ECLI:NL:RBDHA:2026:27899

ECLI:NL:RBDHA:2026:27899

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 20-08-2026
Datum publicatie 24-09-2026
Zaaknummer C/09/710121 / JE RK 26-1368
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Familie- en Jeugdrecht

Zaaknummer: C/09/710121 / JE RK 26-1368

Datum uitspraak: 20 augustus 2026

Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing

in de zaak van

de Raad voor de Kinderbescherming, Rotterdam,

hierna te noemen de Raad,

over

[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2011 in [geboorteplaats] ,

hierna te noemen: [de minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[de moeder] ,

hierna te noemen: de moeder,

wonende in [woonplaats 1] ,

advocaat: mr. M.J. Zennipman uit Den Haag,

[de vader] ,

hierna te noemen: de vader,

wonende in [woonplaats 2] ,

advocaat: mr. M.W. Stoet uit Den Haag.

De kinderrechter merkt als informanten aan:

Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling,

[de tante] ,

hierna te noemen: de tante vaderszijde,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

[de oma] ,

hierna te noemen: de oma vaderszijde,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1. Het verloop van de procedure

De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:

het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 29 juli 2026;

de door de advocaat van de moeder nagestuurde stukken, ontvangen op 18 augustus 2026.

De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:

[naam 1] namens de Raad;

de vader met zijn advocaat;

- de moeder met haar advocaat;

- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.

De tante vaderszijde en oma vaderszijde zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat zij wel juist zijn opgeroepen.

De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter op verzoek van [de minderjarige] nog even kort met alleen haar gesproken, omdat zij nog iets wilde aanvullen en verduidelijken naar aanleiding van haar eerste gesprek. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.

2. De feiten

[de minderjarige] is erkend door de vader.

De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .

[de minderjarige] verblijft bij de tante en oma vaderszijde.

3. Het verzoek

De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er is sprake van een ernstig bedreigde ontwikkeling van [de minderjarige] . [de minderjarige] gaat al bijna twee jaar niet school, heeft geen vaste dagstructuur en haar dag- en nachtritme is verstoord. Daarnaast zijn er zorgen over haar emotieregulatie, waarbij sprake is van stemmingswisselingen en (verbale) agressie. [de minderjarige] is kwetsbaar en beïnvloedbaar in sociale relaties en er bestaan zorgen over haar seksuele ontwikkeling. In de opvoedsituatie ontbreekt het haar aan duidelijke grenzen en ouderlijke sturing. Zij bepaalt grotendeels zelf waar zij verblijft, hoe zij haar dagen invult en of zij afspraken nakomt. Tussen de ouders is al langere tijd sprake van een verstoorde communicatie. Hierdoor ontbreekt een eenduidige opvoedlijn en lukt het onvoldoende om afspraken over haar verblijf, schoolgang en opvoeding consequent na te komen en te handhaven. Het lukt de ouders ook met de langdurige inzet van verschillende vormen van hulpverlening, onvoldoende om de zorgen over [de minderjarige] weg te nemen. Daarbij hebben de ouders een beperkte draagkracht vanwege hun persoonlijke (psychische) problematiek en door de zorg voor hun andere kinderen. De Raad vindt het daarom nodig dat een jeugdbeschermer wordt betrokken bij het gezin. Het is van belang dat er concrete en eenduidige afspraken worden gemaakt over haar verblijf, schoolgang en omgangsmomenten. Er moet stap voor stap met [de minderjarige] worden gewerkt aan het herstellen van een dagstructuur, een gefraseerde terugkeer naar het onderwijs en aan het verwerken van ingrijpende gebeurtenissen uit het verleden. Daarnaast is ook een machtiging tot uithuisplaatsing noodzakelijk. [de minderjarige] verblijft nu bij haar tante en oma van vaderzijde en dit lijkt haar voor de nu de meeste rust en stabiliteit te geven. Wel is er weinig zicht op de opvoedvaardigheden van de tante en heeft zij aangegeven graag praktische en financiële steun te krijgen. De komende periode is het van belang dat wordt onderzocht of deze plek blijvend wenselijk is voor [de minderjarige] en zo niet dat wordt onderzocht welke plek wel in het belang van [de minderjarige] is. Ook is het van belang dat wordt onderzocht wat nodig is om [de minderjarige] uiteindelijk weer bij (één van) de ouders te laten wonen.

4. De standpunten

De moeder vindt het belangrijk dat er passende hulp voor [de minderjarige] wordt ingezet. De moeder heeft [de minderjarige] aangemeld bij RondomJou en dit traject is inmiddels gestart. Er is al een coach voor [de minderjarige] aangesteld door de gemeente en zij staat daarvoor open. De moeder staat er in beginsel ook achter dat [de minderjarige] bij de tante en oma vaderszijde verblijft, als zij naar school gaat en meewerkt aan de hulpverlening. [de minderjarige] is aangemeld bij een school en zij is gemotiveerd om daar te starten. Ook voor hulpverlening om de communicatie met de vader te verbeteren staat de moeder open en het is niet vastgesteld dat dit niet van de grond gaat komen. De moeder meent dat de hulpverlening vanuit het vrijwillig kader kan worden ingezet en zij vindt een ondertoezichtstelling niet noodzakelijk. De moeder is daarbij bang dat een ondertoezichtstelling juist nadelige gevolgen zal hebben voor [de minderjarige] en zal worden ingezet als machtsmiddel. Daarnaast zal de inzet van de noodzakelijke hulpverlening voor [de minderjarige] vertraging oplopen, ook door de lange wachtlijsten. De moeder benadrukt dat het van belang is dat de reeds ingezette hulpverlening vanuit RondomJou, waaronder de inzet van een coach, door blijft gaan. De moeder ziet ook wel de voordelen van een ondertoezichtstelling waarbij een jeugdbeschermer mee kan kijken of [de minderjarige] goed en veilig zit bij de tante.

De vader wil het beste voor [de minderjarige] en dat er rust voor haar komt. De vader vindt een ondertoezichtstelling nodig voor de ontwikkeling van [de minderjarige] en de communicatie tussen de ouders. Na de vorige rechtszitting vielen de ouders terug in oude patronen en zijn de zorgen over [de minderjarige] toegenomen. Het is ook de afgelopen periode met de hulpverlening in het vrijwillig kader niet gelukt om de zorgen af te laten nemen. Daarbij komt dat de tante vaderszijde als tussenpersoon optrad in de communicatie tussen de vader en de moeder. Maar nu er een conflict tussen de tante vaderszijde en moeder heeft plaatsgevonden, kan dat niet meer en wordt de communicatie tussen de ouders bemoeilijkt. Daarom vindt de vader het nodig dat door middel van een neutraal persoon in de vorm van een jeugdbeschermer keuzes kunnen worden gemaakt en rust kan worden gecreëerd voor [de minderjarige] . De tante vaderszijde heeft daarbij aangegeven professionele ondersteuning nodig te hebben. [de minderjarige] heeft het op dit moment goed bij de tante vaderszijde. Wel is dit een tussenoplossing. De band tussen [de minderjarige] en de vader is beschadigd geraakt en de vader wenst dat deze band wordt hersteld. De komende tijd moet er dus veel gebeuren en met de ondersteuning van een jeugdbeschermer kan dit van de grond komen. De vader verzoekt daarom het verzoek toe te wijzen. De vader heeft ook aangegeven dat hij instemt met de inzet van een coach voor [de minderjarige] vanuit RondomJou.

De gecertificeerde instelling ziet ook de zorgen en staat achter het verzoek van de Raad. De gecertificeerde instelling vraagt zich wel af of systeemtherapie in deze situatie passend is. De komende tijd zal de gecertificeerde instelling, als zij betrokken raken, een veiligheidsplan opstellen met de ouders en dit monitoren. Ook zal de gecertificeerde instelling met RondomJou kijken hoe de hulpverlening voor [de minderjarige] kan worden vormgegeven.

5. De beoordeling

Relatieve bevoegdheid

Op grond van artikel 265 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering en artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek is in zaken betreffende minderjarigen de rechter bevoegd van de woonplaats van de met het gezag belaste ouder(s) of, bij gebreke van een woonplaats in Nederland, de rechter van het werkelijk verblijf van de minderjarige. Artikel 1:12 van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat de minderjarige de woonplaats volgt van degene die gezag over hem/haar uitoefent. Als beide ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen maar niet dezelfde woonplaats hebben dan volgt het kind de woonplaats van de ouder bij wie het voor het laatst feitelijk heeft verbleven. De ouders hebben ter zitting verklaard dat [de minderjarige] , voor haar verblijf bij de tante en oma vaderszijde, bij de moeder in [woonplaats 1] woonde. Daarom is formeel de rechtbank Overijssel bevoegd om over het verzoek kennis te nemen. Ter zitting hebben partijen ingestemd met de behandeling van het verzoek bij de rechtbank Den Haag. De kinderrechter in Den Haag is daarom bevoegd kennis te nemen van het verzoek.

Inhoudelijke beoordeling

De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.

De ontwikkeling van [de minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [de minderjarige] groeit op in een onrustige en instabiele opvoedsituatie. Tussen de ouders is sprake van (echt)scheidingsproblematiek en zij zijn niet in staat om op een constructieve manier met elkaar te communiceren en afspraken te maken in het belang van [de minderjarige] . Ook volgt [de minderjarige] op dit moment geen onderwijs en heeft zij geen andere dagbesteding, waardoor zij structuur mist in haar leven. Positief is dat [de minderjarige] is aangemeld bij het OPDC en dat zij heeft aangegeven gemotiveerd te zijn om daar te starten, maar dit moet wel zorgvuldig worden begeleid. Daarnaast zijn er zorgen over de emotieregulatie, kwetsbaarheid en het zelfbepalende gedrag van [de minderjarige] . De ouders hebben momenteel geen grip op [de minderjarige] en zij houdt zich niet aan afspraken. De kinderrechter constateert dat de zorgen over [de minderjarige] langdurig zijn en dat het van groot belang is dat, ook gelet op de leeftijd van [de minderjarige] , er concrete stappen worden genomen om de negatieve patronen te doorbreken. Het is positief dat de ouders achter de noodzakelijk gevonden hulpverlening staan en de moeder daarin stappen heeft gezet door [de minderjarige] aan te melden bij RondomJou. Maar het is ook gebleken dat de hulpverlening vanuit het vrijwillig kader tot nu toe onvoldoende is geweest om de zorgen over [de minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter vindt daarom de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling nodig. De jeugdbeschermer moet zicht houden op de ontwikkeling van [de minderjarige] , regie voeren over de hulpverlening en de ouders ondersteunen en begeleiden waar nodig. Daarnaast is het van belang dat erop wordt ingezet dat [de minderjarige] weer met de juiste begeleiding naar school gaat. Het is daarbij van belang dat met beide ouders en RondomJou om de tafel wordt gezeten om de nodige zaken voor [de minderjarige] te regelen. Beide ouders hebben ter zitting aangegeven in te stemmen met de inzet van een coach vanuit RondomJou, dus een coach kan op korte termijn voor [de minderjarige] worden geregeld en ingezet. Gelet op de zorgen en de stappen die nog moeten worden genomen, vindt de kinderrechter een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar passend en geboden.

De beslissing tot ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.

Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding. [de minderjarige] verblijft op dit moment bij de tante en oma vaderszijde. [de minderjarige] heeft aangegeven het hier fijn te vinden en op dit moment ook te willen blijven. Bij haar tante en oma krijgt zij de verzorging en opvoeding die zij nodig heeft. Wel is het van belang dat de komende tijd wordt onderzocht of deze plaatsing (blijvend) nodig is voor [de minderjarige] of dat zij op termijn weer bij één van de ouders kan gaan wonen. Om de plaatsing bij de tante en oma te formaliseren is een machtiging tot uithuisplaatsing nodig. De kinderrechter vindt, gelet op het voorgaande, de verzochte termijn van zes maanden passend en geboden. De kinderrechter zal het verzoek dan ook toewijzen zoals verzocht.

De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6. De beslissing

De kinderrechter:

stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 20 augustus 2026 tot 20 augustus 2027;

verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een voorziening voor (netwerk)pleegzorg, met ingang van 20 augustus 2026 tot 20 februari 2027;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026 door

mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Goossen als griffier, en op schrift gesteld op 22 september 2026.

Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:

degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. R.M. Goossen als

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand