RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht, jeugdstrafrecht
Parketnummer : 03.071429.26
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 september 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 2008,
wonende te [adres 1] ,
gedetineerd in [JJI] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. K. Valkeneers, advocaat kantoorhoudende te Geleen.
1. Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld ter terechtzitting van 7 september 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt. Tevens zijn verschenen en gehoord [naam 1] en [naam 2] , de voogden van de verdachte werkzaam bij [instelling] , [naam 3] en [naam 4] , raadsonderzoekers bij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) en [naam 5] , werkzaam als jeugdreclasseerder bij het Leger des Heils, jeugdreclassering.
Het slachtoffer, [slachtoffer] , alsmede zijn moeder, [naam 6] , hebben zich als benadeelde partijen gevoegd in het strafproces. Zij zijn bijgestaan door mr. F.W. Oehlen en ter terechtzitting gehoord. De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.
2. De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte [slachtoffer] heeft proberen te doden door hem met een mes, althans een scherp voorwerp, in het oor en/of in het gezicht te snijden. Subsidiair is dit ten laste gelegd als een zware mishandeling en meer subsidiair als een poging zware mishandeling.
3. De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat bewezen kan worden dat de verdachte het slachtoffer met een mes in het oor en gezicht heeft gesneden, gelet op de aangifte, de letselbeschrijving en de bekennende verklaring van de verdachte.
Dit leidt in de visie van de officier van justitie tot een poging doodslag. De verdachte heeft niet het vol opzet gehad om het slachtoffer te doden, maar heeft wel het voorwaardelijk opzet daartoe gehad. Daarbij heeft de officier van justitie in aanmerking genomen dat de verdachte, met een mes in zijn handen, onverhoedse bewegingen heeft gemaakt met het mes richting de nek van het slachtoffer. Vervolgens heeft hij het oor van het slachtoffer vastgepakt en daarmee de kans vergroot dat het slachtoffer zijn hoofd zou wegtrekken, hetgeen ook is gebeurd.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van het bewijs gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Het oordeel van de rechtbank
Bewijsmiddelen
[slachtoffer] heeft aangifte gedaan van poging moord gepleegd op 9 maart 2026 in een van de klaslokalen van het [naam school] aan de [adres 2] in Maastricht. Hij heeft hierover het volgende verklaard:Op 8 maart 2026 kreeg ik een berichtje van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: de verdachte [verdachte] ). Hij schold in dit bericht mijn moeder uit. Ik schold hem terug uit. Hij berichtte mij hierna dat ik morgen wel zou zien wat er met mij gebeurde. Op 9 maart 2026 omstreeks 05:00 uur kreeg ik nieuwe berichtjes van [verdachte] . Hij stuurde meermaals: “Ik laat jou zien wat ik met jou doe”.Op 9 maart 2026, ik denk tussen 11:00 en 12:00 uur hadden we les van meneer [naam 7] .Op enig moment zag ik dat [verdachte] snel op mij af kwam lopen. Ik voelde dat [verdachte] ineens mijn hoofd vastpakte en zijn andere hand in de richting van mijn hals en keel bewoog. Ik trok van schrik mijn hoofd weg, voor zo ver dat ging. Ineens voelde ik een snijdende pijn van mijn wang tot aan mij oor. Ik zag direct dat er bloed uit mijn gezicht kwam. Na dit alles, toen ik in het ziekenhuis lag, kreeg ik nog berichtjes van [verdachte] . Hij stuurde: “Dit is wat er met jou gebeurd, dit is verdiend”.
In de forensisch medisch letselrapportage is het volgende opgenomen:
Er is sprake van een aanzienlijke verwonding over de rechter gelaatshelft lopende van
achter de oorschelp tot aan de plooi tussen de neus en de mondhoek. Het onderhuids bind- en vetweefsel is zichtbaar. De volledige dikte van de buitenste rand van de oorschelp (helix) en een deel van het kraakbeen aan de voorzijde van de oorschelp (tragus) is doorkliefd. De
verwonding is operatief gesloten.
De verwachte genezingsduur betreft weken tot maanden.Er zijn blijvende beperkingen te verwachten in de vorm van een litteken in het aangezicht. Het is onduidelijk of er blijvende beperkingen zijn te verwachten in de gezichtsuitdrukkingen.
De verdachte heeft het volgende verklaard:
Ik zat in de klas en was met mezelf aan het denken. Ik dacht hij (de rechtbank begrijpt: het slachtoffer [slachtoffer] ) noemt mijn vader een hond en wilde mijn moeder een hoer noemen. Ik werd heel erg boos en had mezelf niet onder controle. Ik zag hem zitten. Ik tikte hem twee keer op zijn rug, hij draaide om. Ik had een mes bij zijn gezicht en toen is het gebeurd. Het mes had ik altijd bij mij als ik naar school ging.
Bewijsoverweging
Vast staat dat de verdachte het slachtoffer met een mes in zijn oor en gezicht heeft gesneden. Aan de verdachte is primair ten laste gelegd dat hij het slachtoffer, door zo te handelen, heeft geprobeerd te doden.
Vol of voorwaardelijk opzet op de dood
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van een poging tot doodslag is vereist dat de verdachte, al dan niet in voorwaardelijke zin, opzet heeft gehad op de dood van het slachtoffer.
De rechtbank is van oordeel dat er sprake is geweest van vol opzet op de dood en acht hiervoor het volgende redengevend.
De verdachte heeft de dag voorafgaand aan het feit het slachtoffer gewaarschuwd dat hij iets met hem zou doen. Verdachte had een mes bij zich en nam dit ook ter hand toen hij in de klas doelgericht naar het slachtoffer liep. De verklaring van de verdachte, dat hij hem alleen wilde slaan, acht de rechtbank dan ook volstrekt ongeloofwaardig. De verdachte heeft direct het hoofd van het slachtoffer vastgepakt en hem met één uithaal gesneden van achter zijn oor tot midden op zijn wang. De uiterlijke verschijningsvorm van het handelen van de verdachte laat geen andere conclusie toe dan dat hij met vol opzet heeft gehandeld.
Gelet op het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat de verdachte heeft geprobeerd om aangever [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
feit 1 primair:
op 9 maart 2026 te Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] , van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes in het oor en in het gezicht heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert het volgende strafbare feit op:
feit 1 primair: poging doodslag.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De GZ-psycholoog D. Van Luijk heeft over de geestvermogens van de verdachte op 20 juni 2026 een rapport uitgebracht. Hier blijkt kort gezegd en zakelijk weergegeven het volgende.
Er is bij de verdachte sprake van een persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling met overwegend antisociale en narcistische trekken en van een posttraumatische stressstoornis.Deze stoornissen waren ook aan de orde ten tijde van het tenlastegelegde feit en beïnvloedden zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van dit feit. Vooral de persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling met narcistische en antisociale trekken lijkt op het feit van invloed te zijn geweest. Deze classificatie houdt in dat verdachte gevoelig is voor krenking (van zijn eer en die van zijn familie) en hierop met reactieve agressie kan reageren en onvoldoende afgeremd wordt door zijn geweten: het gebrek aan verbinding met de ander draagt bij aan grensoverschrijdend en antisociaal gedrag, waarbij het uitblijven van directe gevoelens van schuld en schaamte in het oog springen. Het is vooral een gevoel van trots dat de boventoon voert (hij heeft de krenking ongedaan gemaakt en zijn eer hersteld). Dit past bij de narcistische en antisociale trekken van de persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling, alsook bij de culturele context waarbinnen verdachte is grootgebracht. De mate waarin de posttraumatische stressstoornis van invloed is geweest, lijkt beperkt. Hoogstens kan in algemene zin een verhoogde prikkelbaarheid bij verdachte vanuit de PTSS worden verklaard. Zicht op de toelaatbaarheid van zijn handelen had verdachte wel, echter door de genoemde functietekorten is hij onvoldoende afgeremd in zijn narcistische en antisociale tendensen.Op basis van het bovenstaande waarin een verband blijkt tussen het ten laste gelegde enerzijds en de classificaties anderzijds, wordt geadviseerd om verdachte het ten laste gelegde (indien bewezen) enigszins verminderd toe te rekenen.
Het advies van de deskundigen over de toerekenbaarheid van een verdachte werd voorheen in vijf gradaties aangegeven, maar sinds een aantal jaren worden niet vijf maar drie gradaties van toerekeningsvatbaarheid gehanteerd (volledig toerekenen, verminderd toerekenen en niet toerekenen). De rechtbank zal bij de beoordeling van de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte deze driepuntsschaal hanteren en komt op basis daarvan tot het oordeel dat het feit aan de verdachte in verminderde mate toe te rekenen is en zal hier bij de strafoplegging rekening mee houden.
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid geheel uitsluiten.
6. De straf
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd het jeugdstrafrecht toe te passen en aan de verdachte op te leggen een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met aftrek van het voorarrest. Aan het voorwaardelijk deel dienen in de visie van de officier van justitie de volgende bijzondere voorwaarden te worden verbonden: het meewerken aan een zinvolle dagbesteding, een locatiegebod, een verplichte behandeling, het meewerken aan begeleiding door een deskundige, een contactverbod met het slachtoffer en een locatieverbod voor Maastricht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit om aan de verdachte geen langere onvoorwaardelijke jeugddetentie op te leggen dan 200 dagen, met aftrek van het voorarrest en met daarnaast een voorwaardelijk strafdeel met de bijzondere voorwaarden die de Raad heeft geadviseerd.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] te doden door hem met een mes in zijn oor en gezicht te snijden. Het is niet aan de verdachte te danken dat het slachtoffer het heeft overleefd. Doordat het slachtoffer met zijn hoofd draaide is hij gesneden in zijn oor en gezicht en niet in zijn hals. In dat geval had hij het waarschijnlijk niet overleefd. De verdachte heeft door zo te handelen op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Bovendien heeft dit steekincident plaatsgevonden in de klas, waardoor klasgenoten en de leerkracht ongewild getuige zijn geweest van deze geweldsexplosie bij de verdachte en de ernstige verwonding bij het slachtoffer.
Gevolgen voor het slachtoffer, zijn moeder en anderen
Dat deze aanval een grote impact op het slachtoffer, alsmede zijn moeder, heeft gehad spreekt voor zich. Het slachtoffer heeft via zijn raadsvrouw te kennen gegeven dat hij zich schaamt voor zijn uiterlijk. Hij is voor het leven getekend. Hij zal het litteken zijn leven lang blijven zien en zal iedere keer als hij in de spiegel kijkt, geconfronteerd worden met deze vreselijke gebeurtenis. Hij draagt vaak een capuchon, ook ter terechtzitting, en hij heeft het gevoel dat mensen denken dat hij een crimineel is. Hij wil zich constant verbergen en trekt zich terug op zijn kamer. Zijn moeder maakt zich hier ernstig zorgen om. Zij is met haar kinderen naar Nederland gevlucht om hier een menswaardig leven te kunnen leiden. Dat juist hier haar zoon dit is aangedaan, kan zij niet bevatten. Ook zij kampt met psychische klachten sinds haar zoon dit is overkomen. Zij leeft voortdurend in angst wanneer haar kinderen naar school gaan en wordt pas weer rustig op het moment dat zij weer thuis zijn.
Ook voor de leerlingen in de klas en de leerkracht die getuigen zijn geweest van dit voorval moet het een vreselijke gebeurtenis zijn geweest. Niet alleen voor de direct betrokkenen maar ook voor de samenleving is dit schokkend geweest. Dit soort incidenten zorgen voor onveiligheid en onrust, met name als dit gebeurt op school, waar de ouders denken hun kinderen in veiligheid naar toe te sturen.
Jeugdstrafrecht of volwassenenstrafrecht
Volgens artikel 77b Sr kan aan een verdachte die die ten tijde van het begaan van een strafbaar feit 16 of 17 jaar was het volwassenenstrafrecht worden toegepast.
Daarbij dienen te worden meegewogen de ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader ten tijde van het feit maar ook ten tijde van de zitting of de omstandigheden waaronder het feit is begaan. Daarnaast dient ook gekeken worden of in de toekomst nog psychische groei bij de verdachte kan worden verwacht.
De psycholoog en de raadsonderzoeker adviseren het jeugdstrafrecht toe te passen, maar de rechtbank ziet daartoe geen aanleiding en acht daartoe het volgende redengevend.
De verdachte heeft een zeer ernstig strafbaar feit begaan. Hij heeft immers op school, in het bijzijn van zijn leerkracht en klasgenoten, het slachtoffer met een mes in zijn gezicht gesneden. Daarbij is hij berekenend te werk gegaan. De rechtbank weegt over de persoonlijkheid van de verdachte mee hetgeen de psycholoog in het rapport heeft gerelateerd over de persoonlijkheidsstoornis in ontwikkeling met overwegend antisociale en narcistische trekken en de posttraumatische stressstoornis bij de verdachte. De verdachte is zonder zijn ouders naar Nederland gekomen. Hij heeft aangegeven dat hij verantwoordelijkheid wil nemen, nu het geloof dat voorschrijft, maar zijn gedrag laat dit niet zien. De psycholoog geeft aan dat de verdachte zegt dat hij iets verkeerd heeft gedaan en dat het een grote fout was, maar in zijn non-verbale gedrag blijkt dat nergens uit. Hij maakt een nonchalante en soms arrogante, ongenaakbare indruk. Hij lijkt de ernst van de zaak totaal niet in te zien. Hij vindt niet dat hij hulp nodig heeft en er zijn geen dingen die hij wil veranderen. Deze houding ziet de rechtbank ook ter terechtzitting. De verdachte reageert, als zaken niet gaan zoals hij wil, direct agressief. De verdachte geeft aan in Nederland een leven op te willen bouwen, maar zijn gedrag correspondeert daar niet mee. Zo was er regelmatig sprake van schoolverzuim. De dag dat het incident plaatsvond was een dag was waarop hij, in uitzondering op de regel, aanwezig was op school.
Tijdens zijn detentie hebben zich verschillende incidenten voorgedaan, zo blijkt uit de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming van 1 september 2026. Zo heeft de verdachte een arm van de groepsleidster weggeslagen, heeft hij een andere jongen geslagen, heeft hij een grote mond, stelt hij zich dwingend op naar personeel, wordt hij heel boos als hij ‘nee’ te horen krijgt, blijft hij volharden om te krijgen wat hij wil en vindt hij geen aansluiting bij leeftijdsgenoten. Zijn gedrag is bovendien verergerd sinds hij een negatieve beschikking heeft gehad over zijn verblijf in Nederland.
De verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat hij veranderd is sinds het incident. Dit strookt echter niet met zijn gedrag. Integendeel. Ook na 50 dagen detentie laat de verdachte aan de Raad weten dat, als hij beledigd wordt, hij diegene een pak slaag zal geven. Dat hij gemotiveerd zou zijn om zijn leven een andere wending te geven en in Nederland een delictvrij leven op te bouwen acht de rechtbank dan ook ongeloofwaardig. Van enige psychische groei lijkt naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake.
Daarbij laat verdachte berekenend gedrag zien. Niet alleen voor en tijdens het plegen van het strafbare feit - de daad werd immers feitelijk aangekondigd middels berichten aan het slachtoffer waarna de verdachte zijn moment in de klas heeft afgewacht om met een door hem meegenomen mes toe te slaan en daarna te vluchten- maar ook tijdens de terechtzitting. Op de vraag of hij spijt had verklaarde de verdachte tot tweemaal toe dat hij excuses moet aanbieden van zijn geloof.
Dit heftige feit, de persoonlijkheid van de dader die onmiskenbaar duidt op iemand die nauwelijks te sturen is en die school niet van belang vindt en het feit dat de strafbare daad door de verdachte op een berekenende manier is gepleegd welke berekenende houding de verdachte door heeft getrokken naar de terechtzitting, brengen de rechtbank tot de conclusie dat volwassenenstrafrecht die te worden toegepast.
De rechtbank zal, gelet op vorenstaande, dan ook het volwassenenstrafrecht toepassen.
Straf
De officier van justitie is bij haar strafeis uitgegaan van de toepassing van het jeugdstrafrecht. De rechtbank komt, zoals hiervoor overwogen tot een andere conclusie namelijk de toepassing van het volwassenenstrafrecht. Daar horen vanzelfsprekend ook andere strafmodaliteiten bij.
Bij de bepaling van de straf zal de rechtbank als uitgangspunt nemen de inmiddels vaste jurisprudentie van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch, waaruit volgt dat voor een poging tot doodslag doorgaans een gevangenisstraf van vijf jaren wordt opgelegd. De vraag die zich aandient is of er redenen zijn om van dit uitgangspunt af te wijken. De rechtbank ziet, gelet op hetgeen hiervoor over de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd en de houding van de verdachte is opgemerkt, enkel redenen om in strafverzwarende zin van dit uitgangspunt af te wijken.
De rechtbank weegt tot slot strafverzwarend mee dat de verdachte als asielzoeker in Nederland dit feit heeft gepleegd. Gedurende de asielprocedure is hem onderdak en onderwijs geboden. Hij zocht hier een veilig onderkomen, terwijl hij gevaar veroorzaakte voor anderen. Bovendien heeft het plegen van een dergelijk feit door een asielzoeker als verdachte een grote negatieve impact op het maatschappelijke en politieke draagvlak voor de opvang van vluchtelingen. Ook dit rekent de rechtbank de verdachte aan. Naar het oordeel van de rechtbank dient dan ook een forse straf te worden opgelegd om een signaal af te geven dat dit gedrag niet geaccepteerd wordt.
Alles overwegende acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van het voorarrest passend en geboden en zal de verdachte dan ook hiertoe veroordelen.
7. De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
De vordering van de benadeelde partijen
[slachtoffer]
De benadeelde partij, [slachtoffer] , vordert schadevergoeding tot een bedrag van
€ 61.024,02. Deze vordering is opgebouwd uit de navolgende posten:
reiskosten: € 24,02;
toekomstige schade: € 5.000,-;
immateriële schade: € 56.000,-.
[naam 6]
De benadeelde partij, [naam 6] , vordert schadevergoeding tot een bedrag van € 5.000,-. Dit betreft immateriële schade veroorzaakt door het onrechtmatig toebrengen van een hevige emotionele schok.
De benadeelde partijen hebben verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van beide vorderingen tot schadevergoeding.
Het standpunt van de verdediging
[slachtoffer]
De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de reiskosten. Ten aanzien van de toekomstige kosten heeft de verdediging bepleit de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren. Ten aanzien van de immateriële schade heeft de raadsvrouw verzocht deze te matigen en toe te wijzen tot een bedrag van € 15.000,- tot € 20.000,-.
[naam 6]
Ten aanzien van de schadevergoeding van [naam 6] heeft de raadsvrouw verzocht deze af te wijzen of de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair deze te matigen. Volgens de raadsvrouw is niet voldaan aan de vereisten voor schokschade, nu er geen directe confrontatie was met het misdrijf, maar met het letsel achteraf, en was deze confrontatie niet onverhoeds. Er heeft weliswaar een verslechtering plaatsgevonden van de reeds bestaande depressieve klachten, maar deze zijn onvoldoende om te kunnen spreken van geestelijk letsel zoals bedoeld. Bovendien is er geen causaal verband tussen het geestelijk letsel en de emotionele schok van de confrontatie.
Het oordeel van de rechtbank
[slachtoffer]
Reiskosten
Dit gedeelte van de vordering is door de verdediging niet weersproken. Nu de vordering de rechtbank ook niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt, acht de rechtbank de vordering voor wat betreft de reiskosten toewijsbaar voor een bedrag van € 24,02.
Toekomstige schade
Ten aanzien van de materiële schadepost ‘toekomstige kosten’, ziet deze post op de
mogelijk aanvullende (medische/behandel/reis)kosten. Deze kosten zijn niet nader onderbouwd. De rechtbank stelt vast dat op dit moment onduidelijk is of, en zo ja in welke omvang, die schade zich zal verwezenlijken en aan de verdachte zal kunnen worden toegerekend. Begroting van deze mogelijk toekomstige schade levert, bij gebrek aan onderbouwing en gelet op de betwisting een te grote belasting op voor het strafproces, reden waarom zoals ook al door de raadsvrouw van de benadeelde partij zelf aangegeven de rechtbank zal bepalen dat [slachtoffer] voor dit deel (€ 5.000,-) niet-ontvankelijk is in de vordering.
Immateriële schade
De wet regelt in artikel 6:106 BW de vergoeding van ‘ander nadeel’ dan vermogensschade. Volgens artikel 6:106 lid 1 BW komt in de volgende gevallen (samengevat) vergoeding van ander nadeel in aanmerking:
wanneer het oogmerk bestond zodanig nadeel toe te brengen (het oogmerk is gericht op smart);
ij lichamelijk letsel, aantasting in de eer of goede naam of aantasting van de persoon op andere wijze;
bij aantasting van de nagedachtenis van de overledene.
De benadeelde partij heeft door het bewezenverklaarde feit lichamelijk letsel opgelopen: hij had een diepe snijverwonding van zijn oor over zijn wang. Reeds hierdoor kan een vergoeding voor immateriële schade worden toegekend. De verdediging heeft de hoogte van deze vordering betwist.
De rechtbank heeft bij de bepaling van de hoogte van de schadevergoeding gelet op de jonge leeftijd van de benadeelde partij, de weerslag die de verwonding heeft op zijn sociale leven en de aard en omvang van het litteken. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij onderdeel 9.2: misvorming van het gezicht, categorie b: ernstige littekenvorming van de Rotterdamse schaal. De rechtbank acht een bedrag van € 33.000,- billijk en zal de vordering voor dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Ten aanzien van het meer gevorderde zal der rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren.
[naam 6]
Schokschade
Van schokschade is sprake als bij een secundair slachtoffer, in dit geval de moeder van het slachtoffer, een hevige emotionele schok is teweeggebracht door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen daarvan, waaruit vervolgens geestelijk letsel voortvloeit. De Hoge Raad heeft – kort gezegd – bepaald dat de rechter aan de hand van verschillende gezichtspunten, zoals de aard en ernst van de primaire normschending, de wijze van confrontatie en de aard en hechtheid van de relatie tussen het primaire en secundaire slachtoffer, moet beoordelen of ook jegens het secundaire slachtoffer onrechtmatig gehandeld is. Verder is vereist dat er sprake is van naar objectieve maatstaven vastgesteld geestelijk letsel.
De vraag is dus of in deze zaak door de moeder voldoende onderbouwd is dat voldaan is aan deze vereisten.
De moeder van het slachtoffer is in het ziekenhuis geconfronteerd met de aanblik van haar zoon en de grote snee in zijn gezicht, die op dat moment nog niet was gehecht of verbonden.
De rechtbank heeft de foto’s van deze wond gezien en kan zich heel goed voorstellen dat deze aanblik een grote impact heeft gehad op haar. Bovendien is door haar onderbouwd dat haar reeds bestaande psychische klachten zijn verergerd door wat haar zoon is overkomen. Dit is door de praktijkondersteuner van de huisarts van het [naam 8] bevestigd.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder van het slachtoffer voldoende heeft onderbouwd dat voldaan is aan de hiervoor genoemde vereisten en zal een vergoeding van schokschade toekennen. De rechtbank beschouwt een bedrag van € 5.000,- als een billijke vergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2026 en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
8. De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 36f, 45 en 278 van het Wetboek van Strafrecht.
9. De beslissing
De rechtbank:
Bewezenverklaring
Strafbaarheid
Straf
Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
[slachtoffer]
[naam 6]
- wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam 6] toe en veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij van een bedrag van
€ 5.000,-, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 maart 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.M.W. Nuijts, voorzitter, mr. D. Osmić en mr. K. Bruns, rechters, van wie mrs. D. Osmić en M.E.M.W. Nuijts, kinderrechters, in tegenwoordigheid van J.G.A.M. Spijkers, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 21 september 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 9 maart 2026 te Maastricht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [slachtoffer] van het leven te beroven, die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp voorwerp, in het oor en/of in het gezicht heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 9 maart 2026 te Maastricht aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht, door die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp voorwerp, in het oor en/of in het gezicht te snijden;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:hij op of omstreeks 9 maart 2026 te Maastricht ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen die [slachtoffer] met een mes, althans met een scherp voorwerp, in het oor en/of in het gezicht heeft gesneden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.