ECLI:NL:RBMNE:2026:6440

ECLI:NL:RBMNE:2026:6440

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 09-09-2026
Datum publicatie 20-09-2026
Zaaknummer 12202248 \ UC EXPL 26-3730
Rechtsgebied Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Schending klachtplicht door pas ruim drie jaar na einde dienstverband te klagen over de inschaling van de functie.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: 12202248 \ UC EXPL 26-3730 MS/1270

Vonnis van 9 september 2026

in de zaak van

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eisende partij,

hierna te noemen: [eiser] ,

gemachtigde: mr. J.E.S. Hanenberg (Vakbond LBV),

tegen

[gedaagde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

gedaagde partij,

hierna te noemen: [gedaagde] ,

gemachtigde: mr. C.J. Verhage.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;- de conclusie van antwoord met producties;

- de akte houdende reactie op de conclusie van antwoord en overlegging van aanvullende producties.

De mondelinge behandeling van deze zaak is bepaald op 25 augustus 2026 om 9.00 uur. Mr. Hanenberg heeft de kantonrechter met een e-mail van 24 augustus 2026 om 15.36 uur verzocht om aanhouding van de zaak wegens ziekte van [eiser] . Mr. Verhage is verzocht op dit verzoek te reageren en heeft met een e-mail van 16.27 uur een grote voorkeur uitgesproken om de zitting door te laten gaan. De kantonrechter heeft het verzoek om aanhouding vervolgens rond 17.10 uur onder ogen gekregen en afgewezen omdat dit verzoek onvoldoende was gemotiveerd. Omdat de griffie ten tijde van deze beslissing al gesloten was, is dit partijen de volgende ochtend op 25 augustus 2026 met een e-mail van omstreeks 8.40 uur meegedeeld.

[eiser] en zijn gemachtigde zijn niet op de zitting verschenen. Namens [gedaagde] zijn de heer [A] , CEO van [gedaagde] , en mr. Verhage verschenen. De kantonrechter heeft de zitting geschorst om mr. Hanenberg en [eiser] in staat te stellen via Teams aan de zitting deel te nemen. Mr. Hanenberg was - ondanks herhaalde pogingen - echter niet telefonisch bereikbaar, noch via haar kantoor noch op haar 06-nummer en heeft tijdens de zitting ook niet gereageerd op een e-mail waarin haar een Teams-link voor de zitting is gestuurd. Een en ander als uiteengezet in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling.

De kantonrechter heeft hierop de mondelinge behandeling hervat. [gedaagde] heeft haar standpunt aan de hand van een pleitnota toegelicht en heeft enkele vragen van de kantonrechter beantwoord. In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling is vermeld wat is besproken. De kantonrechter heeft na afloop van de mondelinge behandeling bepaald dat op 23 september 2026 of zoveel eerder als mogelijk vonnis wordt gewezen.

De rechtbank heeft vrijwel meteen na afloop van de zitting een uitgebreide e-mail ontvangen van mr. Hanenberg waarin zij bezwaar maakt tegen de afwijzing van haar verzoek om aanhouding. In deze mail stelt zij dat zij zelf verhinderd was, iets wat zij de dag ervoor niet vermeld had. De griffier heeft namens de kantonrechter de beslissing om de zitting te laten doorgaan en de pogingen die zijn ondernomen om contact met mr. Hanenberg op te nemen nader toegelicht. Mr. Hanenberg is meegedeeld dat rekening zal worden gehouden met het standpunt van [eiser] als verwoord in de uitgebreide akte van 13 augustus 2026 van de gemachtigde, die feitelijk als een conclusie van repliek kan worden beschouwd. Tevens is toegelicht dat [gedaagde] tijdens de zitting geen nieuwe feiten of argumenten heeft aangedragen die voor de beslissing van belang zijn en waarop mr. Hanenberg vanuit het oogpunt van hoor en wederhoor nog zou moeten kunnen reageren.

2. De kern van de zaak

[eiser] heeft van 21 augustus 2019 tot en met 4 april 2021 bij [gedaagde] gewerkt in de functie van Onderzoeksmedewerker S08. Hij stelt zich op het standpunt dat hij in die tijd structureel is belast met werkzaamheden die behoren tot het (hogere) functieniveau van (Senior) Validation Engineer. Hij vordert een verklaring voor recht dat [gedaagde] hem gedurende het dienstverband had moeten belonen overeenkomstig het functieniveau van deze functie en vordert daarnaast betaling van het achterstallige loon. [eiser] heeft hier echter pas na ruim drie jaar na het einde van het dienstverband over geklaagd. Dat hij dit eerder heeft gedaan, kan niet worden vastgesteld. De kantonrechter oordeelt dat [eiser] hiermee de klachtplicht heeft geschonden en wijst de vorderingen af. Aan een beoordeling van de verdere argumenten over en weer komt de kantonrechter niet toe.

3. De beoordeling

Het beroep op de klachtplicht

Tussen partijen is in geschil of [eiser] inderdaad, zoals hij stelt, tijdens zijn dienstverband beloond had moeten worden overeenkomstig het functieniveau van de functie (Senior) Validation Engineer. [gedaagde] betwist dat [eiser] deze functie vervulde. Zij heeft echter als meest verstrekkend verweer aangevoerd dat [eiser] zijn klachtplicht heeft geschonden. De kantonrechter zal dit verweer eerst beoordelen. Indien dit beroep slaagt, is het vorderingsrecht van [eiser] immers komen te vervallen zodat de vordering moet worden afgewezen. De kantonrechter komt in dat geval niet toe aan de vraag of [eiser] tijdens zijn dienstverband de functie van (Senior) Validation Engineer vervulde en overeenkomstig dit functieniveau beloond had moeten worden.

Toetsingskader klachtplicht

Artikel 6:89 BW bepaalt dat een schuldeiser op een gebrek in de prestatie geen beroep meer kan doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijs had moeten ontdekken, bij de schuldenaar ter zake heeft geprotesteerd. De bepaling strekt ertoe de schuldenaar die een prestatie heeft verricht, te beschermen omdat hij erop moet kunnen rekenen dat de schuldeiser met bekwame spoed onderzoekt of de prestatie aan de verbintenis beantwoordt en dat deze, indien dit niet het geval blijkt te zijn, dit eveneens met spoed aan de schuldenaar mededeelt. De klachtplicht is ook van toepassing op loonvorderingen op grond van een arbeidsovereenkomst.

Bij beantwoording van de vraag of is voldaan aan de in artikel 6:89 BW besloten liggende onderzoeks- en klachtplicht, dient acht te worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard en inhoud van de rechtsverhouding, de aard en inhoud van de prestatie en de aard van het gestelde gebrek in de prestatie. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoort het antwoord op de vraag of de schuldenaar nadeel lijdt door het late tijdstip waarop de schuldeiser heeft geklaagd. In dit verband dient de rechter rekening te houden met enerzijds het voor de schuldeiser ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren zoals in artikel 6:89 BW vermeld – te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming – en anderzijds de concrete belangen waarin de schuldenaar is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken.

[eiser] heeft pas ruim drie jaar na einde dienstverband geklaagd

[eiser] stelt dat hij al tijdens zijn dienstverband over de inschaling heeft geklaagd. [gedaagde] stelt dat hij dit pas voor het eerst ruim drie jaar na einde dienstverband heeft gedaan. Dat was volgens [gedaagde] in een brief die op 15 april 2024 is gedateerd maar die [gedaagde] pas op 17 mei 2024 heeft ontvangen. De kantonrechter stelt vast dat [eiser] pas met de brief van 15 april 2024, dus ruim drie jaar na einde dienstverband over de inschaling heeft geklaagd en tegenover [gedaagde] aanspraak heeft gemaakt op nabetaling van achterstallig salaris. Dit wordt hierna toegelicht.

[eiser] verwijst ter onderbouwing van zijn stelling dat hij al tijdens het dienstverband over de inschaling heeft geklaagd, naar een ongedateerde brief die hij heeft geschreven. Hij reageert in deze brief op ‘brieven van 15 april en 27 mei’ die hij heeft ontvangen. [gedaagde] heeft gesteld dat het hier gaat om een brief die [eiser] aan het LBV, zijn gemachtigde, heeft gestuurd en dat hij hierin verwijst naar de brief van zijn gemachtigde van 15 april 2024 en de brief van 27 mei 2024 van de gemachtigde van [gedaagde] . [eiser] heeft dit niet betwist. Dat betekent dat deze brief van [eiser] pas na 27 mei 2024, dus ruim drie jaar na einde dienstverband, is geschreven. Uit deze brief kan dus niet worden afgeleid dat hij al tijdens het dienstverband over de inschaling heeft geklaagd.

[eiser] verwijst verder naar een e-mail van 12 januari 2021 die hij aan de Senior Compliance Specialist & Qualified Person van [gedaagde] heeft gestuurd en waarin hij het volgende heeft gevraagd: “According to our [gedaagde] procedures. Who should be normally responsible for equipment qualification, writing protocols (IOPQ), & gaps identification’. Is it the validation engineer or equipment owner?(…)” De betreffende medewerker heeft hierop geantwoord: “That is the responsibility of the Validation/Facilities department. However the system owner has a responsibility in supporting the Validation department. (…)” Volgens [eiser] blijkt hieruit dat hij de feitelijke positionering van zijn werkzaamheden al tijdens het dienstverband ter discussie heeft gesteld. De kantonrechter volgt [eiser] niet in dit standpunt. Het gaat hier om een louter informatieve vraag. [gedaagde] hoefde hieruit niet af te leiden dat [eiser] hiermee bezwaar maakte tegen zijn inschaling en het loon wilde ontvangen dat hoort bij de functie (Senior) Validation Engineer.

[eiser] stelt dat hij tijdens zijn dienstverband verschillende keren tegenover zijn leidinggevenden heeft aangegeven dat de door hem feitelijk verrichte werkzaamheden niet overeenkwamen met zijn formele functie en inschaling, maar heeft dit niet onderbouwd. In het bijzonder heeft hij geen stukken in het geding gebracht waaruit dit blijkt. Hij zal – naar aanleiding van zijn verzoek in zijn akte – ook niet in de gelegenheid worden gesteld dit alsnog te doen, omdat hij voorafgaand aan de mondelinge behandeling hiervoor voldoende gelegenheid heeft gehad.

[gedaagde] heeft ter onderbouwing van haar betwisting dat [eiser] tijdens het dienstverband over de inschaling heeft geklaagd gewezen op een ‘Persoonlijk Overgangsdocument’ dat [eiser] op 26 november 2020 naar aanleiding van de privatisering van [gedaagde] voor akkoord heeft ondertekend en per mail van 14 december 2020 nog heeft aangevuld. Hierin stond als zijn functie vermeld ‘Onderzoeksmedewerker S08, functieschaal 08 en trede 10’. De kantonrechter deelt het standpunt van [gedaagde] dat als [eiser] inderdaad al tijdens het dienstverband bezwaar had gemaakt tegen de inschaling, het voor de hand had gelegen dat hij in het kader van de ondertekening van dit persoonlijk overgangsdocument, of eventueel als onderdeel van de aanvulling van 14 december 2020, een opmerking over de inschaling zou hebben gemaakt. Dat heeft hij destijds echter niet gedaan. Dit is een belangrijke aanwijzing dat hij niet tijdens zijn dienstverband al heeft geklaagd.

[eiser] heeft niet tijdig geklaagd

Door pas ruim drie jaar na einde dienstverband voor het eerst bij [gedaagde] te klagen over de inschaling van zijn functie en aanspraak te maken op betaling van achterstallig salaris, heeft [eiser] niet binnen bekwame tijd geklaagd zoals bedoeld in artikel 6:89 BW. Daarbij wordt het volgende in aanmerking genomen.

[eiser] heeft aangevoerd dat hij er tijdens het dienstverband in beginsel op mocht vertrouwen dat [gedaagde] de opgedragen werkzaamheden en inschaling correct op elkaar afstemde. [eiser] heeft echter zelf gesteld dat hij tijdens het dienstverband meermalen tegenover zijn leidinggevenden over zijn inschaling heeft geklaagd en dat ook de e-mail die hij in januari 2021 aan de Senior Compliance Specialist & Qualified Person heeft gestuurd aangemerkt kan worden als een klacht over de inschaling. Hoewel de kantonrechter het standpunt van [eiser] dat hij hiermee heeft geklaagd niet volgt, blijkt uit deze stelling van [eiser] wel dat hij tijdens zijn dienstverband al vond dat de inschaling van zijn functie niet correct was. Hij had op basis van die overtuiging dus tijdens zijn dienstverband al actie kunnen ondernemen.

[eiser] heeft toegelicht dat hij tijdens zijn dienstverband - mede door zijn persoonlijkheid - in een afhankelijke en kwetsbare positie verkeerde en dat hij een reële vrees had dat een formele loonclaim of escalatie de verlenging van zijn dienstverband en zijn positie binnen de organisatie zou schaden. Als dit inderdaad het geval was, dan had het voor de hand gelegen dat [eiser] kort na het einde van zijn dienstverband alsnog over de inschaling had geklaagd en een loonvordering had ingediend. Dit heeft hij echter niet gedaan. In de hiervoor genoemde brief die hij na 27 mei 2024 aan LBV heeft gestuurd, schrijft hij dat het drie jaar heeft geduurd voordat zijn dossier door LBV in behandeling is genomen. Dit is waarschijnlijk de verklaring voor het tijdsverloop, maar dit dient voor rekening van [eiser] te blijven. Hij had ook zelf een brief met een klacht over de inschaling naar [gedaagde] kunnen sturen.

[gedaagde] stelt dat zij zich door het lange tijdsverloop moeilijk kan verweren tegen de loonvordering van [eiser] , omdat veel betrokkenen met wie [eiser] destijds heeft gewerkt inmiddels niet meer bij haar werkzaam zijn. Zij stelt dat zij hierdoor wordt benadeeld in haar bewijspositie en ook wordt aangetast in haar mogelijkheden om de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. [eiser] betwist dat [gedaagde] door het tijdsverloop in haar bewijspositie is geschaad, omdat voormalige medewerkers als getuigen kunnen worden gehoord en een aantal van hen al verklaringen heeft opgesteld die [gedaagde] in het geding heeft gebracht. Volgens [eiser] vonden zijn werkzaamheden plaats in een streng gereguleerde GMP-omgeving en is zijn feitelijke taakinhoud daardoor achteraf objectief te reconstrueren. [gedaagde] heeft in reactie hierop echter gesteld dat door het tijdsverloop niet iedereen meer weet wie destijds concreet welke werkzaamheden heeft verricht. De kantonrechter vindt het aannemelijk dat dit inderdaad het geval is en vindt het ook aannemelijk dat [gedaagde] door het tijdsverloop is aangetast in haar mogelijkheden om de gevolgen van de gesteld onjuiste inschaling te beperken, bijvoorbeeld door [eiser] andere werkzaamheden op te dragen.

Conclusie

De conclusie luidt daarom dat het beroep van [gedaagde] op de klachtplicht slaagt. Hierdoor is het vorderingsrecht van [eiser] vervallen. Zijn vorderingen worden daarom afgewezen.

Kosten

[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. [gedaagde] heeft verzocht om [eiser] te veroordelen tot een hogere proceskostenvergoeding dan de gebruikelijk forfaitaire vergoeding, omdat de gemachtigde van [eiser] in de dagvaarding bij het hoofdstuk van de juridische beoordeling gebruik moet hebben gemaakt van AI zonder te controleren of de uitkomst klopt. [gedaagde] heeft er terecht op gewezen dat er in dit hoofdstuk verwezen wordt naar jurisprudentie die geen betrekking heeft op de rechtsvraag die in deze zaak aan de orde is en dat bij een van de uitspraken een onjuiste vindplaats is vermeld. De gemachtigde van [eiser] heeft niet betwist dat dit is gebeurd doordat gebruik is gemaakt van AI. [gedaagde] stelt dat het zijn gemachtigde extra tijd en moeite heeft gekost om de stellingen van [eiser] te doorgronden en zich hiertegen te verweren. De kantonrechter vindt dit aannemelijk en ziet daarom aanleiding de daarmee gemoeide kosten te begroten op een halve punt in de proceskostenveroordeling (€ 216,00).

De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:

- salaris gemachtigde

€

1.080,00

(2,5 punten × € 432,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.224,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

4. De beslissing

De kantonrechter

wijst de vorderingen van [eiser] af,

veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.224,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand