beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/462488 / FA RK 26-344
Datum uitspraak: 24 september 2026
beschikking wijziging gezag, zorg-/omgangsregeling, kinder- en partneralimentatie
in de zaak van
[de vader] , hierna de vader,
wonende te [woonplaats] ,
advocaat mr. J.A. Leclercq-Swinkels te Eindhoven,
tegen
[de moeder] , hierna de moeder,
wonende te [woonplaats] , feitelijk ook verblijvende in [stad] ,
advocaat mr. I.P. Rietveld te Arnhem.
1. Het verdere verloop van de procedure
De rechtbank heeft bij beschikking van 28 mei 2026 de vader niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzoek een provisionele voorziening te treffen ten aanzien van de partneralimentatie. Voor het verloop van de procedure tot 28 mei 2026 verwijst de rechtbank naar deze eerdere beschikking.
Bij vonnis in kort geding van 16 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter de vorderingen van de moeder om aan haar vervangende toestemming te verlenen om met [het kind] op vakantie te gaan en de vader (daarvoor) te gelasten het paspoort van [het kind] aan de moeder af te geven afgewezen.
Daarna heeft de rechtbank nog ontvangen:
- het gewijzigde verzoek van de vader met bijlage 20 t/m 29 van 14 augustus 2026;
- het F9-formulier van de vader van 14 augustus 2026 met bijlage;
- het verweerschrift van de moeder van 16 augustus 2026;
- het F9-formulier van de moeder van 26 augustus 2026 met productie 1 t/m 4.
Tijdens de mondelinge behandeling van 27 augustus 2026 zijn gehoord:
- de vader, bijgestaan door mr. J.A. Leclercq-Swinkels;
- de moeder, bijgestaan door mr. I.P. Rietveld.
De moeder is tijdens de zitting bijgestaan door een tolk.
2. De verdere beoordeling
Waar gaat het over?
Partijen zijn de ouders van [het kind], geboren op [geboortedatum] in [geboorteplaats] .
De ouders zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
De vader verzoekt (na wijziging), voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Primair:
1. de door hem te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2021 op nihil te stellen;
Subsidiair:
2. de door hem te betalen partneralimentatie met ingang van 1 januari 2026 op nihil te stellen;
In alle gevallen:
3. voor recht te verklaren dat er geen sprake is van achterstallige indexering;
4. te bepalen dat de moeder met ingang van 1 januari 2026 met € 554 per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] , vanaf heden bij vooruitbetaling te voldoen;
5. het gezamenlijk gezag te beëindigen en te bepalen dat het ouderlijk gezag over [het kind] voortaan alleen aan de vader toekomt;
6. de bij beschikking van 2 september 2025 vastgestelde zorgregeling, althans omgangsregeling, te wijzigen en te bepalen dat er geen regeling meer is tussen de moeder en [het kind] ;
7. de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure.
De moeder voert verweer en verzoekt de verzoeken van de vader af te wijzen en een zorg-/omgangsregeling vast te stellen als volgt:
dat [het kind] drie van de zes weken van de zomervakantie en alle overige vakanties bij de moeder doorbrengt, ook in Dubai , waarbij de moeder zal zorgdragen voor de kosten van de vliegtickets en waarbij de vader het paspoort van [het kind] tenminste drie dagen van tevoren afgeeft aan de moeder. De vakanties beginnen op de laatste schooldag om 15.00 uur en eindigen de dag voor de eerste schooldag om 15.00 uur;
dat vervangende toestemming wordt verleend voor de schoolvakanties in Dubai ;
dat, in de maanden dat de moeder in Nederland is, er een zorg-/omgangsregeling is waarbij [het kind] van zondag 17.00 uur tot vrijdag naar school bij de moeder is;
dat de moeder en [het kind] dagelijks tenminste 15 minuten kunnen videobellen zonder aanwezigheid van de vader op de dagen dat de moeder en [het kind] niet bij elkaar zijn.
Raadsonderzoek
De rechtbank heeft onvoldoende informatie om nu een beslissing te kunnen nemen over het gezag, de zorg-/omgangsregeling, de vakanties en de vervangende toestemming voor de vakanties. De rechtbank zal daarom de Raad vragen onderzoek te doen en te rapporteren. Beide ouders hebben zich bereid verklaard om aan dit onderzoek mee te werken.
De verhalen, standpunten en toekomstwensen van de ouders staan lijnrecht tegenover elkaar. De vader stelt dat de moeder, mede door haar (definitieve) vertrek naar Dubai , niet bereikbaar en beschikbaar genoeg is om invulling te geven aan haar rol als gezaghebbende ouder en niet ziet wat [het kind] nodig heeft. De vader heeft stukken overgelegd van school waaruit blijkt dat de moeder geen - of niet direct - toestemming geeft voor hulp en dat zij niet bereikbaar is voor overleg. De moeder stelt dat zij wel toestemming geeft en altijd op mails van school reageert. Zij heeft verteld dat zij het tweede MDO niet aanwezig was, omdat dit zo was afgesproken na het eerste MDO waar bleek dat zij door de taalbarrière te weinig meekreeg om op zinvolle wijze deel te nemen aan het gesprek. Volgens haar is vervolgens afgesproken dat de uitkomsten van het overleg voortaan na afloop per mail met haar gedeeld worden waarna zij deze stukken laat vertalen en zo nodig inhoudelijk reageert. De moeder staat achter hulp en begeleiding voor [het kind] , maar wil ook ruimte om zich in te lezen en na te denken voor zij toestemming geeft.
Daarnaast zijn de ouders het niet eens over welke zorg-/omgangsregeling en verdeling van de vakanties past bij wat [het kind] nodig heeft. Sinds het vertrek van de moeder naar Dubai wordt de bij beschikking van 1 september 2025 vastgestelde zorgregeling niet meer nagekomen en bepaalt de moeder zelf wanneer zij naar Nederland komt om [het kind] te zien. Zij wil [het kind] dan zien op de dagen die de rechtbank heeft vastgesteld, maar dat is voor de vader geen werkbare situatie, omdat de moeder niet communiceert, doet wat haar uitkomt en niet betrouwbaar is. De vader wil dat voor [het kind] duidelijk is wanneer zij haar moeder ziet en dat de moeder deze afspraken dan ook nakomt. Het komt volgens hem te vaak voor dat de moeder haar plannen omgooit en ineens verschijnt of ineens verdwijnt. Volgens hem geeft school duidelijk aan dat [het kind] hier heel veel last van heeft, net als hijzelf. Als de moeder geen duidelijkheid kan geven over wanneer zij in Nederland voor [het kind] kan zorgen of onbetrouwbaar blijft in het nakomen van afspraken, is er volgens hem geen (vaste) regeling mogelijk. Wel zal hij altijd contactmomenten toestaan, omdat hij het belangrijk vindt dat [het kind] en haar moeder elkaar kunnen zien. De vader maakt zich ook zorgen over de zorg voor [het kind] als zij bij de moeder in Dubai verblijft. Volgens hem wordt de partner van de moeder internationaal gezocht. Ook weet hij niet hoe de moeder de opvang voor [het kind] in Dubai wenst te regelen als zij moet werken. Tot slot heeft hij bezwaar tegen dagelijks videobelcontact tussen de moeder en [het kind] . De moeder belt bijvoorbeeld vanaf het strand of vanuit het vliegtuig, terwijl [het kind] in een schoolweek zit. Hij ervaart te weinig afstemming richting [het kind] en haar leefwereld en dit geeft teveel onrust.
De moeder meent dat [het kind] in twee landen kan opgroeien en zoveel mogelijk tijd met haar moeder moet kunnen doorbrengen. Zij stelt dat [het kind] zich thuis voelt in Dubai . De moeder wil ongeveer de helft van de tijd doorbrengen in Nederland en de helft van de tijd in Dubai waar zij een leven aan het opbouwen is. De moeder huurt een appartement in Dubai en gaat daar per september 2026 starten met een nieuwe baan als makelaar. De partner van de moeder woont ook in Dubai , maar zij wonen niet samen. Ook heeft de moeder nog steeds een (huur)woning in Nederland waar zij verblijft als zij hier is. Zij weet nog niet wanneer zij waar zal verblijven. Het liefst wil ze dat [het kind] tijdens schoolvakanties twee weken bij haar in Dubai is en daarna twee weken met de moeder in Nederland verblijft van zondag tot vrijdag naar school.
De rechtbank heeft zorgen dat de moeder onvoldoende lijkt te beseffen dat [het kind] niet elke maand vakantie heeft en naar Dubai kan. Zij is leerplichtig en heeft bovendien in Nederland haar eigen leven met school, sport en andere activiteiten. De moeder heeft verteld dat zij in Dubai zal moeten werken als [het kind] bij haar verblijft, maar kan nog geen antwoord geven op hoe zij de opvang van [het kind] op die momenten wil regelen. Ook kan de moeder geen concreet antwoord geven op de vraag welke periodes zij in Nederland kan zijn.
De rechtbank heeft onvoldoende informatie om te kunnen inschatten welke regeling en welke verdeling van vakanties (inclusief in welk land) past bij wat [het kind] aankan. Uit de stukken van school blijkt dat [het kind] regelmatig boos wordt en moeite heeft om haar emoties te reguleren. Tijdens zulke momenten kan zij andere kinderen pijn doen of met spullen gooien en het lukt haar dan niet altijd om zelf weer tot rust te komen. School acht hulp vanuit Intraverte noodzakelijk en dat is inmiddels opgeschaald naar Incluzio. Er is een melding bij Veilig Thuis gedaan omdat er niet tijdig toestemming vanuit de moeder kwam voor de inzet van deze hulpverlening. De moeder stelt dat zij wel toestemming heeft gegeven. De rechtbank acht het noodzakelijk dat de Raad spreekt met school en de betrokken hulpverlening omdat niet helder is in hoeverre de moeder wel of geen toestemming geeft voor hulp en ondersteuning voor [het kind] , niet duidelijk is hoe de samenwerking tussen de instanties en de moeder verloopt en onduidelijk is wat de gemeente wil inzetten tussen ouders en of er nog mogelijkheden worden gezien om discussies en problemen tussen hen te verminderen.
De rechtbank verzoekt de Raad onderzoek te doen en de volgende vragen te beantwoorden:
is éénhoofdig gezag, zoals wordt verzocht door de vader in het belang van [het kind] ? In hoeverre is er een onaanvaardbaar risico dat [het kind] klem of verloren raakt tussen de ouders en is niet te verwachten dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering komt of is wijziging van het gezag om andere redenen in het belang van [het kind] noodzakelijk?
is een wijziging van de zorg-/omgangsregeling, zoals door de vader verzocht, in het belang van [het kind] ?
is een wijziging van de zorg-/omgangsregeling waaronder videobelcontact, zoals door de moeder verzocht, in het belang van [het kind] ?
zijn er omstandigheden die een zorg-/omgangsregeling belemmeren? Zo ja, welke komen vanuit het kind en welke vanuit de ouder(s)? Hoe en op welke termijn zijn deze omstandigheden op te heffen?
hoe zou een zorg-/omgangsregeling en de verdeling van de vakanties (vorm en frequentie en locatie) er in het belang van [het kind] uit moeten zien?
in hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in voornoemde vragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de te nemen beslissing?
De rechtbank houdt de beslissing over het gezag, de zorg-/omgangsregeling, de vakanties en de vervangende toestemming voor de vakanties aan en bepaalt dat de zaak weer op een zitting wordt gepland in de periode april/mei 2027 bij voorkeur bij mr. C.M. Koopman. De Raad wordt verzocht om het raadsrapport uiterlijk twee weken voorafgaand aan de te plannen zitting aan de rechtbank en (de advocaten van) partijen beschikbaar stellen. De advocaten van partijen worden verzocht om vervolgens zo spoedig mogelijk, maar uiterlijk drie dagen voor de zitting de rechtbank én de Raad schriftelijk te informeren over hun nadere standpunten. Indien partijen naar aanleiding van het raadsrapport een andere voortgang van de procedure wensen, bijvoorbeeld een schriftelijke beslissing zonder nadere zitting, dan dienen zij de rechtbank hierover zo spoedig mogelijk te berichten.
Wijziging partneralimentatie
De rechtbank zal de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op nihil stellen met ingang van 1 januari 2026. De rechtbank zal deze beslissing uitleggen.
Huwelijksgerelateerde behoefte
De rechtbank heeft bij beschikking van 1 september 2025 de huwelijksgerelateerde behoefte vastgesteld op € 2.537 netto per maand. Geïndexeerd naar 2026 is dat € 2.654 netto per maand.
Behoeftigheid
Bij beschikking van 1 september 2025 heeft de rechtbank de verdiencapaciteit van de moeder vastgesteld op een bruto loon van € 2.246 per maand, te vermeerderen met 8% vakantiegeld, gebaseerd op een fulltime baan tegen het minimum uurloon, en haar (fictieve) netto besteedbaar inkomen (met heffingskortingen) berekend op € 2.249 per maand. Geïndexeerd naar 2026 komt dat neer op € 2.352 per maand.
Dat betekent dat er een aanvullende behoefte overblijft van € 302 netto per maand (€ 2.654 - € 2.352). De vraag die in deze procedure aan de rechtbank voorligt, is of de moeder redelijkerwijs in staat is om ook dat bedrag zelf te verdienen.
- Situatie vanaf 1 september 2026
De rechtbank is van oordeel dat de moeder vanaf 1 september 2026 ook in dit aanvullende gedeelte zelf moet gaan voorzien. De moeder is bezig om een nieuw leven op te bouwen in Dubai . Ze gaat daar starten als makelaar. Ze heeft al een training gevolgd en toegang tot het informatiesysteem van het bedrijf. De moeder heeft verteld dat zij volledig op commissiebasis zal gaan werken en dat het daarom niet duidelijk is wat zij maandelijks gaat verdienen. Hoewel het op de weg van de moeder had gelegen om hierover concrete informatie te verstrekken, is de rechtbank wel van oordeel dat de moeder met een dergelijke functie volledig in haar eigen levensonderhoud kan gaan voorzien. Te meer omdat zij haar inkomen als makelaar kan aanvullen met schoonheidsbehandelingen die zij momenteel ook voor vrienden en kennissen in Nederland aanbiedt. De moeder heeft verteld dat zij deze behandelingen ook in Dubai zou kunnen uitvoeren en dat zij hier een inkomen mee kan verdienen dat ongeveer gelijk is aan de huwelijksgerelateerde behoefte.
- Situatie vanaf 1 januari 2026 tot 1 september 2026
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat aangenomen moet worden dat de moeder (ook) over de periode vanaf 1 januari 2026 tot 1 september 2026 in haar eigen levensonderhoud heeft kunnen voorzien. De vader heeft gesteld dat de moeder al langer inkomen heeft uit arbeid en verwijst naar app-berichten van [naam 1] waarin [naam 1] zegt “Your salary is 22k a month + 10%”, een bedrag van 22.000 lokale valuta wordt genoemd met de mededeling ‘that was [naam 2] last salary’ en waarin [naam 1] zegt dat hij haar al een bedrag van € 9.700 heeft overgemaakt en dat niet meer gaat gebeuren en zij haar eigen salaris moet gebruiken om haar rekeningen te betalen. Daarnaast verwijst hij naar app-berichten waaruit hij afleidt dat zij betaald wordt voor dates in het buitenland. De vader stelt dat de moeder vele internationale reizen maakt die zij niet vanuit de partneralimentatie kan bekostigen zodat er ander inkomen moet zijn. De moeder ontkent dit. Zij stelt dat er een fictieve arbeidsovereenkomst is opgemaakt. Deze overeenkomst is enkel opgesteld om aanspraak te kunnen maken op een verblijfsstatus in Dubai en gemaakt door een kennis. Het salaris waar [naam 1] over spreekt was slechts een eenmalige betaling van 22.000 in lokale valuta om aan te tonen aan de overheid dat zij in Dubai in haar eigen kosten kon voorzien en op die manier aanspraak kon maken op een verblijfsstatus. Zij ontkent dat zij geld ontvangt voor dates. Zij stelt dat uit de app-berichten niet afgeleid kan worden dat het over haar gaat of dat het haar telefoonnummer betreft.
De rechtbank is van oordeel dat de moeder onvoldoende openheid heeft gegeven over haar inkomsten in de afgelopen periode. Dit komt voor haar rekening en risico. De vader heeft gesteld dat de moeder (al dan niet zwarte) inkomsten ontvangt en heeft dit onderbouwd met screenshots van app-gesprekken. Het is vervolgens aan de moeder om dit gemotiveerd te betwisten. Dit heeft de moeder onvoldoende gedaan. Zij heeft de vermoedens van de vader weersproken, maar zij heeft bijvoorbeeld geen inzicht gegeven in haar bankrekeningen of op andere wijze duidelijk kunnen maken waar zij van leeft en hoe zij haar levensstijl en het wonen op twee plekken heeft kunnen bekostigen.
- Conclusie
De rechtbank zal daarom de partneralimentatie over de periode vanaf 1 januari 2026 (het moment dat de vader is gestopt met betalen) op nihil stellen.
Geen nihilstelling per 1 januari 2021 vanwege de indexering
De vader wenst de partneralimentatie met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021 op nihil te stellen. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat er terughoudend moet worden omgegaan met dergelijke verzoeken vanwege de grote financiële gevolgen die een dergelijke beslissing kan hebben voor de andere partij. Een dergelijke beslissing kan er namelijk toe leiden dat iemand grote bedragen moet terugbetalen, terwijl die al zijn uitgegeven.
De rechtbank zal het verzoek afwijzen. De vader heeft de grondslag van zijn verzoek namelijk onvoldoende onderbouwd. De vader heeft de hoogte van de door hem betaalde bijdrage over de periode vanaf 1 januari 2021 tot 1 januari 2026 niet ter discussie gesteld. Ook zijn er geen financiële stukken overgelegd uit die periode, zodat de rechtbank zijn verzoek niet kan toetsen aan de wettelijke maatstaven van behoefte en draagkracht. De vader heeft toegelicht dat de vrouw de betaalde bedragen niet hoeft terug te betalen en dat het hem te doen is om de achterstallige indexering waarop de moeder ineens aanspraak is gaan maken, maar dat is op zichzelf geen grond voor een nihilstelling met terugwerkende kracht tot 1 januari 2021.
Geen verklaring voor recht over de indexering
De vader verzoekt voor recht te verklaren dat er geen sprake is van achterstallige indexering. De moeder is ineens aanspraak gaan maken op de indexering over de periode vanaf 1 januari 2021 waardoor hij met een vordering wordt geconfronteerd. De vader stelt dat hij de indexering feitelijk al heeft voldaan doordat hij aan de moeder de afgelopen jaren regelmatig extra bedragen heeft overgemaakt, dan wel dat hij er op mocht vertrouwen dat de moeder geen aanspraak zou maken op de wettelijke indexering.
De moeder betwist dat de aan haar betaalde extra bedragen moeten worden aangemerkt als de verschuldigde indexering. Zij betwist dat de vader uit haar gedragingen mocht afleiden dat zij geen aanspraak zou maken op de indexering.
De rechtbank wijst het verzoek van de vader af. De indexering over de alimentatie volgt uit de wet. De moeder erkent dat de vader extra bedragen aan haar heeft overgemaakt, maar betwist dat deze bedragen zijn betaald in het kader van de door de vader verschuldigde wettelijke indexering. Voor zover de vader betoogt dat hij bedragen onverschuldigd aan de moeder heeft betaald en daarom wenst te verrekenen, valt dat buiten de reikwijdte van deze procedure. Het standpunt dat hij er op mocht vertrouwen dat de moeder geen aanspraak zou maken op de indexering, heeft de vader gelet op de betwisting van de moeder, niet voldoende onderbouwd zodat de rechtbank ook dit passeert.
Wijziging kinderalimentatie
De rechtbank zal bepalen dat de moeder met ingang van 1 september 2026 met € 25 per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] . De rechtbank zal deze beslissing uitleggen.
De rechtbank stelt voorop dat de situatie van deze ouders zich niet leent voor een standaardwijze van de berekening van kinderalimentatie. De draagkracht van de ouders wordt normaal gesproken vastgesteld op basis van een berekening waarbij de hoogte van hun netto besteedbaar inkomen wordt gebaseerd op het Nederlandse belastingstelstel met bijbehorende heffingskortingen en toeslagen. De moeder woont en werkt, in ieder geval deels, in Dubai . Zij heeft geen informatie gegeven over waar zij belastingplichtig is of wordt, op welke toeslagen of heffingskortingen zij aanspraak kan maken en welke woonlasten of andere bijzondere kosten zij heeft. Dat betekent dat de rechtbank niet in staat is om de kinderalimentatie op de gebruikelijke wijze te berekenen. De rechtbank zal daarom op andere wijze tot een redelijke uitkomst komen.
[het kind] is als kind behoeftig. Dit staat ook niet ter discussie tussen de ouders. [het kind] heeft haar hoofdverblijfplaats bij haar vader, dus hij is de verzorgende ouder. De vraag is of de moeder in staat is om een bijdrage in de kosten van [het kind] te leveren en zo ja, hoe hoog deze bijdrage dan moet zijn. De maatstaf voor de beantwoording van de vraag hoeveel de moeder zou moeten kunnen verdienen (haar verdiencapaciteit) ligt voor de beoordeling van de kinderalimentatie anders dan bij de partneralimentatie. Van een ex-partner wordt namelijk verwacht dat hij of zij zich inspant om in het eigen levensonderhoud te gaan voorzien. Bij kinderalimentatie gaat het om een kind. Het belangrijkste is dan ook dat de rechtbank geen verplichting op moet leggen die de ouder redelijkerwijs niet kan nakomen of op andere wijze nadelig uitpakt voor het kind.
De rechtbank heeft bij de beoordeling van de partneralimentatie al besproken dat de moeder niet zeker weet welk inkomen zij kan en gaat verdienen met haar werk als makelaar in Dubai omdat zij volledig op commissiebasis zal gaan werken. Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de moeder vanuit Dubai op en neer zal moeten reizen om [het kind] te kunnen zien en daarvoor hoge kosten moet maken. Daarnaast houdt de moeder haar woning in Nederland aan zodat zij een vaste plek heeft voor [het kind] in de buurt van haar school, waarvoor zij ook kosten maakt. De rechtbank weegt deze bijzondere omstandigheden aan de zijde van de moeder mee en acht het redelijk dat zij met € 25 per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] . Los van de precieze hoogte, is namelijk wel duidelijk dat de moeder inkomen uit arbeid krijgt, zodat het redelijk is dat zij in ieder geval de minimale bijdrage van € 25 per maand gaat voldoen. De rechtbank zal bepalen dat de moeder met ingang van 1 september 2026 (start werkzaamheden) met dit bedrag dient bij te dragen.
Uitvoerbaar bij voorraad
De rechtbank verklaart de beslissing over de kinder- en partneralimentatie uitvoerbaar bij voorraad. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
3. De beslissing
De rechtbank:
stelt de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 januari 2026 op nihil;
bepaalt dat de moeder met ingang van 1 september 2026 met € 25 per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [het kind] , vanaf nu bij vooruitbetaling aan de vader te voldoen;
verklaart de beslissing tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
verzoekt de Raad onderzoek te doen en te rapporteren zoals vermeld in 2.9;
houdt de beslissing over het gezag, de zorg-/omgangsregeling, de vakanties en de vervangende toestemming voor de vakanties en de proceskostenveroordeling aan en bepaalt dat de zaak zal worden voortgezet op een nog te plannen zitting in de maand april/mei 2027, bij voorkeur bij mr. C.M. Koopman. Aan de Raad wordt verzocht om de raadsrapportage uiterlijk twee weken voor de nog in te plannen zitting beschikbaar te stellen;
wijst het meer of anders verzochte af, voor zover de beslissing daarover niet wordt aangehouden.
Deze beschikking is gegeven door mr. C.M. Koopman, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van mr. M. Cox-Weber als griffier en in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
-door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
-door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden. Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!