RECHTBANK GELDERLAND
[betrokkene] B.V.
de officier van justitie
uitspraak
Team strafrecht
Zittingsplaats Nijmegen
zaakgegevens 11706657 \ BR VERZ 25-939 \ 894 ER
cjib-nr / registratienr 262898913 / 0251ND
zitting van 18 augustus 2026
beslissing inzake Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv)
in de zaak van
gevestigd te [vestigingsplaats]
betrokkene
gemachtigde M. Lagas
tegen
Gronden voor de beslissing:
Het beroep is ingesteld tegen een beslissing van de officier van justitie met bovenvermeld CJIB nummer.
Aan betrokkene is bij inleidende beschikking een sanctie opgelegd vanwege het parkeren op een parkeergelegenheid, terwijl het voertuig niet tot de aangeven categorie of groep voertuigen behoorde.
De kantonrechter overweegt als volgt.
Betrokkene heeft zijn auto geparkeerd op een parkeerplaats aan de Daalseweg in Niimegen, waarbij het bord E8 was geplaatst met het onderbord “Greenwheels”. Dat houdt in dat het parkeren aldaar is voorbehouden aan “Greenwheels” auto’s. Betrokkene’s auto voldeed niet daaraan. Hij voert aan dat het onderbord niet of nauwelijks leesbaar was omdat het was besmeurd of bedekt met mos.
Het dossier bevat een collectie foto’s van het bewuste bord.
Het is juist dat het onderbord is besmeurd, maar dat ontheft betrokkene niet van zijn verplichting zich te vergewissen van de situatie ter plaatse. Als een bestuurder het bord E8 ziet met een onderbord, is dat een indicatie dat voor die parkeerplaats bijzondere regels gelden. Het parkeren kan zijn voorbehouden aan bestuurders met een vergunning of met een gehandicaptenplaats, aan elektrische auto’s ten behoeve van het opladen etc. Het is dus juist een extra waarschuwing voor de bestuurder om na te gaan welke bijzondere situatie zich hier voordoet en even wat meer moeite te doen om het onderbord te bekijken. Betrokkene heeft dat kennelijk nagelaten en daarom is de bekeuring terecht uitgeschreven.
Bijzondere omstandigheden op grond waarvan de sanctie gematigd zou moeten worden zijn niet gebleken.
Gelet op het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (ECLI:NL:GHARL:2023:6369) ziet de kantonrechter aanleiding om het bedrag van de administratieve sanctie te matigen met 25 procent, wegens het overschrijden van de redelijke termijn van berechting.
De proceskosten komen voor vergoeding in aanmerking. Er is geen sprake van een aan het bestuursorgaan (de ambtenaar die de sanctie heeft opgelegd) te wijten onrechtmatigheid als bedoeld in artikel 13a, eerste lid, van de Wahv juncto artikel 7:28, tweede lid, van de Awb zodat de in administratief beroep gemaakte kosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. Aan het indienen van het beroep bij de kantonrechter en het verschijnen ter zitting van de kantonrechter dienen in toaal 2 procespunten te worden toegekend. De waarde per punt bij de kantonrechter bedraagt € 934. Gelet op de aard van de zaak wordt de wegingsfactor 0,5 toegepast. Omdat de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 is bekendgemaakt, wordt het bedrag van de in de procedure bij de kantonrechter gemaakte kosten op grond van artikel 13a, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wahv vermenigvuldigd met factor 0,25. De officier van justitie zal derhalve worden veroordeeld in de kosten tot een bedrag van € 233,50 (2 x € 934 x 0,5 x 0,25).
Er zal daarom als volgt worden beslist.
Beslissing
De kantonrechter:
-verklaart het beroep gegrond en vernietigt de bestreden beslissing;
-verklaart het beroep tegen de inleidende beschikking gedeeltelijk gegrond;
-wijzigt de beschikking, in die zin dat de sanctie wordt gematigd tot € 82,50;
-verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
-bepaalt dat wat betrokkene teveel aan zekerheid heeft gesteld, door de officier van justitie wordt gerestitueerd;
-veroordeelt de officier van justitie in de proceskosten van betrokkene, begroot op € 233,50.