ECLI:NL:RBGEL:2026:7232

ECLI:NL:RBGEL:2026:7232

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 21-09-2026
Datum publicatie 22-09-2026
Zaaknummer 05-053986-26
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

De rechtbank veroordeelt een 44-jarige man uit Barneveld voor het jarenlang seksueel misbruiken van zijn minderjarige (stief)dochters. Daarnaast is de man schuldig aan het maken van stiekeme opnames met een spycamera op zijn toilet. De rechtbank legt een celstraf op van 7 jaar.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht

Zittingsplaats Arnhem

Parketnummer: 05-053986-26

Datum uitspraak : 21 september 2026

Tegenspraak

vonnis van de meervoudige kamer

in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[verdachte] ,

geboren op [geboortedag] 1982 in [geboorteplaats] ,

wonende aan [adres] in [woonplaats] .

Raadsman: mr. W. Vahl, advocaat in Barneveld.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

7 september 2026.

1. De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 november 2009 tot en met 16 november 2018 te [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [plaats] , althans in Nederland

ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, althans een aan zijn zorg, opleiding en/of

waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2002,

door

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 juli 2014 tot en met 25 juli 2021 te [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [plaats] en/of Stroe en/of Kootwijkerbroek, althans in Nederland ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, te weten [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2005, door

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 april 2020 tot en met 22 mei 2020 te [woonplaats] gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op een duidelijke wijze kenbaar was gemaakt opzettelijk en wederrechtelijk van een of meer onbekend gebleven personen, aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten in een toiletruimte in een woning gelegen aan de [adres] ,

een afbeelding heeft vervaardigd.

2. Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde feiten.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat verdachte moet worden vrijgesproken voor feit 1 en feit 2. Daartoe is aangevoerd dat de verklaringen van aangeefsters niet betrouwbaar zijn en er niet voldoende steunbewijs is, nu zich in het dossier geen bewijsmiddelen bevinden die ondersteunen dat de in de tenlastelegging genoemde handelingen zijn verricht.

Ten aanzien van feit 3 refereert de raadsman aan het oordeel van de rechtbank.

Beoordeling door de rechtbank

Ten aanzien van feit 3:

Er is sprake van een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, laatste zin, van het Wetboek van Strafvordering en daarom wordt volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van doorzoeking d.d. 21 februari 2025, p. 44-48;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 50;

- het proces-verbaal van bevindingen, p. 253-266;

- de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 7 september 2026.

Ten aanzien van feit 1 en feit 2:

De rechtbank zal, gelet op de samenhang tussen de feiten, deze gezamenlijk bespreken.

De stiefdochter van verdachte, [minderjarige 1] , woonde sinds haar eerste levensjaar bij haar moeder en verdachte. Zij heeft verklaard dat zij vanaf haar zevende levensjaar door verdachte seksueel is misbruikt. Zij werd betast en verdachte verrichtte verschillende seksuele handelingen bij haar en met haar. Volgens [minderjarige 1] bestond het betasten uit het aanraken van haar vagina en (later) haar borsten. De verschillende seksuele handelingen bestonden – onder meer – uit het binnendringen van de vagina met de penis van verdachte en met zijn vingers. Het misbruik bestond volgens haar ook uit het binnendringen van de mond van aangeefster met de penis van verdachte.

De dochter van verdachte, [minderjarige 2] , heeft verklaard dat verdachte haar vanaf haar negende levensjaar seksueel heeft misbruikt. Ook zij werd betast en verdachte verrichtte seksuele handelingen bij haar en met haar. Het begon met alleen voelen aan haar vagina en meestal ging hij dan met één vinger in haar vagina. Ook deed hij zijn blote stijve piemel tegen haar vagina en ging hij met zijn piemel tussen haar schaamlippen en in haar vagina.

Verdachte ontkent de beschuldigingen van het seksueel misbruik.

Betrouwbaarheid verklaringen

De raadsman heeft bepleit dat de verklaringen van beide aangeefsters onbetrouwbaar zijn. De verklaringen zijn volgens hem op elkaar afgestemd en de beschrijvingen gaan niet verder dan algemeen omschreven handelingen. Er wordt geen concrete plaats en context gegeven. Daar komt bij dat moeder heeft verklaard dat verdachte altijd tot laat aan het werk was en zij na 2011 aangeefsters niet meer alleen met verdachte liet. Het is volgens de raadsman bijna niet voor te stellen dat niemand iets in de gaten heeft gehad als het seksueel misbruik zo vaak en frequent gebeurde.

De rechtbank ziet zich eerst voor de vraag gesteld of de verklaringen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betrouwbaar, en daarmee bruikbaar voor het bewijs zijn. Als daarop een bevestigend antwoord wordt gegeven, komt als vervolgvraag aan de orde of de verklaringen in voldoende mate worden ondersteund door de inhoud van andere bewijsmiddelen.

De verklaringen van [minderjarige 1]

Naar aanleiding van een voorval na de zomervakantie in 2024, waarbij verdachte haar geld zou hebben aangeboden voor seks, heeft [minderjarige 1] verklaard dat haar stiefvader haar jarenlang heeft misbruikt. [minderjarige 1] heeft verklaard dat het misbruik begon toen zij ongeveer zeven jaar oud was en dat het tot haar vijftiende is doorgegaan. Het begon in hun woning in [woonplaats] en later in [woonplaats] . Ook gebeurde het bij de vader van verdachte op het erf in [plaats] en overal en nergens in de bedrijfsbus van verdachte. Toen [minderjarige 1] acht jaar oud was heeft ze het tegen haar moeder verteld, waarna een scheiding volgde. Na een half jaar kwamen haar moeder en verdachte weer bij elkaar. Dit duurde tot [minderjarige 1] 15 jaar oud was. Zij heeft toen weer tegen haar moeder verteld over het misbruik en toen is moeder met [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] uit huis gegaan. De eerste keer toen het gebeurde was [minderjarige 1] een jaar of zeven. Zij en [minderjarige 2] sliepen op één kamer en zij werd ’s nachts uit bed gehaald. Zij wist niet waarom. Verdachte heeft toen aan haar gezeten, maar hoe weet zij niet meer precies. Dat gebeurde daarna nog een paar keer en met de jaren steeds vaker. Dit heeft [minderjarige 1] toen zij acht jaar oud was tegen haar moeder verteld. Na de verhuizing naar [woonplaats] is het misbruik gewoon doorgegaan. Het gebeurde als moeder lag te slapen. [minderjarige 1] werd uit bed gehaald en moest mee naar beneden. De eerste paar keren zat hij alleen aan haar vagina met zijn handen. Hij wreef er overheen en zat met zijn vinger in haar vagina. Dat gebeurde tot haar elfde levensjaar. Toen werd haar moeder ziek en zat tijdelijk in een revalidatiecentrum. Verdachte was toen alleen met de kinderen thuis en toen begon de seks. [minderjarige 1] heeft tegen verdachte gezegd dat zij het niet leuk vond. Op de slaapkamer van verdachte en haar moeder in de woning in [woonplaats] ging verdachte voor het eerst met zijn piemel in haar vagina. Verdachte zei dan dat [minderjarige 1] zich moest uitkleden en nadat hij seks met haar had gehad mocht zij zich weer aankleden en weer naar bed. In de periode dat haar moeder in het revalidatiecentrum zat, gebeurde dat elke dag. [minderjarige 1] heeft verklaard dat zij het in die periode voor zichzelf heeft gehouden, omdat verdachte dreigde dat hij haar of haar moeder iets zou aandoen als zij iets zou vertellen. Verdachte haalde [minderjarige 1] op van school en reed naar het erf van zijn vader of ergens anders naartoe en dan moest ze seks met hem hebben achterin de bus. Hij zat aan haar borsten, ging met zijn vingers in haar vagina en met zijn piemel in haar mond en vagina. Verdachte maakte daar foto’s en video’s van en dreigde die op internet te zetten, zodat [minderjarige 1] geen vrienden meer zou hebben en haar familie haar buiten zou sluiten. Zij was toen twaalf of dertien. Zij moest soms het laatste stukje vanuit school zelf naar huis fietsen. Zij moest dan tegen haar moeder zeggen dat ze moest nablijven of dat ze met een vriendin was meegefietst. Als [minderjarige 1] zei dat zij geen seks met verdachte wilde, dan zei hij dat zij een kind was en dat ze niks te willen had en dat naar een kind niet werd geluisterd. Verdachte zei dat [minderjarige 1] niet mocht bepalen wat hij wel of niet bij haar ging doen en dat zij maar tegen haar moeder moest zeggen dat ze nog ergens huiswerk moest maken of bij een vriendin was. Op de twaalfde verjaardag van haar zusje [minderjarige 2] kreeg zij een briefje van verdachte waarin hij haar vroeg zichzelf te filmen als zij seksuele handelingen verrichtte bij zichzelf in ruil voor een nieuwe telefoon. Enige tijd later vond haar moeder het briefje in een verhuisdoos en zij heeft verdachte hiermee geconfronteerd. [minderjarige 1] heeft toen tegen haar moeder verteld dat ze bang was voor verdachte en dat hij seks met haar had gehad. Moeder heeft [minderjarige 1] toen meegenomen naar de huisarts.

De verklaringen van [minderjarige 2]

Aangeefster [minderjarige 2] ( [minderjarige 2] ) heeft verklaard dat zij van haar negende tot haar vijftiende levensjaar is misbruikt door haar biologische vader (verdachte). Dat gebeurde vooral thuis op de [adres] in [woonplaats] en in de opslag van het bedrijf van verdachte. [minderjarige 2] heeft haar moeder als eerste verteld wat er is gebeurd. Dat kwam omdat [minderjarige 2] hoorde dat haar (stief)zus aangifte ging doen. Zij heeft alle moed verzameld en het verteld. Verdachte heeft ook foto’s en video’s gemaakt van vooral haar geslachtsdelen, die zouden op oude telefoons kunnen staan. Verdachte heeft vooral aan haar geslachtsdelen gezeten en met zijn piemel tegen haar geslachtsdeel aan gegaan. Het begon toen hij naar haar slaapkamer kwam en vroeg of hij aan haar geslachtsdeel mocht zitten. Toen [minderjarige 2] 11 of 12 jaar oud was vroeg verdachte wel eens aan haar of zij zichzelf wilde filmen tijdens het douchen, er lag dan ergens een oude telefoon die zij moest pakken. [minderjarige 2] kwam elke keer met smoesjes dat zij het was vergeten en heeft zichzelf nooit gefilmd voor verdachte. Verdachte tilde haar naar zijn slaapkamer en dan werd er aan haar geslachtsdeel gezeten en vooral met zijn piemel heen en weer bewogen tegen haar vagina. Hij voelde ook aan haar borsten en met zijn vingers aan haar geslachtsdeel en aan de binnenkant van haar vagina. Hij voelde met zijn vingers erin en ging dan heen en weer. [minderjarige 2] had geen keuze. Hij probeerde ook met zijn piemel in haar vagina te gaan, maar dat deed heel veel zeer en lukte niet. Verdachte bleef gewoon door duwen terwijl zij aangaf dat het pijn deed en ‘hou op’ zei. Hij zei dan dat als hij er helemaal doorheen was dat het dan goed zou voelen. Toen [minderjarige 2] 13 of 14 jaar oud was is verdachte met zijn piemel in haar vagina gegaan. Zij weet nog wanneer dat was omdat haar broertje [minderjarige 3] rond die tijd een matras in brand had gestoken. [minderjarige 2] was 15 toen haar moeder en verdachte uit elkaar gingen en [minderjarige 2] nog een tijdje bij haar moeder woonde. Verdachte heeft toen nog een paar keer geprobeerd geld aan te bieden in ruil voor seks, maar dat heeft [minderjarige 2] nooit geaccepteerd.

Tussenconclusie

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt. De verklaringen zijn authentiek, consistent en gedetailleerd. Beide aangeefsters benoemen in hun verklaringen verschillende details die authentiek aandoen, zoals de momenten waarop het misbruik plaatsvond in de tijd geplaatst met andere opvallende gebeurtenissen. Ook de ontwikkeling in het seksueel misbruik (eerst met de vingers en toen zij ouder waren de penetratie met de penis) komen authentiek over. Verder is het veralgemeniseerde beeld van het seksueel misbruik passend bij herhalende gebeurtenissen, waarbij alleen bijzondere gevallen worden opgeslagen. Dit is ook bij aangeefsters het geval, waarbij zij over jarenlang stelselmatig misbruik zich een aantal specifieke dingen herinneren. De betrouwbaarheid van de verklaringen van [minderjarige 1] wint eveneens aan kracht door het feit dat zij pas in 2024 aangifte heeft gedaan, nadat verdachte haar vlak na de zomervakantie met het gezin wederom geld aanbood in ruil voor seks. [minderjarige 1] lijkt er dus niet op uit te zijn om haar (stief)vader te laten vervolgen. Pas op het moment dat [minderjarige 1] over het misbruik heeft verklaard, durft [minderjarige 2] ook tegen haar moeder te vertellen dat verdachte aan haar heeft gezeten. De rechtbank acht de verklaringen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] betrouwbaar en dus bruikbaar voor het bewijs. Dat de verklaringen op elkaar zijn afgestemd, met als enig doel om samen met hun moeder verdachte ten gronde te richten (kapot te maken), is niet onderbouwd en op geen enkele andere wijze aannemelijk geworden.

Steunbewijs

Aangezien de rechtbank de verklaringen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor het bewijs gebruikt, moet vervolgens de vraag beantwoord worden of er voldoende steunbewijs voor die verklaringen is. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.

Getuige [getuige] , moeder van aangeefsters, heeft verklaard dat zij in augustus 2004 met verdachte is gaan samenwonen in [woonplaats] . In 2005 krijgen zij hun eerste kind samen, [minderjarige 2] . In 2011 heeft [minderjarige 1] voor het eerst tegen getuige verteld dat verdachte aan haar heeft gezeten. [minderjarige 1] heeft toen met een psycholoog gesproken. Getuige heeft ook verklaard dat haar zoon [minderjarige 3] inderdaad een matras in brand heeft gestoken toen hij zeven of acht jaar oud was, dat was na 2014. Getuige heeft in mei 2018 in de slaapkamer van [minderjarige 2] en [minderjarige 1] op zolder een dubbelgevouwen briefje van verdachte gevonden. Zij heeft toen aan [minderjarige 1] gevraagd wat het briefje was. [minderjarige 1] begon hard te huilen en zei dat verdachte het aan haar had geschreven. Getuige heeft verdachte in mei 2018 geconfronteerd met het briefje, waarna verdachte boos werd. Vervolgens heeft zij ook aan [minderjarige 2] gevraagd of verdachte wel eens aan haar had gezeten of iets had gedaan wat niet mocht. Zij antwoordde toen ontkennend.

In augustus 2024 heeft [minderjarige 2] uiteindelijk voor het eerst tegen getuige verteld dat verdachte ook aan haar heeft gezeten. Op 17 augustus 2024 vierden [minderjarige 2] en getuige hun verjaardag. [minderjarige 1] heeft toen apart met haar oma, haar tante en [naam] gepraat, waarna oma de politie heeft gebeld. Op 19 augustus ’s avonds kwam [minderjarige 2] bij getuige op het bed liggen met de rug naar haar toe en getuige vroeg of er iets was. [minderjarige 2] antwoordde toen dat verdachte ook aan haar heeft gezeten en dat hij hetzelfde heeft gedaan als wat hij bij [minderjarige 1] heeft gedaan. [minderjarige 2] zei steeds dat het haar speet en ze was overstuur. [minderjarige 2] sloeg dicht qua emoties.

Het dossier bevat een geschreven brief op briefpapier van [verdachte] sloopbedrijf met de volgende tekst:

‘Met mijn telefoon doen en die ligt op kantoor voor het aquarium

Mijn telefoon op de wc neerzetten.

Rustig uitkleden voor de camera daarna de camera pakken en alles laten [niet leesbaar] en dan ff je poesje open doen, en ff lekker met je vingers diep in je poesje heen en weer en ff lang doorgaan

Daarna zet je de telefoon boven de wasbak en dan ga je in het douche gedeelte staan en draai je rustig een paar rondjes voor de camera en speel je nog even met je tepel en je poesje voor de camera.

Maak dit filmpje voor mij extra lang en lekker en dan bestel ik je nieuwe telefoon

En dan spreken we nog 1 keer af en dan krijg je je nieuwe telefoon

Dit briefje opvouwen en op kantoor in de papier bak gooien.’

Op 10 maart 2024 vindt er via WhatsApp een gesprek plaats tussen [getuige] en verdachte waarin onder andere het volgende wordt gezegd:

[getuige] om 12:20 uur: ‘En ik denk dat als we toch met z’n allen praten dit ook duidelijk moet zijn’

[verdachte] om 12:20 uur: ‘Ja’

[getuige] om 12:20 uur: ‘En dat wat er gebeurt is nooit weer gebeurt’

[verdachte] om 12:21 uur: ‘Juist’

[minderjarige 1] heeft verklaard dat verdachte op de zondag nadat zij van vakantie terug waren gekomen in augustus 2024 heeft aangeboden dat hij [minderjarige 1] kon helpen met geld als zij uit huis wilde. Hij heeft gezegd dat hij [minderjarige 1] 250 euro kon geven, dat zij dan maandag naar zijn huis moest komen en dat hij dan seks met [minderjarige 1] wilde. [minderjarige 1] verstijfde en wist niet hoe ze moest reageren. Verdachte gaf haar een knuffel en zei dat als ze niet wilde dat het niet hoefde. Toen zei [minderjarige 1] dat ze niet wilde, waarop verdachte zei dat hij haar 300 euro ging bieden en ook bood hij haar sigaretten aan en dat hij haar telefoonabonnement zou blijven betalen. [minderjarige 1] heeft verklaard dat hij steeds meer ging bieden. Zij heeft toen gezegd dat ze erover na zou denken. Later heeft zij verdachte geappt dat zij het niet wilde. Verdachte appte daarna nog iets, wat zij wel kon lezen, maar wat hij heel snel daarna heeft verwijderd. In dat verwijderde bericht kon [minderjarige 1] lezen dat hij haar 250 euro zou geven, zodat hij 15 minuten plezier kon hebben. [minderjarige 1] heeft toen geappt naar hem dat zij het niet wilde en dat zij ook niet wilde dat hij nog een keer iets aan haar zou vragen. [minderjarige 1] heeft dat whatsappgesprek aan de politie verstrekt. Voornoemde verklaring verwijst naar het volgende WhatsApp-verkeer tussen [minderjarige 1] en ‘papa’:

[minderjarige 1] om 00:16 uur: ‘Ik heb over nagedacht en nee ik wil het niet nooit meer’

Papa om 00:20 uur: ‘Dit bericht is verwijderd’

Papa om 00:21 uur: ‘Dit bericht is verwijderd’

[minderjarige 1] om 00:22 uur: ‘Nee ik wil het nooit meer en ik wil ook niet meer dat je het vraagt’

Papa om 00:23 uur: ‘Ok zal ik niet meer doen sorry’

[minderjarige 1] heeft vervolgens op 12 augustus 2024 haar moeder geappt.

Moeder om 00:04 uur: ‘Gaat t goed?’

Moeder om 00:04 uur: ‘Je bent al zolang weg’

[minderjarige 1] om 00:04 uur: ‘Ja ben groot rondje lopen’

[minderjarige 1] om 00:33 uur: ‘Mam eigelijk ging het helemaal niet goed papa wou me spreken want hij zei dat die me financieel wel beetje kon helpen en ik heb het al 2 dagen uitgesteld nu

mocht ik geld van hem als ik nog een keer met hem naar bed zou gaan ik werd bang en heb gezegd dat ik over na ging denken zodat ik daar weg kon hij is toen weer weg gegaan en heb eerst met [naam] geappt ik mocht het niet tegen jouw zeggen maar anders zou [naam] het tegen jouw zeggen dus daarom app ik het jouw want er komt geen woord meer uit me mond maar ik heb papa geappt en nee gezegd en dat ik het nooit meer wil en dat die het ook nooit meer hoeft te vragen ofzo verder is er niks gebeurd hij heeft het alleen gevraagd ik wil eigelijk ook

niet dat jullie hier ruzie om krijgen en het liefst haalt [naam] me zo op maar ik moet morgen met jouw mee naar gemeente huis daarna zou ik graag weg willen ik ben dat bange meisje weer van toen nogmaals sorry dat ik überhaupt met hem ging praten dat ik er ingetrapt ben’

[minderjarige 1] om 01:13 uur: ‘Ik kan niet slapen ik wil weg hier’

[minderjarige 1] om 01:15 uur: ‘[naam] wil me komen ophalen’

[minderjarige 1] om 01:34 uur: ‘[naam] is morgen rond half 10 bij ons om me op te halen’

Moeder om 07:4[niet leesbaar] uur: ‘Wanneer was dit?’

Het laatste bericht van [minderjarige 1] is slechts gedeeltelijk zichtbaar, waardoor het tijdstip niet zichtbaar is. Het bericht luidt: ‘Gisteravond toen ik honden…’

In de telefoon van verdachte is ook het volgende WhatsApp-verkeer tussen [getuige] en verdachte aangetroffen:

[getuige] op 20 augustus 2024 om 18:15 uur: ‘Ik wil geen contact op welke manier dan ook. [minderjarige 2] heeft mij gisteravond verteld dat haar hetzelfde is overkomen en die gaat ook vd week naar de dokter om te praten erover. Volgens huisarts is het slim om [minderjarige 4] voorlopig de weekenden niet naar jou te doen tot er duidelijkheid is in hoeverre dit zich allemaal afgespeeld heeft. Mocht je het

hier niet mee eens zijn dan zal je andere wegen moeten bewandelen of zien dat er contact onder toezicht gaat plaats vinden. Snap dat dit geen leuk bericht is, maar ik moet mijn kinderen beschermen en veiligheid bieden. Morgen ben je werken zei je ? Dan haal ik met [minderjarige 2] en hulp spullen op, mocht je toch thuis zijn of iets dan gaat de politie mee ter ondersteuning’

…

[getuige] op 29 augustus 2024 om 18:59 uur: ‘Ja ik hield ook heel veel van jou, maar dat was blijkbaar niet genoeg. En nu heb je niet alleen mij maar bovenal die meiden zo beschadigd dat er nog 0 vertrouwen is’

Verdachte op 29 augustus 2024 om 19:09 uur: ‘Jawel jou liefde voor mij was wel genoeg.

Jij bent de enige die er altijd voor mij is geweest. Ik daarom wil ik er juist ook altijd voor jou zijn. Mijn liefde voor jou is echt heel groot daarom hoopte ik er gewoon samen uit te komen zonder ruzie enzo. Ik mis je echt enorm’

In de medische rapportage van 3 september 2018 betreffende [minderjarige 1] staat vermeld dat moeder heeft gebeld en heeft verteld dat [minderjarige 1] onder druk wordt gezet door haar stiefvader, waarschijnlijk is misbruikt en gisteravond alles tegen moeder heeft verteld. In gespreksverslagen van de Jeugdhulp Gemeente [woonplaats] van september en november 2018 staat vermeld dat [getuige] zich afvraagt of een informatief gesprek nog zinvol is en dat [minderjarige 1] heeft laten weten geen aangifte te zullen gaan doen. Er wordt aangegeven dat het informatieve gesprek wel moet plaatsvinden en dat door de politie zal besloten worden of het alsnog een vervolg krijgt. In augustus 2023 is [minderjarige 1] met PTSS gediagnostiseerd en heeft zij EMDR gehad voor de verwerking van seksueel misbruik.

In de medische rapportage van 23 augustus 2024 betreffende [minderjarige 2] staat vermeld dat zij graag psychologische hulp wil in verband met seksueel misbruik door vader vanaf 9-10-jarige leeftijd en dat zij daar nu voor het eerst over heeft verteld.

Op een onder verdachte in beslag genomen SD-kaart is een reeks van drie foto’s van [minderjarige 1] aangetroffen. De eerste afbeelding is gemaakt op 31 augustus 2018 om 19:35:32 uur op het adres [adres] in [woonplaats] . Op de eerste afbeelding is een deel van een gezicht te zien, van onderaf gefotografeerd. De tweede afbeelding in de reeks is 13 seconden later dan de eerste gemaakt en daarop is een vagina weergegeven, van onder gefotografeerd. De derde afbeelding in de reeks is 11 seconden later dan de tweede gemaakt en daarop is eveneens een vagina weergegeven, van onder gefotografeerd. [minderjarige 1] heeft verklaard dat het haar gezicht en vagina betreft.

Tussenconclusie

Gelet op al het voorgaande in samenhang bezien is de rechtbank van oordeel dat voornoemde bewijsmiddelen de verklaringen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in voldoende mate ondersteunen.

De rechtbank volgt verdachte niet in zijn verklaring dat hij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] niet seksueel heeft misbruikt en dat het een plan van moeder ( [getuige] ) is om hem kapot te maken. Immers, verdachte heeft toen hij werd geconfronteerd met het ondersteunend bewijs, steeds aangegeven dat hij zich de bewuste situaties niet meer herinnerde danwel heeft hierover tegenstrijdige verklaringen afgelegd. Er zijn WhatsApp berichten tussen [minderjarige 1] en verdachte waaruit blijkt dat [minderjarige 1] het nooit meer wil en hij het nooit meer moet vragen. Als reactie wordt dan door verdachte geschreven dat hij het niet meer zal doen en hij schrijft sorry. Dit bevestigt volgens de rechtbank dat er iets naars is gebeurd en verdachte bestrijdt dit niet. Verdachte geeft op zitting eveneens geen alternatieve gebeurtenis waarover het in die berichten dan wel zou gaan. Hij weet het niet meer. Dan is er ook nog het bericht tussen [minderjarige 1] en haar moeder van augustus 2024 waarin zij over het verzoek van verdachte schrijft en aangeeft dat het haar spijt dat ze er weer is ingetrapt. Vervolgens heeft de moeder van aangeefsters in maart 2024 en augustus 2024 meerdere berichten aan verdachte gestuurd dat het nooit weer mag gebeuren, dat [minderjarige 2] heeft verteld dat haar hetzelfde is overkomen en dat hij de meiden heeft beschadigd, waarop verdachte geen ontkennende reactie geeft en ter zitting aangeeft dat hij zich niet herinnert waar dat over gaat.

Daarnaast heeft verdachte op verschillende punten een tegenstrijdige verklaring afgelegd. Zo heeft hij over het handgeschreven briefje verklaard dat hij het zelf heeft geschreven en dat het was bedoeld en ook is gebruikt om een urgentieverklaring voor een woning te krijgen toen verdachte en [getuige] gingen scheiden. De rechtbank acht die verklaring volstrekt ongeloofwaardig, nu verdachte zijn verklaring op geen enkele wijze nader heeft geconcretiseerd of onderbouwd. Zijn verklaring wordt bovendien weersproken door [minderjarige 1] en haar moeder.

Ter zitting heeft verdachte vervolgens verklaard dat het bewuste briefje bestemd was voor [minderjarige 1] ’s moeder, [getuige] , toen zij nog partners waren. Het briefje was volgens hem speels bedoeld binnen hun liefdesrelatie. Ook deze verklaring acht de rechtbank niet geloofwaardig, omdat deze verklaring tegenstrijdig is aan die afgelegd bij de politie en verdachte daarvoor geen (deugdelijke) verklaring weet te geven.

Schakelbewijs

Een bijzondere vorm van steunbewijs vormt voorts het zogeheten schakelbewijs. In zo’n bewijsconstructie worden verklaringen van verschillende aangevers van verschillende delicten gebruikt om elkaar te ondersteunen, omdat de handelwijze van de verdachte op essentiële punten overeenkomt. Een en ander moet duiden op een herkenbaar en gelijksoortig patroon in de handelingen van verdachte.

In dit verband overweegt de rechtbank dat de aangeefsters stiefzussen zijn en dat het door hen beschreven misbruik zich volgens hun verklaringen in dezelfde gezinsomgeving en gedurende een deels overlappende en langere periode heeft voorgedaan. Hoewel de aangeefsters overwegend hun eigen, afzonderlijke ervaringen beschrijven, vertonen hun verklaringen opvallende parallellen in de aard van de verweten gedragingen, de wijze waarop verdachte volgens hen het initiatief zou hebben genomen en de context waarin dit zou zijn gebeurd. Deze overeenkomsten dragen bij aan het beeld van een consistent patroon. Zo werd misbruik gemaakt van het vertrouwen dat voortvloeit uit de ouder/kind relatie. Ook vonden de handelingen plaats in de beslotenheid en vertrouwdheid van de ouderslaapkamer. Daarnaast ging het misbruik verder op andere locaties, zoals in de bus van verdachte als hij ze ophaalde van school of in de loods op het erf van de vader van verdachte. Een andere overeenkomst zit in de door aangeefsters beschreven handelingen: eerst het betasten en met zijn vingers in hun vagina en later met zijn penis in de mond en vagina. En beiden verklaren over het maken van foto’s en video’s en het later bieden van geld en spullen in ruil voor seks.

De verklaringen van de aangeefsters vertonen op essentiële punten overeenkomsten in de door hen beschreven setting, gelegenheidspatronen en de wijze waarop verdachte te werk ging. Deze overeenstemmende elementen in de modus operandi worden als schakelbewijs betrokken bij de afzonderlijke aangiftes.

Conclusie

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat de onder feit 1 en 2 ten laste gelegde feiten wettig en overtuigend kunnen worden bewezen.

3. De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, te weten dat:

1.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 17 november 2009 tot en met 16 november 2018 te [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [plaats] , althans in Nederland

ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, althans een aan zijn zorg, opleiding en/of

waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, te weten [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2002,

door

2.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 26 juli 2014 tot en met 25 juli 2021 te [woonplaats] en/of [woonplaats] en/of [plaats] en/of Stroe en/of Kootwijkerbroek, althans in Nederland ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig kind, te weten [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2005, door

3.

hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 2 april 2020 tot en met 22 mei 2020 te [woonplaats] gebruik makende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op een duidelijke wijze kenbaar was gemaakt opzettelijk en wederrechtelijk van een of meer onbekend gebleven personen, aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, te weten in een toiletruimte in een woning gelegen aan de [adres] ,

een afbeelding heeft vervaardigd.

Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.

Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.

Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4. De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

feit 1 en feit 2:

ontucht plegen met zijn minderjarig (stief)kind, meermalen gepleegd;

feit 3:

gebruik makend van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen.

5. De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6. De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7. De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie verzocht om een maatregel ex. artikel 38v Wetboek van Strafrecht op te leggen inhoudende een contactverbod met aangeefsters en een locatieverbod voor heel [plaats] en [adres] in [woonplaats] voor de duur van 5 jaren. Voor iedere overtreding van het contact- en/of locatieverbod is 2 weken hechtenis gevorderd met een maximum van 6 maanden.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit dat de eis van de officier van justitie dient te worden gematigd. Als aan verdachte een lange gevangenisstraf zal worden opgelegd, raakt hij zijn huis kwijt en houdt zijn bedrijf op te bestaan. De raadsman heeft verzocht rekening te houden met de termijn van gijzeling. Daarnaast heeft de raadsman verzocht alleen een contactverbod met de slachtoffers op te leggen en dat een locatieverbod voor heel [plaats] te ver gaat. Te meer nu nergens uit blijkt dat verdachte de slachtoffers nog zal opzoeken.

De beoordeling door de rechtbank

De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.

De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich bijna twaalf jaar lang vergrepen aan [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , zijn (stief)dochters. Hij heeft ze van jongs af aan – in ieder geval vanaf hun zevende en negende jaar – veelvuldig seksueel misbruikt. Hij heeft zeer vergaande seksuele handelingen verricht, waaronder het vaginaal en oraal binnendringen met zijn geslachtsdeel. Daarnaast heeft hij zelfs cadeaus en geld aangeboden in ruil voor seks. De rechtbank weegt dat als strafverzwarend mee. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] behoorden veilig te zijn in en om het huis waar zij woonden en in de omgeving van hun vader, maar dat waren zij niet. Ondanks eerdere meldingen heeft het misbruik door kunnen gaan, omdat moeder en verdachte na een breuk wegens een eerdere verdenking van misbruik van [minderjarige 1] weer bij elkaar kwamen en samen in één huis woonden met de kinderen. Daarnaast weegt de rechtbank in het nadeel van verdachte mee dat tussen hem en zijn (stief)dochters sprake was van een afhankelijkheidsrelatie, hij was immers hun vader.

Verdachte heeft zich daarnaast ook schuldig gemaakt aan het heimelijk maken van opnames van personen in de toiletruimte van zijn woning door een spycamera te plaatsen. Verdachte heeft hiermee op onaanvaardbare wijze inbreuk gemaakt op de privacy van de gefilmde personen, die erop mochten vertrouwen dat zij op het toilet veilig en onbespied zouden zijn. De rechtbank neemt het de verdachte kwalijk dat hij hierover in het geheel niet schuldbewust is en niet kan uitleggen waarom hij dit heeft gedaan.

Verdachte heeft met zijn handelen niet alleen een buitengewoon ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van zijn (stief)dochters, maar ook het vertrouwen dat zij in hun vader hadden moeten kunnen hebben. Verder is het zonder meer aannemelijk dat verdachte door zijn handelen deze jonge kinderen heeft beschadigd in hun (seksuele) ontwikkeling. Uit de slachtofferverklaringen die ter terechtzitting zijn voorgedragen, blijkt de enorme impact die het handelen van verdachte op de slachtoffers heeft gehad. Dat valt niet meer ongedaan te maken.

De persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken die zien op de persoon van de verdachte:

Het strafblad van de verdachte bevat geen veroordelingen die relevant zijn voor de op te leggen straf en maatregel.

Uit het reclasseringsadvies blijkt dat het recidiverisico niet betrouwbaar kan worden ingeschat gelet op de ontkennende verklaring van verdachte.

Bij een bewezenverklaring acht de reclassering diagnostiek en mogelijk behandeling binnen een forensisch psychiatrische polikliniek geïndiceerd. Daarbij wordt opgemerkt dat sprake is van een volledig ontkennende proceshouding en het ontbreken van een intrinsieke hulpvraag. Hierdoor lijken probleembesef, behandelmotivatie en veranderbereidheid beperkt aanwezig. Dit kan een belemmerende factor vormen voor een succesvol behandeltraject. Desondanks acht de reclassering nader diagnostisch onderzoek noodzakelijk om eventuele onderliggende problematiek en risicofactoren in kaart te brengen. Op basis van de resultaten kan worden beoordeeld of behandeling binnen een forensisch kader noodzakelijk en passend is. Bij een veroordeling heeft de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden geadviseerd, waaronder een meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling en een contact- en locatieverbod (zonder elektronisch toezicht).

Oplegging van een gevangenisstraf

Gelet op de ernst van de feiten, de straffen die in soortgelijke gevallen zijn opgelegd en al het overige dat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere sanctie dan een straf die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich meebrengt.

De oplegging van een (deels) voorwaardelijke gevangenisstraf, zou beperkt zijn tot een gevangenisstraf voor de duur van ten hoogste vier jaren (artikel 14a, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht). Een dergelijke straf doet echter geenszins recht aan de ernst van de bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank acht, alles afwegende en conform de eis van de officier van justitie, een gevangenisstraf van zeven jaren passend en geboden.

Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat aan de verdachte voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend als bedoeld in artikel 6:2:10 van het Wetboek van Strafvordering.

Oplegging van een 38v-maatregel

Ter voorkoming van (nieuwe) strafbare feiten zal de rechtbank een vrijheidsbeperkende maatregel opleggen. Deze maatregel bestaat uit:

- een contactverbod met:

o [minderjarige 1] , geboren op [geboortedag] 2002

o [minderjarige 2] , geboren op [geboortedag] 2005

- een locatieverbod voor:

o [plaats]

o [adres] in [woonplaats] ,

voor de duur van vijf jaren. De rechtbank zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis wordt toegepast voor iedere keer dat verdachte niet aan de maatregel voldoet. Deze hechtenis bedraagt twee weken per overtreding, met een totale duur van maximaal zes maanden, en heft de verplichting op grond van deze maatregel niet op.

De rechtbank houdt er ernstig rekening mee dat verdachte opnieuw een strafbaar feit pleegt of zich belastend zal gedragen richting aangeefsters, gelet op de aard en omstandigheden van de feiten en gelet op het feit dat in november 2024 en september 2025 namens het Openbaar Ministerie reeds stopgesprekken met verdachte zijn gevoerd. De rechtbank zal daarom bevelen dat de maatregel duidelijk uitvoerbaar is.

8. De beoordeling van de civiele vorderingen

Benadeelde partij [minderjarige 1]

De benadeelde partij [minderjarige 1] heeft in verband met feit 1 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 257,68 aan materiële schade, € 25.000,00 aan smartengeld en € 23.235,00 aan toekomstige schade, telkens vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:

De toekomstige kosten bestaan uit de volgende schadeposten:

Door de benadeelde partij is verzocht de toekomstige kosten niet-ontvankelijk te verklaren.

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij – voor zover deze ziet op materiële schade en smartengeld – kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Voor de gevorderde toekomstige kosten heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering te verklaren

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het bedrag voor immateriële schade te matigen.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank overweegt dat de materiële schadeposten niet dan wel onvoldoende inhoudelijk zijn betwist. De schadeposten zijn verder voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.

Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kilometervergoeding en de (reeds ingeplande) toekomstige kilometers tot een hoogte van

€ 257,68 kan worden toegewezen.

Toekomstige kosten

Ten aanzien van de toekomstige kosten (bestaande uit: overige toekomstige kilometers, toekomstige medische kosten en studievertraging) zal de rechtbank de benadeelde partij – zoals door haar verzocht – niet-ontvankelijk in de vordering verklaren.

Immateriële schade

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Met het bewezenverklaarde handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op het recht op eerbiediging van de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij en is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. Bij de benadeelde partij, die ten tijde van het bewezenverklaarde erg jong was, zijn ontuchtige handelingen gepleegd – die onder andere bestonden uit het seksueel binnendringen – en er was sprake van een afhankelijkheidsrelatie tussen verdachte en de benadeelde partij. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de immateriële schade vaststellen op € 20.000,00.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan deze delen van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Verdachte is vanaf [geboortedag] 2009 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

Benadeelde partij [minderjarige 2]

De benadeelde partij [minderjarige 2] heeft in verband met feit 2 een vordering tot schadevergoeding ingediend. De benadeelde partij vordert € 776,84 aan materiële schade en € 25.000,00 aan smartengeld, allebei vermeerderd met de wettelijke rente. Verder is om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel verzocht.

De materiële schade bestaat uit de volgende schadeposten:

Standpunten

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij kan worden toegewezen, met toekenning van de wettelijke rente, en vordert oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk in de vordering moet worden verklaard. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het bedrag voor immateriële schade te matigen.

Overweging van de rechtbank

Materiële schade

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden.

De rechtbank overweegt dat de materiële schadeposten niet dan wel onvoldoende inhoudelijk zijn betwist. De schadeposten zijn verder voldoende onderbouwd en komen redelijk voor.

Voor deze schade is verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Daarom is de rechtbank van oordeel dat de vordering voor wat betreft de kilometervergoeding en kosten voor de psycholoog tot een hoogte van € 776,84 kan worden toegewezen.

Immateriële schade

Op basis van de genoemde bewijsmiddelen en wat ter zitting over de vordering is besproken, stelt de rechtbank vast dat de benadeelde partij door het bewezenverklaarde schade heeft geleden die binnen één van de categorieën van artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek valt. Met het bewezenverklaarde handelen heeft verdachte een ernstige inbreuk gemaakt op het recht op eerbiediging van de lichamelijke integriteit van de benadeelde partij en is de benadeelde op andere wijze in de persoon aangetast. Dit is aan verdachte toe te rekenen. De rechtbank houdt rekening met de aard en de ernst van het feit en de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen toewijzen. Daarnaast heeft de rechtbank acht geslagen op de Rotterdamse Schaal. Bij de benadeelde partij, die ten tijde van het bewezenverklaarde erg jong was, zijn ontuchtige handelingen gepleegd – die onder andere bestonden uit het seksueel binnendringen – en er was sprake van een afhankelijkheidsrelatie tussen verdachte en de benadeelde partij. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de immateriële schade vaststellen op € 20.000,00.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk verklaren in de vordering. De benadeelde partij kan deze delen van de vordering nog aan de burgerlijke rechter voorleggen.

Verdachte is vanaf [geboortedag] 2014 wettelijke rente over het toegewezen bedrag verschuldigd.

De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op te leggen. Verdachte wordt verplicht het aan de benadeelde partij toegewezen bedrag aan de Staat te betalen. Eventueel toegekende proceskosten zijn daar niet bij inbegrepen.

9. De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf en/of maatregel is gegrond op de artikelen 36f, 38v, 38w, 57, 139f en 249 (oud) van het Wetboek van Strafrecht.

10. De beslissing

De rechtbank:

 verklaart bewezen dat verdachte het tenlastegelegde, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;

 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;

 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;

 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren;

 legt een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht op, inhoudende een contact- en gebiedsverbod voor een periode van vijf jaar;

een gebiedsverbod - Het gebiedsverbod houdt in dat verdachte zich gedurende vijf jaren niet bevindt in de plaats [plaats] en in [adres] in [woonplaats] ;

en

een contactverbod - Het contactverbod houdt in dat verdachte gedurende vijf jaren zich onthoudt van – direct of indirect – contact met:

 beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de

maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt ten hoogste twee weken voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een maximum van zes maanden in totaal. Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen op grond van de opgelegde maatregel niet op.

 beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

De vordering van benadeelde partij [minderjarige 1]

 veroordeelt verdachte in verband met het feit onder nummer 1 tot betaling van schadevergoeding aan de benadeelde partij van € 257,68 aan materiële schade en

€ 20.000,00 aan immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf [geboortedag] 2009 tot aan de dag dat het hele bedrag is betaald;

 veroordeelt verdachte in de kosten die de benadeelde partij in deze procedure heeft gemaakt en de kosten die de benadeelde partij mogelijk nog moet maken om het toegewezen bedrag betaald te krijgen, tot vandaag begroot op nul;

 verklaart de benadeelde partij [minderjarige 1] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot (im)materiële schade;

De vordering van benadeelde partij [minderjarige 2]

 verklaart de benadeelde partij [minderjarige 2] voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering tot (im)materiële schade;

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. Y. van Wezel
  • mr. R.M.H. Pennings

Griffier

  • mr. C.F. Brouwer

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand