ECLI:NL:RBDHA:2026:28007

ECLI:NL:RBDHA:2026:28007

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer 09/767378-20
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Procesafspraken. Veroordeling voor het medeplegen van voorbereidingshandelingen van handel in cocaïne (feit 2) en het medeplegen van witwassen (feit 3). Overeenkomstig de gemaakte procesafspraken legt de rechtbank een gevangenisstraf van 365 dagen waarvan 192 voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren op, alsmede een taakstraf van 100 uren en een geldboete van 25.000 euro.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/767378-20

Datum uitspraak: 18 september 2026

Tegenspraak

(Verkort vonnis)

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats] ,

BRP-adres: [adres] .

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 10 februari 2021, 23 april 2021 en 4 september 2026.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. M.A. Visser, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman, mr. S.C. van Klaveren, naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

3. Procesafspraken

De aard van de zaak

Deze strafzaak kenmerkt zich doordat de officier van justitie en de verdediging zogeheten ‘procesafspraken’ hebben gemaakt over wat volgens hen een passende uitkomst van de strafzaak zou zijn. Deze procesafspraken hebben zij opgenomen in een (ongedateerde) overeenkomst, die de officier van justitie op 14 augustus 2026 aan de rechtbank heeft doen toekomen. In de overeenkomst doen de officier van justitie en de verdediging aan de rechtbank een gezamenlijk voorstel voor de wijze van afdoening van de strafzaak.

Samengevat houdt dit afdoeningsvoorstel het volgende in:

- de verdachte en het Openbaar Ministerie zien af van het indienen van (nadere) onderzoekswensen;

- de verdachte hoeft in het kader van de afspraken geen nadere verklaring af te leggen. Uiteraard staat het hem vrij dit ter terechtzitting alsnog/wel te doen;

- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting rekwireren tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde;

- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting rekwireren tot een bewezenverklaring van:

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van het voorbereiden van de handel van cocaïne in de periode van 18 april 2020 tot en met 5 juni 2020;

ten aanzien van feit 3 (primair):

medeplegen van gewoontewitwassen van geldbedragen van (in totaal) € 164.500 en een boot (Long Island) in de periode van 6 april 2020 tot en met 5 juni 2020;

- het Openbaar Ministerie zal ter terechtzitting voor die bewezenverklaring een strafeis vorderen van:

een gevangenisstraf van 365 dagen waarvan 193 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd in voorlopige hechtenis doorgebracht;

een taakstraf van 100 uren;

een geldboete van € 25.000,00;

- de in beslag genomen geldbedragen en auto worden strafrechtelijk teruggegeven. Ter verrekening van de geldboete blijft daarop conservatoir beslag rusten. Ter terechtzitting is door de officier van justitie toegelicht dat er geen in beslag genomen goederen zijn waar de rechtbank een beslissing op dient te nemen;

- de verdediging zal geen verweren voeren;

- de verdachte zal zich niet onttrekken aan de tenuitvoerlegging van de straf;

- het Openbaar Ministerie zal geen ontnemingsvordering aanhangig maken;

- de verdediging en het Openbaar Ministerie stellen geen hoger beroep in indien de rechtbank komt tot een bewezenverklaring en strafoplegging conform de tussen de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken.

In de overeenkomst is verder een voorwaardelijk verzoek opgenomen van de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting:

indien de rechtbank tot een andere bewezenverklaring zou komen, maar uitsluitend voor zover hierdoor de aard van het delict wezenlijk verandert;

indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de overeengekomen straf niet in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak.

Ter terechtzitting is dit verzoek aangevuld door de verdachte/verdediging en het Openbaar Ministerie in die zin dat het voorwaardelijke verzoek tot heropening van het onderzoek ter terechtzitting evenmin geldt indien de rechtbank zou komen tot:

aanpassingen van de bewezenverklaarde periodes of partiële vrijspraak, waaronder vrijspraak van strafverzwarende omstandigheden;

kleine aanpassingen van (het voorwaardelijk gedeelte van) de op te leggen gevangenisstraf, verband houdend met een afwijkende vaststelling van het aantal dagen dat door de verdachte in voorarrest is doorgebracht.

Het toetsingskader

Bij de beoordeling van deze zaak zijn voor de rechtbank leidend geweest de uitgangspunten verwoord door de Hoge Raad in het arrest van 27 september 2022 (ECLI:NL:HR:2022:1252). Deze komen op het volgende neer.

Hoewel een wettelijke regeling van procesafspraken op dit moment ontbreekt, verzet het stelsel van strafvordering zich er niet tegen dat de officier van justitie en de verdediging een gezamenlijk standpunt innemen over de beoogde afdoening van een strafzaak. De totstandkoming van procesafspraken doet echter geen afbreuk aan de zelfstandige positie van de rechtbank. De rechtbank behoudt haar eigen verantwoordelijkheid dat de behandeling en de beoordeling van de strafzaak plaatsvinden overeenkomstig de daarvoor geldende wettelijke regeling – in het bijzonder de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) – en de eisen van een eerlijk proces.

Op grond van de artikelen 348 en 350 Sv beslist de rechtbank op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting over de in die bepalingen genoemde vraagpunten. Aan de verplichting die op de rechtbank rust om te beslissen op de in artikelen 348 en 350 Sv genoemde vraagpunten, wordt niet afgedaan door de omstandigheid dat een afdoeningsvoorstel wordt gedaan. Wel moet de rechtbank dat voorstel betrekken bij de beantwoording van de genoemde vraagpunten, maar zij is niet verplicht om overeenkomstig het voorstel te beslissen.

Waar het gaat om de beantwoording van de eerste vraag van artikel 350 Sv brengt de eigen zelfstandige verantwoordelijkheid van de rechtbank met zich dat zij zelf – ongeacht wat de procesafspraken daarover inhouden – dient na te gaan of zij het aan de verdachte ten laste gelegde feit bewezen acht. Artikel 338 Sv dwingt de rechtbank ertoe het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan slechts aan te nemen indien zij daarvan uit het onderzoek op de terechtzitting door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging heeft bekomen.

Waar het gaat om de beantwoording van de vierde vraag van artikel 350 Sv heeft de rechtbank een eigen zelfstandige verantwoordelijkheid om te komen tot een strafoplegging die zij passend en geboden acht. De rechtbank heeft hierbij een grote vrijheid, zowel in de keuze van de op te leggen straf als de waardering van de factoren die zij daarbij betrekt. Het afdoeningsvoorstel is een relevante factor die de rechtbank moet betrekken bij de keuze van de op te leggen straf. Indien de rechtbank van oordeel is dat wat de procesafspraken over de strafoplegging inhoudt, in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de zaak zoals die blijkt uit de processtukken en het verhandelde op de terechtzitting, ligt het in de rede dat zij die straf als passend en geboden oplegt.

Om betekenis toe te kunnen kennen aan de procesafspraken, moet de rechtbank kunnen garanderen dat jegens de verdachte voldaan wordt aan de eisen van een eerlijk proces. In het bijzonder betekent dit dat de rechtbank moet onderzoeken of de verdachte in de concrete omstandigheden van het geval vrijwillig, op basis van voldoende en duidelijke informatie en terwijl hij zich bewust was van de rechtsgevolgen, is gekomen tot de ondubbelzinnige beslissing mee te werken aan de procesafspraken en de daarmee gepaard gaande afstand van verdedigingsrechten. Dit onderzoek vindt plaats op de terechtzitting.

De toetsing in deze zaak

Om voormelde beoordeling te kunnen verrichten, heeft de rechtbank de strafzaak behandeld op de terechtzitting van 4 september 2026. Deze zitting had het karakter van een inhoudelijke behandeling. De rechtbank heeft de verdachte aldaar bevraagd over de procesafspraken. De verdachte, die gedurende het hele proces werd bijgestaan door zijn raadsman, heeft er blijk van gegeven dat hij weet wat de procesafspraken inhouden, dat hij begrijpt dat hij bepaalde hem toekomende rechten niet uitoefent en wat de gevolgen daarvan voor hem kunnen zijn en dat hij vrijwillig tot de ondubbelzinnige beslissing is gekomen mee te werken aan de procesafspraken.

Overeenkomstig artikel 301 Sv heeft de rechtbank de korte inhoud meegedeeld van de processtukken die zij relevant acht voor de door haar te nemen beslissingen. Dat is gedaan enerzijds om de verdachte in de gelegenheid te stellen daarop te reageren, anderzijds met het oog op de externe openbaarheid.

Vervolgens heeft de officier van justitie gerekwireerd overeenkomstig de procesafspraken en heeft de verdediging zich daarbij aangesloten. De raadsman heeft het woord gevoerd ter verdediging, waarbij hij de rechtbank heeft verzocht de procesafspraken te volgen conform hetgeen door de officier van justitie is gerekwireerd. Aan de verdachte is het recht gelaten om het laatst te spreken. Hierna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.

In het hierna volgende zal de rechtbank de relevante vraagpunten uit de artikelen 348 en 350 Sv beantwoorden.

4. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig de procesafspraken – gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van het onder 2 en primair onder 3 ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft – overeenkomstig de procesafspraken – geen verweer gevoerd.

Vrijspraak

De rechtbank acht op grond van het onderzoek ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 is ten laste gelegd, zodat hij daarvan dient te worden vrijgesproken.

De bewijsmiddelen

De rechtbank grondt haar overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist met de bewijsmiddelen, dan wel met een opgave daarvan, zal dit plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit vonnis zal worden gehecht.

De bewezenverklaring

De rechtbank is met betrekking tot de onder 2 en primair onder 3 ten laste gelegde feiten van oordeel dat deze feiten wettig en overtuigend zijn bewezen.

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

2.hij in de periode van 14 april 2020 tot en met 5 juni 2020 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen en/of buiten het grondgebied van Nederland brengen van (een) hoeveelheid/hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,

anderen heeft getracht te bewegen om datfeit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, immers heeft verdachte:

- cocaïne te koop aangeboden (aan [naam] ),en/of

zich en anderen gelegenheid en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft/hebben getracht te verschaffen, immers heeft verdachte:

- inlichtingen uitgewisseld over een grote partij cocaïne die voor 'Paki' kon worden verkocht (met cloudfig), en/of- inlichtingen uitgewisseld over de koop en/of verkoop van die verdovende middelen (met cloudig en/of stainedstork), en/of- foto's van die verdovende middelen verzonden/doorgestuurd (naar [naam] );

3.hij in de periode van 14 april 2020 tot en met 5 juni 2020, in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met een ander, telkens voorwerpen, te weten:- geldbedragen van 164.500 Euro, , en/of- een boot (Long Island)heeft verworven en/of voorhanden gehad,terwijl hij wist, dat dat geldbedrag en die bootgeheel of gedeeltelijk — onmiddellijk of middellijk — afkomstig was uit enigmisdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

5. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

6. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

7. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – overeenkomstig de procesafspraken – gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen waarvan 193 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, een taakstraf van 100 uren en een geldboete van € 25.000,00.

De officier van justitie heeft toegelicht dat de strafeis zonder de procesafspraken hoger, maar niet hoger dan een derde dan thans geëist, uit zou zijn gevallen. Door het maken van procesafspraken is volgens de officier van justitie sprake van een efficiëntere en snellere afdoening, waardoor de strafrechtketen wordt ontlast. Dit is met name gelegen in het uitblijven van een behandeling in hoger beroep en cassatie. Daarnaast heeft de officier van justitie gewezen op de ruime overschrijding van de redelijke termijn en het maatschappelijk geaccepteerde bestaan dat de verdachte sinds de beëindiging van zijn voorarrest heeft opgebouwd. Gelet op een en ander acht de officier van justitie de door hem gevorderde straf gerechtvaardigd.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft – overeenkomstig de procesafspraken – bepleit dat aan de verdachte de door de officier van justitie gevorderde straf wordt opgelegd.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straffen zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer anderhalve maand schuldig gemaakt aan het voorbereiden van, kort gezegd, de handel in cocaïne. De verdachte heeft met deze gedragingen een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele circuit voor de handel in verdovende middelen. De grootschalige (internationale) handel in harddrugs heeft een ontwrichtende invloed op de samenleving. Daarnaast gaan – zoals ook blijkt uit de chatgesprekken waaraan de verdachte heeft deelgenomen – in de georganiseerde handel van harddrugs grote sommen geld om, waardoor de financiële belangen van daders vaak groot zijn. Om die belangen te beschermen wordt dikwijls geweld gebruikt. Van de drugshandel gaat bovendien een ondermijnend effect uit. Tevens is algemeen bekend dat het gebruik van drugs een ernstige bedreiging vormt voor de volksgezondheid en kan leiden tot een verslaving aan het gebruik daarvan. De verdachte heeft met zijn gedrag kennelijk slechts zijn eigen financiële gewin voor ogen gehad en zich daarbij niets aangetrokken van de schadelijke effecten voor de maatschappij.

Daarnaast heeft de verdachte zich gedurende (grofweg) diezelfde periode schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen en een boot. Witwassen heeft een ontwrichtende werking op het financieel en economisch verkeer en faciliteert de onderliggende (drugs)criminaliteit. Ook levert witwassen een aantasting op van de legale economie.

In aanvulling op hetgeen hierboven is overwogen weegt de rechtbank eveneens mee dat, hoewel de bewezen verklaarde feiten wat de aard daarvan betreft ernstig zijn, zij binnen een relatief beperkte periode, namelijk gedurende (grofweg) anderhalve maand, zijn gepleegd.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 16 juli 2026. Daaruit blijkt dat de verdachte sinds de opheffing van zijn voorlopige hechtenis, op 23 april 2021, niet opnieuw in aanraking is gekomen met justitie. In de vijf jaren voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten is hij niet voor strafbare feiten veroordeeld.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van hetgeen in de procesafspraken gerelateerd is over de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en wat de verdachte daarover ter terechtzitting heeft verklaard. De verdachte lijkt zijn leven gebeterd te hebben. Hij heeft een eigen bedrijf en er is sprake van een stabiele gezinssituatie.

Redelijke termijn

Onderhavige strafbare feiten zijn gepleegd in 2020, inmiddels meer dan zes jaren geleden. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een strafzaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis in eerste aanleg binnen twee jaar nadat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is aangevangen. In deze zaak is die termijn aangevangen op 2 november 2020, met de inverzekeringstelling van de verdachte. De rechtbank overweegt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet te wijten is aan de verdediging. Zowel het tijdsverloop in het algemeen als de ruime overschrijding van de redelijke termijn heeft een sterk matigend effect op een op te leggen straf.

De procesafspraken

De rechtbank heeft acht geslagen op de procesafspraken en de inhoud daarvan met betrekking tot de strafoplegging. De officier van justitie heeft aangevoerd dat een matiging van de strafeis gerechtvaardigd is nu de verdachte heeft meegewerkt aan een procedure die tot tijdwinst leidt. Er is veel voordeel behaald door het ontlasten van onderzoeks- en zittingscapaciteit van politie en justitie alsook door het voorkomen van een eventuele behandeling van de zaak in hoger beroep en cassatie. De rechtbank is zich ervan bewust dat de afspraak om geen hoger beroep in te stellen niet als rechtsgeldige afstand van dat rechtsmiddel geldt. Mocht toch hoger beroep worden ingesteld, dan is die afspraak echter wel relevant bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van dat hoger beroep. Uit de omstandigheid dat in eerste aanleg vonnis is gewezen overeenkomstig de procesafspraken zal in de regel voortvloeien dat het belang ontbreekt bij een behandeling van de zaak in hoger beroep. Een volledige behandeling in hoger beroep lijkt daarmee onwaarschijnlijk. Het voorstel dient niet alleen een efficiënte en voortvarende behandeling, maar ook een effectieve afdoening van de zaak, omdat de zaak sneller onherroepelijk wordt en de straf sneller wordt geëxecuteerd. De procesafspraken dragen dus aanzienlijk bij aan een efficiëntere rechtsgang. Dat de verdachte heeft meegewerkt aan de totstandkoming van de procesafspraken weegt de rechtbank daarom mee in zijn voordeel.

De op te leggen straf

Alles afwegende, worden de strafdoelen voldoende gediend met oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 365 dagen waarvan 192 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, een taakstraf van 100 uren en een geldboete van € 25.000,00. Het onvoorwaardelijke deel van de aan de verdachte op te leggen gevangenisstraf is gelijk aan het reeds door hem ondergane voorarrest.

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen:

- 9, 14 a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24c, 47, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht;

- 2, 10 en 10a van de Opiumwet, en de daarbij behorende lijst I.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de onder 2 en primair onder 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 4.5. bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

ten aanzien van feit 2:

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen of uit te lokken, om daarbij behulpzaam te zijn of om daartoe gelegenheid, middelen of inlichtingen te verschaffen;

en

medeplegen van om een feit, bedoeld in het vierde en vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, zich en een ander gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 3:

medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 365 (DRIEHONDERDVIJFENZESTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 192 (HONDERDTWEEËNNEGENTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op twee jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een taakstraf voor de tijd van 100 (HONDERD) UREN;

beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 50 (VIJFTIG) DAGEN;

veroordeelt de verdachte voorts tot:

een geldboete van € 25.000 (VIJFENTWINTIGDUIZEND EURO);

bepaalt dat de geldboete bij gebreke van betaling en verhaal zal worden vervangen

door hechtenis voor de tijd van 141 (HONDERDEENENVEERTIG) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. M. Diepenhorst, voorzitter,

mr. H.P.M. Meskers, rechter,

mr. C.D.V. Efstratiades, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. N.T.G. Levelt, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 18 september 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. M. Diepenhorst
  • mr. H.P.M. Meskers
  • mr. C.D.V. Efstratiades

Griffier

  • mr. N.T.G. Levelt

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand