[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 2006, van Turkse nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. P.J. Schüller),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
Inleiding
1. Met het primaire besluit van 16 oktober 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiser voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) afgewezen.
Met het bestreden besluit van 18 juli 2025 is verweerder bij dat besluit gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiser heeft aanvullende stukken ingediend. Eiser is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.
De rechtbank heeft het beroep op 7 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. F.S. Fahad als waarnemer van de gemachtigde van eiser, referent en de gemachtigde van verweerder. De gemachtigde van eiser was als toehoorder aanwezig.
Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiser heeft op 7 februari 2023 een aanvraag voor een mvv ingediend op grond van artikel 8 van het EVRM. Hij beoogt namelijk verblijf bij zijn broer [referent] (referent). Referent heeft met ingang van 7 december 2022 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
3. Met het primaire besluit heeft verweerder de aanvraag afgewezen. Eiser heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De familierechtelijke relatie tussen eiser en referent is namelijk niet aannemelijk gemaakt. Omdat eiser inspanningen heeft verricht, krijgt hij het voordeel van de twijfel voor wat betreft de familieband. Volgens verweerder is echter geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen eiser en referent. Nu geen sprake is van familie- en gezinsleven tussen eiser en referent heeft verweerder geen belangenafweging gemaakt.
4. Met het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder blijft bij het standpunt dat geen sprake is van persoonlijke hechte banden tussen eiser en referent en dat er dus ook geen sprake is van familie- en gezinsleven in het kader van artikel 8 van het EVRM. Omdat verweerder het bezwaar kennelijk ongegrond heeft verklaard, is afgezien van het horen van eiser en/of referent in de bezwaarfase.
Beoordeling door de rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag op goede gronden heeft afgewezen.
Op de zaak betrekking hebbende stukken
6. Verweerder is op grond van artikel 8:42, eerste lid, van de Awb verplicht om de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toe te zenden. In bezwaar heeft referent naar voren gebracht dat er sprake was van een gedwongen scheiding met eiser en dat zijn asielrelaas en de feitelijke reden van zijn vertrek uit Turkije zijn miskend. In het bestreden besluit volgt verweerder de verklaringen van referent dat de scheiding met eiser geen vrijwillig karakter had. Verweerder lijkt hierbij informatie uit het asieldossier betrokken te hebben, maar er zijn geen stukken uit dat dossier ingebracht. In beroep heeft eiser het rapport van het nader gehoor van referent van 16 november 2022 ingebracht. De rechtbank heeft ter zitting gevraagd of verweerder alle op de zaak betrekking hebbende stukken in het geding heeft gebracht en of het nader gehoor of andere stukken uit het asieldossier onderdeel uitmaken van de op de zaak betrekking hebbende stukken. De gemachtigde van verweerder kon echter niet aangeven of dit gehoor betrokken is bij de besluitvorming. Het is voor de rechtbank dan ook onduidelijk gebleven of dit stuk wel of niet bij de op de zaak betrekking hebbende stukken hoort. Ingevolge artikel 8:31 van de Awb, kan, als een partij niet voldoet aan de verplichting stukken over te leggen, de bestuursrechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hem geraden voorkomen. De rechtbank zal echter eerst beoordelen of de hoorplicht is geschonden.
Schending hoorplicht
7. Eiser stelt dat het bezwaar ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgedaan en dat de hoorplicht is geschonden. Eiser heeft in bezwaar een veelvoud aan documenten en gronden ingediend die niet naar voren zijn gebracht bij de aanvraag. Van een kennelijke ongegrondheid kan dan ook geen sprake zijn. Het horen van eiser en/of referent had wel degelijk tot een andere heroverweging kunnen leiden. Verweerder had hier immers kunnen doorvragen op omstandigheden die kunnen duiden op hechte persoonlijke banden.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Het uitgangspunt is dat belanghebbenden in de gelegenheid worden gesteld om te worden gehoord, voordat verweerder op het bezwaar beslist. Dit uitgangspunt geldt te meer in zaken waarin er beslissingsruimte is en de beslissing sterk afhankelijk is van de omstandigheden van het geval en waarbij een individuele belangenafweging moet worden gemaakt. Daaronder vallen onder meer zaken waarin artikel 8 van het EVRM een rol speelt. Verweerder kan, onder andere, afzien van horen wanneer het bezwaar kennelijk ongegrond is. Dit is bijvoorbeeld het geval wanneer iemand nalaat zijn bezwaar te motiveren of in het bezwaarschrift alleen maar een herhaling van zetten geeft. In gevallen waarin iemand in de bezwaarfase nog niet alle relevante informatie en bewijsstukken heeft overgelegd die van hem worden verlangd, of in de situatie waarin er nog onduidelijkheden over het te beoordelen feitencomplex bestaan, kan een gehoor juist uitkomst bieden om ontbrekende informatie boven tafel te krijgen. De vraag of verweerder in dergelijke situaties toch van een gehoor af kan zien, is afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval. De vuistregel hierbij is dat naarmate iemand meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover met verweerder heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
9. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder de hoorplicht geschonden. Uit het bestreden besluit volgt namelijk dat verweerder, anders dan in het primaire besluit, aanneemt dat referent vanuit een vluchtpositie naar Oekraïne en vervolgens naar Nederland is gegaan en dat sprake was van een gedwongen scheiding vanwege de problemen van referent als gülenist. Ook heeft verweerder pas in het bestreden besluit aangenomen dat referent sinds 2025 financiële steun verleent aan het gezin en dat hun vader sinds 2024 in Irak verblijft. Verder heeft eiser zijn bezwaar met meerdere (nieuwe) stukken onderbouwd. Gelet op het bovenstaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gesproken van een kennelijk ongegrond bezwaar en had dit aanleiding moeten zijn om referent en/of eiser voor een hoorzitting uit te nodigen. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt namelijk dat de vraag of sprake is van ‘more than normal emotional ties’ een vraag is van feitelijke aard en dat de beantwoording daarvan afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. Deze feitelijke banden hadden bij uitstek tijdens een hoorzitting uitgevraagd kunnen worden.
10. Omdat de hoorplicht is geschonden, had verweerder het bezwaar niet kennelijk ongegrond mogen verklaren en bevat het bestreden besluit een zorgvuldigheidsgebrek. De rechtbank ziet geen aanleiding om dit gebrek te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en 7:2 van de Awb. Verweerder dient een hoorzitting te houden voordat opnieuw op het bezwaar van eiser wordt beslist.
11. Nu het beroep reeds gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan de bespreking van de overige beroepsgronden. Ook komt de rechtbank dan niet toe aan het oordeel over de op de zaak betrekking hebbende stukken. De rechtbank geeft verweerder in overweging mee de samenstelling van het dossier zorgvuldig te beoordelen en zij wijst verweerder erop dat het nader gehoor door het indienen ervan door eiser in beroep onderdeel uitmaakt van de op de zaak betrekking hebbende stukken.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond, omdat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken.
Omdat eiser geen griffierecht heeft betaald, hoeft verweerder geen griffierecht aan hem te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser wel een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 18 juli 2025;
- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr.M.A.H. Gonera, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.