[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 2002, van Bengalese nationaliteit, eiser/verzoeker, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. L. Soedamah),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).
Inleiding
1. Met het besluit van 25 november 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de verblijfsvergunning regulier in het kader van studie van eiser ingetrokken. Ook heeft verweerder een terugkeerbesluit opgelegd met een vertrektermijn van vier weken en is eiser gesignaleerd in het SIS. Eiser heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Met het besluit van 30 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening.
De rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met voorafgaand bericht, niet ter zitting verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
De rechtbank komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is en het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is op 15 januari 2022 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning met als doel ‘studie’. Per 31 augustus 2023 heeft verweerder deze verblijfsvergunning ingetrokken. Op deze datum heeft de onderwijsinstelling eiser namelijk afgemeld omdat eiser is gestopt met zijn studie. Verweerder heeft een terugkeerbesluit opgelegd omdat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Eiser moet de Europese Unie (EU) verlaten en terugkeren naar Bangladesh. Vanwege het terugkeerbesluit heeft verweerder eiser gesignaleerd in SIS.
Het standpunt van eiser
4. Eiser stelt zich – samengevat – op het standpunt dat het terugkeerbesluit disproportioneel en onrechtmatig is, nu hij inmiddels feitelijk verblijf heeft in een andere EU-lidstaat en voldoet aan de voorwaarden van legalisatie aldaar. Eiser woont en werkt al geruime tijd in Portugal en heeft daar een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning. Hiermee is ook de SIS-signalering disproportioneel. Ook heeft de SIS-signalering verstrekkende gevolgen voor het recht op gezins- en privéleven, wat strijd oplevert met artikel 8 van het EVRM. Verweerder heeft nagelaten een op het geval toegespitste beoordeling te verrichten en heeft daarbij de individuele omstandigheden van eiser onvoldoende betrokken en onderzocht.
Het oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 6, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn, in samenhang met artikel 62a, eerste lid, onder b van de Vw volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan nemen als de vreemdeling in het bezit is van een door een andere lidstaat afgegeven geldige verblijfsvergunning of andere toestemming tot verblijf.
Voor zover de rechtbank het standpunt van eiser zo moet opvatten dat aan eiser geen terugkeerbesluit mocht worden opgelegd omdat hij in Portugal verblijf heeft, dan wel is toegestaan daar te verblijven, is dit naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken. Eisers stelling dat hij in Portugal werkt en woont en daar een aanvraag voor een verblijfsvergunning heeft ingediend, heeft hij niet met stukken onderbouwd. Nu eiser niet heeft aangetoond dat hij rechtmatig verblijf heeft in Portugal, is het terugkeerbesluit niet onrechtmatig. Op grond van artikel 2, eerste lid, van de SIS-Verordening is verweerder verplicht om bij het nemen van een terugkeerbesluit de vreemdeling inzake zijn terugkeer in het SIS te signaleren. Verweerder is dan ook op goede gronden hiertoe overgegaan.
Voor wat betreft het beroep op artikel 8 van het EVRM is de rechtbank van oordeel dat, anders dan eiser stelt, verweerder wel degelijk een individuele beoordeling heeft gemaakt in het kader van artikel 8 van het EVRM. Daarin is ook zijn verblijf in Portugal meegewogen. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden op welke andere individuele omstandigheden eiser in zijn beroepsschrift doelt.
De hoorplicht
6. Eiser voert daarnaast aan dat hij in bezwaar ten onrechte niet is gehoord.
Uit vaste rechtspraak volgt dat horen een essentieel onderdeel is van de bezwaarprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag alleen afzien van horen als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder mocht afzien van het horen van eiser in bezwaar. Het bezwaar ten aanzien van het terugkeerbesluit had, zonder nadere onderbouwing met stukken, redelijkerwijs niet tot een ander besluit kunnen leiden. Zowel in bezwaar als in beroep heeft eiser aangegeven documenten te hebben die zijn stelling rondom zijn verblijfsrechtelijke situatie in Portugal onderbouwen. Eiser heeft deze stukken tot op heden niet overgelegd. Zonder nadere onderbouwing kan de enkele stelling dat eiser inmiddels feitelijk verblijf heeft in Portugal en voldoet aan de voorwaarden van legalisatie aldaar, niet tot een ander besluit leiden.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank/voorzieningenrechter:
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.Z. Achouak El Idrissi, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.M. Jongejans, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.