RECHTBANK DEN HAAG
Jeugd- en Zorgrecht
Zaaknummer: C/09/709924 / JE RK 26-1341
Datum uitspraak: 20 augustus 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. H. Polat uit Rijswijk,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats] .
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 27 juli 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] , namens de Raad;
[naam 2] , namens de gecertificeerde instelling;
de moeder met haar advocaat;
de vader bijgestaan door een tolk.
De kinderrechter heeft [de minderjarige] naar haar mening gevraagd. [de minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [de minderjarige] heeft verteld.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
[de minderjarige] verblijft in een logeerhuis.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [de minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en verzoekt een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. De Raad maakt zich zorgen om de ontwikkeling van [de minderjarige] . [de minderjarige] laat zich niet sturen door haar vader en moeder en is zelfbepalend in haar gedrag. [de minderjarige] is op zoek naar haar identiteit, wat passend is bij haar leeftijd, maar lijkt daar geen enkele sturing, ondersteuning en begeleiding in te (willen) krijgen. De Raad vreest dat zij zonder grenzen verder grenzeloos gedrag ontwikkelt wat voor meer problemen zal zorgen in de toekomst. Daarnaast maakt de Raad zich zorgen dat [de minderjarige] vastloopt in haar ontwikkeling doordat zij nare gebeurtenissen uit het verleden niet heeft kunnen verwerken. [de minderjarige] is het afgelopen jaar naar een lager onderwijsniveau gegaan en heeft een hoog schoolverzuim. Vanwege de zorgen is VUHP een periode betrokken geweest bij het gezin. Door VUHP is aangegeven dat de moeder baat heeft bij langdurige en laagdrempelige opvoedondersteuning en is geadviseerd om [de minderjarige] bij een logeerhuis te laten verblijven. [de minderjarige] verblijft op dit moment in een logeerhuis van Jeugdformaat en de Raad vindt het belangrijk dat zij daar de komende periode kan blijven zodat zij rust krijgt om toe te komen aan haar ontwikkeling. Het is van belang dat er een jeugdbeschermer betrokken wordt om de regie te voeren. De jeugdbeschermer kan zicht houden op de ontwikkeling van [de minderjarige] in het logeerhuis en kan hulpverlening voor haar opstarten. De Raad maakt zich daarnaast zorgen dat de vader en de moeder niet op één lijn zitten en dus geen duidelijke lijn hanteren voor [de minderjarige] . Ook lijken zij niet voldoende aan te kunnen sluiten bij haar opvoedbehoeften. De Raad ziet hierin een rol voor de jeugdbeschermer.
4. De standpunten
Door en namens de moeder is verweer gevoerd. De moeder accepteert hulpverlening en ziet de noodzaak daarvan in. Hulpverlening vanuit het gedwongen kader is daarom niet nodig. De moeder is bezorgd over [de minderjarige] en voelt zich machteloos. Ze benoemt dat [de minderjarige] voorlopig niet thuis kan zijn en dat het daarom goed is dat zij de komende periode niet thuis woont. De moeder vraagt zich wel af of het logeerhuis van Jeugdformaat voldoende aansluit bij [de minderjarige] .
De vader denkt dat het gedrag van [de minderjarige] te maken heeft met de pubertijd. [de minderjarige] luistert niet naar hem, ook niet als hij het vriendelijk vraagt. Hij hoopt dat [de minderjarige] beter leert luisteren op de groep bij Jeugdformaat. Misschien is het goed als ze daar wat langer blijft.
De gecertificeerde instelling ziet ook de zorgen en begrijpt het verzoek van de Raad. De gecertificeerde instelling geeft aan dat de vader en de moeder de hulp van een regievoerder kunnen gebruiken en dat bekeken moet worden welke hulpverlening nodig is.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. Ook is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
De kinderrechter overweegt daartoe als volgt. [de minderjarige] wordt ernstig in haar ontwikkeling bedreigd. [de minderjarige] heeft een belast verleden en zij heeft ingrijpende gebeurtenissen meegemaakt. Ze heeft een hoog schoolverzuim en lijkt vast te lopen in haar ontwikkeling. [de minderjarige] laat zelfbepalend gedrag zien waarin zij zich niet laat sturen door haar ouders. Het lukt de vader en de moeder onvoldoende om aan te sluiten bij [de minderjarige] en haar gedrag te begrenzen. Ook lijken de vader en de moeder wat betreft de opvoeding niet altijd op één lijn te zitten en [de minderjarige] lijkt daar gebruik van te maken. Er zijn daarnaast zorgen over het verschil in intelligentieniveau tussen [de minderjarige] en haar moeder. In het vrijwillig kader is onder meer hulpverlening vanuit VUHP ingezet. Het is ook met deze hulpverlening niet mogelijk gebleken om [de minderjarige] thuis te laten wonen. Ondanks dat de vader en de moeder openstaan voor hulpverlening en dit accepteren, is het niet gelukt om de zorgen over [de minderjarige] weg te nemen. De kinderrechter vindt het dan ook belangrijk dat er een jeugdbeschermer betrokken wordt bij het gezin om de ouders te helpen. De jeugdbeschermer zal de regie voeren over de benodigde hulpverlening en kan zicht houden op de ontwikkeling van [de minderjarige] . Op dit moment is het onduidelijk wat de oorzaak is van het gedrag van [de minderjarige] . Volgens de vader komt dit door de pubertijd terwijl de Raad denkt dat het gedrag verder gaat dan dat. Het is van belang dat hier zicht op komt. Ook is het nodig dat de jeugdbeschermer de ouders gaat ondersteunen. De ouders hebben hulpverlening nodig om beter aan te kunnen sluiten bij de opvoedbehoeften van [de minderjarige] . Vanwege de zorgen is het ook noodzakelijk dat [de minderjarige] de komende periode in het logeerhuis verblijft. [de minderjarige] kan daar de ondersteuning krijgen die zij nodig heeft voor haar ontwikkeling terwijl de vader en de moeder kunnen werken aan het verbeteren van hun opvoedvaardigheden.
De kinderrechter stelt [de minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar en verleent een machtiging om [de minderjarige] uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van zes maanden.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [de minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 20 augustus 2026 tot 20 augustus 2027;
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder met ingang van 20 augustus 2026 tot 20 februari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 20 augustus 2026 door
mr. M.J.L. van der Waals, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. I.M. Kroon als griffier, en op schrift gesteld op 21 september 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.