RECHTBANK LIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12320712 \ CV EXPL 26-3920
Vonnis in kort geding van 25 september 2026
in de zaak van
[werknemer] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. A.J.M. Ploegman (FNV),
tegen
[werkgever] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
in rechte verschenen.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties- de mondelinge behandeling van 20 augustus 2026, waarbij eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. Ploegman, en namens gedaagde is verschenen de heer [persoon 1]- de pleitnota met producties van gedaagde.
Vervolgens is vonnis bepaald.
2. Het geschil
Eiseres vordert om gedaagde te veroordelen:
I. tot betaling aan eiseres van het achterstallige loon over de periode februari tot en met juni 2026, uitgaande van een bruto maandsalaris van € 2.306,25 exclusief emolumenten, onder aftrek van de nadien verrichte netto deelbetalingen van in totaal € 2.650,00, voor zover deze betalingen op het achterstallige loon vanaf februari 2026 betrekking hebben;
II. tot betaling aan eiseres van € 1.282,50 bruto aan vakantiebijslag, opgebouwd over de periode oktober 2025 tot en met mei 2026;
III. tot tijdige betaling aan eiseres van het juiste loon van € 2.306,25 bruto per maand exclusief emolumenten, vanaf 1 juli 2026 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, telkens uiterlijk aan het einde van de betreffende kalendermaand en onder gelijktijdige verstrekking van deugdelijke loonspecificaties;
IV. tot verstrekking aan eiseres van de ontbrekende loonstroken vanaf indiensttreding en de jaaropgave 2025, binnen 48 uur na dit vonnis, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte van een dag dat gedaagde hiermee in gebreke blijft;
V. tot inschakeling van de bedrijfsarts of arbodienst binnen 48 uur na dit vonnis, zodat de re-integratieverplichtingen op deugdelijke wijze kunnen worden opgevolgd en eiseres de noodzakelijke begeleiding tijdens haar arbeidsongeschiktheid ontvangt, op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte van een dag dat gedaagde hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,00;
VI. tot betaling aan eiseres van € 1.092,80 inclusief btw aan buitengerechtelijke incassokosten berekend over de gevorderde hoofdsom van € 12.813,75 bruto;
VII. tot betaling aan eiseres van de maximale wettelijke verhoging van 50% over de onder I, II en III gevorderde bedragen vanaf de dag dat die bedragen zijn verschuldigd;
VIII. tot betaling aan eiseres van de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW over de hiervoor genoemde bedragen vanaf de respectieve opeisbaarheidsdata tot aan de dag van algehele voldoening;
IX. in de kosten van deze procedure.
Eiseres legt aan haar vordering - kort samengevat - het volgende ten grondslag.
Op 1 oktober 2025 is eiseres bij gedaagde in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd tot en met 31 december 2025.
De functie van eiseres was ‘Eventmedewerker en managementondersteuning m.b.t. [werkgever] ’. Volgens eiseres is haar dienstverband met gedaagde per 1 januari 2026 verlengd tot en met 30 september 2026 en is de arbeidsomvang uitgebreid naar 30 uur per week. Het salaris bedraagt vanaf 1 januari 2026 € 2.250,00 bruto per maand. Op de arbeidsovereenkomst is de cao Horeca 2025-2026 van toepassing. Vanaf medio februari 2026 heeft gedaagde het salaris van eiseres niet meer voldaan. Daarnaast heeft gedaagde vanaf aanvang dienstverband geen loonstroken verstrekt en heeft eiseres geen jaaropgave ontvangen. Eiseres is sinds 21 april 2026 arbeidsongeschikt. Gedaagde heeft de arbodienst tot op heden niet ingeschakeld.
Gedaagde voert verweer. Gedaagde stelt zich - kort gezegd - op het standpunt dat het contract van eiseres helemaal niet verlengd is, maar dat eiseres in januari 2026 in dienst is getreden bij (de bv van) de heer [persoon 2] . De door eiseres overgelegde verlengde arbeidsovereenkomst met gedaagde is vals. Gedaagde heeft eiseres wat geld geleend omdat [persoon 2] haar niet betaalde.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
3. De beoordeling
Eiseres heeft haar vorderingen in kort geding aan de kantonrechter voorgelegd.
Bij een voorziening in kort geding dient eiseres een spoedeisend belang te hebben. In dit geval gaat het om de beoordeling van een loonvordering. In de aard daarvan ligt doorgaans spoedeisendheid besloten, omdat het gevorderde in het algemeen nodig is om in het levensonderhoud te kunnen voorzien. Eiseres heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij al maanden zonder inkomen zit en bij familie en vrienden geld moet lenen om rond te kunnen komen. Om die reden wordt aangenomen dat de uitkomst van een bodemprocedure niet kan worden afgewacht en is een spoedeisend belang aanwezig.
Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van het in kort geding gevorderde gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in een kort geding procedure geen plaats is voor bewijslevering.
Het gaat in deze zaak in de eerste plaats om de vraag of er tussen partijen met ingang van 1 januari 2026 een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen.
Een overeenkomst moet als arbeidsovereenkomst aangemerkt worden als is voldaan aan de elementen ‘loon’, ‘gezag’ en ‘arbeid’ (artikel 7:610 BW). Daarbij moet rekening worden gehouden met de omstandigheden van het geval en de manier waarop partijen invulling hebben gegeven aan de overeenkomst. Voor de kwalificatie is niet van belang of partijen de bedoeling hadden de overeenkomst onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen.
Tussen partijen is niet in geschil dat er tussen hen van 1 oktober tot en met 31 december 2025 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft bestaan.
Eiseres stelt dat aansluitend opnieuw een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd is gesloten, lopende van 1 januari 2026 tot en met 30 september 2026, hetgeen door gedaagde nadrukkelijk wordt betwist. Volgens gedaagde trad eiseres in januari 2026 in dienst van de heer [persoon 2] .
De kantonrechter is van oordeel dat het, gelet op de betwisting door gedaagde, aan eiseres is om het bestaan van een tweede arbeidsovereenkomst tussen partijen te bewijzen.
Eiseres heeft een arbeidsovereenkomst in het geding gebracht die ziet op de periode van 1 januari tot en met 30 september 2026 (productie 3 bij dagvaarding). Deze is echter alleen door eiseres ondertekend, en niet door gedaagde. Dit stuk kan daarom niet dienen als bewijs. De kantonrechter heeft echter gelet op navolgende omstandigheden.
Als niet, althans onvoldoende, weersproken staat vast dat eiseres vanaf februari 2026 de volgende betalingen heeft ontvangen:
Op 9 februari 2026 een bedrag van € 1.386,46 netto, betaald door de heer [persoon 2] ,
Op 10 februari 2026 een bedrag van € 750,00 netto, betaald door gedaagde.
Op 9 maart 2026 een bedrag van € 750,00 netto, betaald door gedaagde.
Op 12 april 2026 een bedrag van € 1.900,0 netto, betaald door gedaagde.
Ten aanzien van de laatste twee betalingen stelt eiseres dat dit loon is, althans een deel van het loon. Het bedrag van € 750,00 dat op 9 maart 2026 door gedaagde is betaald, ziet volgens eiseres op een deel van het aan haar verschuldigde loon over februari 2026. Het bedrag van € 1.900,00 dat gedaagde op 12 april 2026 heeft betaald, heeft betrekking op het loon over maart 2026, aldus eiseres. Tijdens de mondelinge behandeling heeft eiseres via haar bankgegevens op haar telefoon de betalingen die in februari en maart 2026 zijn gedaan, aan de kantonrechter laten zien. De kantonrechter heeft vastgesteld dat bij die betalingen [werkgever] B.V. stond vermeld. Gedaagde stelt dat de betalingen die hij heeft gedaan, leningen zijn nu eiseres zonder inkomen zat omdat haar nieuwe werkgever [persoon 2] haar niet betaalde. Gedaagde heeft ook geld geleend aan sommige andere werknemers die het slachtoffer waren van oplichter [persoon 2] . Deze visie van gedaagde wordt door eiseres betwist.
Dat het om leningen zou gaan, heeft gedaagde op geen enkele wijze aangetoond. Zo wordt dit bijvoorbeeld niet vermeld bij de omschrijving van de betaling. Evenmin is er een overeenkomst van geldlening opgesteld. Gelet op de herkomst van het geld en hetgeen hierna nog wordt overwogen met betrekking tot verrichtte werkzaamheden is het niet logisch om een duidelijke omschrijving in de zin van “lening” achterwege te laten als het daarom zou zijn gegaan. Tenslotte heeft [werkgever] B.V. in het geheel niet duidelijk gemaakt waarom zij een persoon met wie zij geen bijzondere relatie heeft (immers ex werknemer die slechts een kort dienstverband heeft gehad) geld zou lenen omdat de huidige werkgever niet betaalt.
Het is naar het oordeel van de kantonrechter daarom voorshands voldoende aannemelijk dat het om uitbetaling van salaris gaat. Daarmee is aan een van de elementen van de arbeidsovereenkomst, namelijk dat er sprake is van ‘loon’, voldaan.
Eiseres heeft daarnaast aangevoerd dat zij steeds aan gedaagde heeft gevraagd om het dienstverband schriftelijk vast te leggen. Zij heeft in dit verband erop gewezen - en aangetoond - dat gedaagde haar op 10 april 2026 via whatsapp een concept arbeidsovereenkomst heeft gestuurd (productie 17 bij dagvaarding). Eiseres heeft deze overeenkomst getekend en op 20 april 2026 via mail aan gedaagde geretourneerd. Het klopt dat deze overeenkomst niet is getekend door [werkgever] B.V. maar deze heeft ook niet verklaard waarom zij een concept arbeidsovereenkomst naar eiseres heeft gestuurd terwijl deze in dienst zou zijn bij een ander.
Desgevraagd heeft eiseres tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij altijd aanwijzingen kreeg van de heer [persoon 1] , directeur van gedaagde, en nooit van de heer [persoon 2] . Eiseres zou in 2026 in de horeca en evenementen werken, en heeft altijd alles met gedaagde, in de persoon van de heer [persoon 1] , besproken en samen aan de taken gewerkt. Eiseres heeft in dit verband gewezen op het appverkeer tussen haar en gedaagde waaruit blijkt dat gedaagde haar als een werknemer beschouwde. Zo correspondeerde gedaagde op 13 april 2026 via whatsapp met eiseres over evenementen en te regelen zaken (productie 19 dagvaarding). Gedaagde schrijft onder meer: ‘1. Wanneer is het ontwerp klaar voor de a5 standaard op de tafels met de agenda plus promocode. 2. Idem ontwerp banner. (…) Zoals afgesproken, niks gedrukt voor mijn uitdrukkelijk ok. Is de dame van copycenter al terug. Of was dat vorige week dinsdag al? Zijn de weekenden open voor hotelboekingen met de optredens? (…)’ Eiseres stuurt daarop de volgende reactie: ‘Ok. Ik stuur je morgen overzicht met de planning van alles. Heb 40 up 11 juli gevraagd voor nieuwe datum. Kan dat gelijk goed overal op. Heb vorige week nog facebook gedaan. Is er klein budget betaald voor betaald adverteren? 23 april ga ik sowieso met flyers (zelfde als stakaarten dus hele agenda)naar Nightfever in Mecc. Uiteraard laat ik jou eerst alles goedkeuren.’
Twee dagen later volgde van gedaagde een e-mail over het evenementenoverzicht (productie 20 dagvaarding). Gedaagde schrijft: ‘Hoi, In de bijlage een overzicht om morgen of vrijdag te bespreken.’
Uit deze berichtenwisseling is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk geworden dat eiseres werkzaamheden heeft verricht voor gedaagde, en daarbij onder gezag van gedaagde stond.
Op 21 april 2026 heeft eiseres zich bij gedaagde ziek gemeld. De kantonrechter stelt vast dat gedaagde zich vervolgens druk heeft gemaakt over het feit dat eiseres, ondanks dat zij zich ziek heeft gemeld, wel bij een andere werkgever aan het werk blijft. Op 2 juni 2026 heeft gedaagde eiseres zelfs onaangekondigd bezocht op haar andere werkplek om haar daarmee te confronteren. Het feit dat gedaagde hierover zo verbolgen is, strookt niet met haar stelling dat er tussen eiseres en gedaagde geen arbeidsovereenkomst meer bestaat.
Naar het oordeel van de kantonrechter is uit de betalingen die gedaagde aan eiseres heeft verricht, het toesturen van een arbeidscontract, het appverkeer over het werk, en het feit dat gedaagde er verbolgen over was dat eiseres wel bij haar andere werkgever bleef werken terwijl zij zich bij gedaagde had ziekgemeld, voldoende aannemelijk geworden dat het dienstverband tussen partijen met ingang van 1 januari 2026 met 9 maanden is verlengd. De op dit dienstverband gebaseerde loonvorderingen komen de kantonrechter niet onrechtmatig voor en zijn daarom in kort geding toewijsbaar.
Gelet op het feit dat het dienstverband op zeer korte termijn, namelijk op 30 september 2026, tot een rechtsgeldig einde komt, acht de kantonrechter geen belang meer aanwezig om gedaagde te veroordelen een bedrijfsarts of arbodienst in te schakelen. Deze vordering zal dan ook worden afgewezen.
Aan de gevorderde dwangsom die is gekoppeld aan het verstrekken van loonstroken en de jaaropgave zal een maximum worden verbonden van € 2.500,00.
Gedaagde is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [werknemer] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
155,67
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
865,00
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.429,67
4. De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen het achterstallige loon over de periode februari tot en met juni 2026, uitgaande van een bruto maandsalaris van € 2.306,25 exclusief emolumenten, onder aftrek van de nadien verrichte netto deelbetalingen van in totaal € 2.650,00, voor zover deze betalingen op het achterstallige loon vanaf februari 2026 betrekking hebben, te vermeerderen met de wettelijke verhoging vanaf de dag dat de loonbedragen zijn verschuldigd tot de dag van voldoening,
veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen een bedrag van € 1.282,50 bruto aan vakantiebijslag, opgebouwd over de periode oktober 2025 tot en met mei 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging vanaf de dag dat dit bedrag is verschuldigd tot de dag van voldoening,
veroordeelt gedaagde tot tijdige betaling aan eiseres van het juiste loon van
€ 2.306,25 bruto per maand exclusief emolumenten vanaf 1 juli 2026 tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd, telkens uiterlijk aan het einde van de betreffende kalendermaand en onder gelijktijdige verstrekking van deugdelijke loonspecificaties, te vermeerderen met de wettelijke verhoging vanaf de dag dat de loonbedragen zijn verschuldigd tot de dag van voldoening,
veroordeelt gedaagde tot verstrekking aan eiseres van de ontbrekende loonstroken vanaf indiensttreding en de jaaropgave 2025, binnen 4 weken na de datum van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 per dag of gedeelte van een dag dat gedaagde hiermee in gebreke blijft tot een maximum van € 2.500,00,
veroordeelt gedaagde om aan eiseres aan buitengerechtelijke incassokosten te betalen een bedrag van € 1.092,80 inclusief btw,
veroordeelt gedaagde om aan eiseres te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de hiervoor toegewezen bedragen, vanaf de respectieve opeisbaarheidsdata tot de dag van voldoening,
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 1.429,67, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026.