantonrechter beschouwt dit niet als algemene voorwaarden. Wat Infomedics daarover heeft gesteld in haar dagvaarding kan daardoor onbesproken blijven.
[gedaagde] moet de hoofdsom van € 32,24 betalen
Aanvankelijk vorderde Infomedics een hoofdsom van € 147,24 waaronder begrepen een bedrag van € 115,00 voor de rekening van een ‘no show’ op 7 november 2025. [gedaagde] heeft hiertegen verweer gevoerd, waarna Infomedics haar eis met € 115,00 heeft verminderd. De kantonrechter hoeft hierover niet daarom meer te oordelen.
Infomedics vordert nog een bedrag van € 32,24. Dit bedrag ziet op een openstaande factuur van een behandeling op 12 november 2025. [gedaagde] is het niet eens met de vordering. Hij stelt dat de situatie rondom de procedure al genoeg geld heeft gekost en dat Infomedics geen recht heeft om geld van hem te ontvangen. Bovendien heeft Infomedics niet gereageerd op zijn brieven, e-mails en belletjes. De kantonrechter wijst de vordering toe en legt dat hierna uit.
Vastgesteld wordt dat [gedaagde] de uitvoering van de (para)medische behandeling op 12 november 2025 niet heeft betwist, zodat hij op grond van artikel 7:405 lid 1 BW in beginsel voor die behandeling moet betalen. Infomedics heeft in haar factuur ook gespecificeerd waar de gevorderde kosten op zien. [gedaagde] heeft niet onderbouwd waarom Infomedics volgens hem geen recht heeft op betaling van € 32,24. Voor zover [gedaagde] bedoelt dat hij kosten heeft gemaakt om verweer te voeren tegen het aanvankelijk gevorderde bedrag van € 115,00 en hij deze kosten hiermee wil verrekenen, kan dit hem niet helpen. Het verweer is ten eerste pas bij dupliek gevoerd en dus te laat. Daarnaast is ook niet gebleken dat er werkelijk kosten zijn gemaakt. Het verweer van [gedaagde] slaagt daarom niet en dus moet hij een bedrag van € 32,24 aan Infomedics betalen.
[gedaagde] moet de wettelijke rente betalen
[gedaagde] heeft het bedrag van € 32,24 niet betaald binnen 30 dagen vóór de op de factuur vermelde vervaldatum van 15 december 2025. Infomedics stelt dat dit een fatale betalingstermijn was en [gedaagde] dus vanaf die datum in verzuim verkeert. Zij vordert wettelijke rente vanaf die datum.
De kantonrechter wijst niet de volledig gevorderde rente toe. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat de door Infomedics gestelde datum van verzuim niet juist is. Anders dan Infomedics stelt, is een betaaltermijn op een factuur op zichzelf geen fatale termijn in de zin van artikel 6:83 sub a BW. Daarvoor is namelijk nodig dat die betaaltermijn vooraf is overeengekomen tussen partijen. Dat is hier niet gebeurd. Infomedics heeft onvoldoende gesteld dat deze betalingstermijn vooraf tussen partijen is overeengekomen en niet eenzijdig door Infomedics is opgelegd. Voor het intreden van het verzuim is daarom een ingebrekestelling vereist.
Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet de brief van 16 december 2025 aan de voorwaarden die de wet (artikel 6:82 BW) aan een ingebrekestelling stelt. In die brief staat dat [gedaagde] binnen 15 dagen na ontvangst van die brief (het aanvankelijk gevorderde bedrag van) € 147,24 moet betalen. Infomedics heeft gesteld dat de brief vijf dagen na de verzenddatum door [gedaagde] is ontvangen. [gedaagde] heeft dit niet betwist. Dit betekent dat [gedaagde] op 5 januari 2026 in verzuim is komen te verkeren. Met ingang van die datum is [gedaagde] de wettelijke rente over de hoofdsom verschuldigd.
[gedaagde] hoeft de buitengerechtelijke incassokosten niet te betalen
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen. Voor het verschuldigd zijn daarvan is een zogeheten 14-dagen brief (artikel 6:96 lid 6 BW) vereist die moet worden verstuurd op het moment dat [gedaagde] al in verzuim is. Anders dan Infomedics stelt, kan de hiervoor genoemde brief van 16 december 2025 niet als zodanig worden beschouwd. [gedaagde] verkeerde op die datum namelijk nog niet in verzuim. Niet gesteld of gebleken is dat er na 5 januari 2026 een 14-dagen brief aan [gedaagde] is gestuurd.
De proceskosten
Beide partijen zijn deels in het ongelijk gesteld. Daar komt bij dat [gedaagde] buitengerechtelijk al bezwaar gemaakt heeft tegen de kosten die in rekening gebracht zijn wegens niet verschijnen op een afspraak. Die kosten vormden het grootste deel van de factuur waar nu discussie over geweest is. Bij akte heeft Infomedics uiteindelijk haar eis verminderd met deze kosten. Wanneer dit buitengerechtelijk al was gebeurd, was onderhavige procedure mogelijk niet nodig geweest. De kantonrechter ziet daarom aanleiding om de proceskosten te compenseren, in die zin dat ieder zijn of haar eigen kosten draagt. De door Infomedics gevraagde proceskostenveroordeling wordt dan ook afgewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De kantonrechter verklaart deze uitspraak uitvoerbaar bij voorraad, zoals Infomedics heeft gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de partijen hoger beroep instelt tegen deze beslising. De beslissing geldt in dat geval tot het gerechtshof een andere beslissing neemt.
4. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt [gedaagde] om aan Infomedics te betalen een bedrag van € 32,34, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119, met ingang van 5 januari 2026, tot de dag van volledige betaling;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.J. Baken, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken
op 9 september 2026.