RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.51124
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 1 september 2026 heeft de minister aan eiser, die de Roemeense nationaliteit heeft en is geboren op [geboortedatum] 2001, de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan en daarbij meegedeeld binnen welke termijn en bij wie hoger beroep kan worden ingesteld.
Beoordeling door de rechtbank
3. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
De rechtbank is van oordeel dat de minister in ieder geval de gronden a en b heeft kunnen tegenwerpen. Bij besluit van 2 december 2024 is eisers verblijfsrecht als Unieburger ingetrokken en is hem te kennen gegeven dat hij Nederland binnen een maand moest verlaten. Eiser is niet zelfstandig vetrokken en is na zijn gedwongen uitzettingen telkens weer teruggekeerd naar Nederland. Daarmee heeft eiser zijn verblijf in Nederland dus niet daadwerkelijk en effectief beëindigd. Daargelaten of eiser met zijn gestelde verblijf van anderhalve maand in Duitsland zijn verblijf in Nederland wel daadwerkelijk en effectief zou hebben beëindigd, heeft eiser dat ook niet aangetoond. De minister heeft hem toegang tot internet aangeboden om dat te onderbouwen, maar eiser heeft daarop direct verklaard dat hij niets kan aantonen. De minister hoefde daarom verder geen onderzoek te doen en heeft hem kunnen tegenwerpen dat hij niet heeft voldaan aan zijn verplichting tot vertrek, dat hij Nederland dus niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen en dat hij zich enige tijd heeft onttrokken aan het toezicht. Ook de niet betwiste gronden p, r en s heeft de minister kunnen tegenwerpen. Deze vijf gronden, in onderlinge samenhang bezien, zijn voldoende om aan te nemen dat het risico bestaat dat eiser (weer) zal onderduiken.
De rechtbank is verder van oordeel dat er geen aanleiding was voor de minister om een lichter middel dan de bewaring op te leggen. Het feit dat eiser niet zelfstandig is teruggekeerd en dat hij telkens vanuit vreemdelingenbewaring gedwongen moet worden uitgezet is op zichzelf al voldoende reden om geen toepassing te geven aan een lichter middel.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van
M.R. van Kerkwijk, griffier.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.