RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie,
uitspraak
Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.41876 (beroep) en NL26.41877 (vovo)
Y-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser], eiser
(gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer),
en
(gemachtigde: [gemachtigde]).
Procesverloop
1. Eiser heeft op 25 juni 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Yw 20001 ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 18 juli 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Italië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen die inhoudt dat hij niet mag worden overgedragen totdat op het beroep is beslist.
De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna samen: de rechtbank) heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 14 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Cheiboukh als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat sinds 12 juni 2026 in de Asiel- en migratiebeheerverordening2 (AMBY). Eiser heeft zijn asielaanvraag gedaan op 25 juni 2026, zodat de AMBY op die aanvraag van toepassing is. Op grond van de AMBY neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.3
Eiser komt uit Koeweit. Hij heeft op 25 mei 2025 een visum gekregen voor Italië voor de duur van vijf jaar. Hij is in 2025 in Italië geweest en daarna teruggekeerd naar Koeweit. In 2026 is hij met hetzelfde visum naar Nederland gereisd.
Nederland heeft bij Italië een overnameverzoek gedaan. Italië heeft dit verzoek aanvaard.
Beroepsgronden
3. Eiser voert aan dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid omdat hij niet in de gelegenheid is geweest voorafgaand aan het gehoor met zijn advocaat te spreken. Bovendien stelt eiser zich op het standpunt dat ten aanzien van Italië niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij meent dat hij bij terugkeer in een situatie terecht zal komen die strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest.
Is het besluit voldoende zorgvuldig voorbereid?
4. De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat het besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Eiser is gehoord. In het gehoor is hem gevraagd of hij bezwaren heeft tegen een eventuele overdracht aan Italië. Na afloop van het gehoor heeft hij de gelegenheid gehad zijn advocaat te spreken en correcties en aanvullingen op het gehoor in te dienen. Van die mogelijkheid heeft hij ook gebruik gemaakt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Is overdracht in strijd met het internationaal vertrouwensbeginsel?
5. Het uitgangspunt is dat de minister, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ervan mag uitgaan dat een andere lidstaat zijn internationale verplichtingen nakomt tegenover een vreemdeling die op grond van voorheen de Dublinverordening4 en thans de AMBV wordt overgedragen. Dit beginsel betekent dat lidstaten erop mogen vertrouwen dat de andere lidstaten de vreemdeling in overeenstemming met het EVRM5, het Vluchtelingenverdrag en het Unierecht zullen behandelen.
De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in de uitspraken van 26 april 20236 echter geoordeeld dat op basis van berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten sprake is van objectieve informatie die aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de opvangvoorzieningen in Italië systeemfouten bevatten. Daarom heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister, zonder nader onderzoek, ten aanzien van Italië niet langer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Uit de berichtgeving van de Italiaanse autoriteiten volgt namelijk dat er in Italië vanwege de hoge asielinstroom een gebrek aan beschikbare opvangfaciliteiten bestaat, dat ertoe heeft geleid dat de Italiaanse autoriteiten de lidstaten hebben verzocht overdrachten aan Italië tijdelijk op te schorten. De Afdeling heeft overwogen dat uit die berichtgeving niet zonder meer volgt dat de Italiaanse autoriteiten onverschillig staan tegenover de situatie van vreemdelingen, maar dat daarmee wel een reëel risico bestaat dat vreemdelingen buiten hun eigen wil en keuzes om bij overdracht aan Italië in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomen zoals bedoeld in het arrest Jawo7 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof).
De minister stelt zich op het standpunt dat hij inmiddels weer mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister wijst in dat verband op een gesprek dat hij heeft gehad met de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken, waarin is besproken dat Italië medewerking gaat verlenen aan het Asiel- en Migratiepact (AMP). Dit is opgenomen in een brief van de minister aan de Tweede Kamer8. Ook wijst de minister op een rapport van de Europese Commissie van 15 juli 2026 9. Verder wijst de minister op informatie van het EUAA10 over de opvangfaciliteiten in Italië in 2025, een rapport van EMN11 van juli 202612 en de wekelijkse cijfers van het Ministerie van Binnenlandse Zaken over de aanwezige migranten in de opvang in Italië. Verder heeft de minister erop gewezen dat volgens het Hof de enkele opschorting door een lidstaat nog niet betekent dat sprake is van structurele tekortkomingen 13
De rechtbank stelt voorop dat het oordeel van de Afdeling in haar uitspraken van 16 april 2023 niet uitsluitend is gebaseerd op het besluit van de Italiaanse autoriteiten om de overdrachten op te schorten. De Afdeling heeft in die uitspraken immers op basis van de beschikbare informatie over de asielinstroom en de beschikbare opvangfaciliteiten geoordeeld dat sprake is van objectieve informatie die aanknopingspunten biedt voor het oordeel dat de opvangvoorzieningen in Italië systeemfouten bevatten. Het beroep op de arresten Tudmur en Daraa slaagt daarom niet.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat ten aanzien van Italië inmiddels wel weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Er is onvoldoende gebleken dat de door de Afdeling beschreven situatie niet meer aan de orde is. De toezegging van de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken blijkt niet uit de door de minister aangehaalde stukken en is bovendien zeer algemeen.
Net als deze rechtbank, zittingsplaats 's-Hertogenbosch14, is de rechtbank van oordeel dat er geen concrete indicaties zijn dat de situatie in Italië in betekenisvolle mate gewijzigd is. Integendeel, er zijn juist aanknopingspunten dat de situatie nog onveranderd is. In het EU-rapport van juli 2026, waarnaar de minister heeft verwezen, heeft de Europese Commissie een vroegtijdige beoordeling uitgevoerd van de huidige toepassing van de nieuwe verantwoordelijkheidsregels in het kader van het AMP. De beoordeling heeft betrekking op de eerste drie weken sinds het van toepassing worden van het AMP en ziet specifiek op de lidstaten Griekenland en Italië. In dit rapport worden de positieve inspanningen van Italië ter voorbereiding op het AMP genoemd en staat vermeld dat de organisatie van het nationale opvangsysteem toereikend lijkt te zijn om personen op te vangen die onder de AMBY worden overgebracht. Wat betreft de eerste drie weken sinds inwerkingtreding van het AMP is echter uit informatie van acht andere lidstaten gebleken dat Italië overdrachtsverzoeken stilzwijgend blijft accepteren, maar dat de overdrachten zelf nog altijd niet zijn hervat. In de betreffende periode zijn twaalf overdrachten aangevraagd
door lidstaten en deze zijn allen door Italië geweigerd. In het rapport trekt de Commissie de volgende conclusie ten aanzien van de situatie in Italië:
"The measures taken by Italy so far show significant efforts in preparingfor the implementation of Part III of the AMMR (AMBY, toevoeging rechtbank). At this stage however, no concrete indications could be observed that the practices under the Dublin lil Regulation, and notably with regard to the suspension of the reception of transfers, except for cases of family reunification of unaccompanied minors, no /onger persist. Furthermore, there are, at present, no indications that the Italian authorities have actively engaged with other Member States on the practical and logistical steps to resume transfers. ltaly needs to remove all the remaining impediments as a matter of priority, including by discontinuing the practices that have so far prevented transfers from taking place, and to ensure the necessary engagement and operational cooperation with other Member States on all practical and /ogistical arrangements, so that transfers are ejfectively carried out in compliance with the AMMR. 15
Hoewel de rechtbank geen concrete informatie heeft ten aanzien van de vraag waarom Italië de feitelijke overdrachten in de recente periode weigert, leidt de rechtbank uit het voorgaande af dat de situatie in Italië ten aanzien van de opschorting van de feitelijke overdrachten in feite nog steeds ongewijzigd is. Bij gebrek aan informatie over de redenen van weigering, gaat de rechtbank uit van het vermoeden dat dit - nog altijd - het gevolg is van de situatie in Italië zoals eind 2022 en begin 2023 is aangegeven door de Italiaanse autoriteiten, namelijk een gebrek aan opvangcapaciteit.
De rechtbank volgt de minister verder niet in zijn standpunt dat als gevolg van de specifiek door hem genoemde landeninformatie toch anders naar de situatie moet worden gekeken. De informatie van het EUAA en EMN, waarnaar de minister verwijst, heeft niet concreet betrekking op de situatie rondom Dublinclaimanten, terwijl dit wel de situatie is waar de beoordeling van de rechtbank op gericht moet zijn.
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat weer kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Italië. Deze beroepsgrond slaagt dus.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om zelf in de zaak te voorzien.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
Omdat de rechtbank op het beroep beslist, heeft eiser geen belang meer bij een beslissing op zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Dit verzoek wordt daarom afgewezen.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt€ 2.802,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift en een verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
6.4.
Beslissing
De rechtbank, in de zaak met nummer NL26.4 l 876:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van 18 juli 2026;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;
de voorzieningenrechter, in de zaak met nummer NL26.41877:
- wijst het verzoek af;
de rechtbank/voorzieningenrechter, in beide zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van€ 2.802,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
1 Vreemdelingenwet 2000.
2 Verordening EU nr. 2024/1351.
3 Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.
4 Verordening EU nr. 2013/604.
5 Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6 ECLI:NL:RVS:2023:1654 en ECLI:NL:RVS:2023:1655.
7 Arrest van het Hofvan Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.
8 Brief van 22juni 2026, met kenmerk 7996176, Kamerstukken II 32 317, nr. 1014.
9 Communication from the Commission to the European Parliament and the Council van 15 juli 2026
• 0 European Union Agency for Asylum.
11 European Migration Network.
12 Asylum and Migration overview 2025.
13 Arrest Tudmur van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1036 en arrest Daraa van 5 maart 2026, ECLI:EU:C:2026:146.
14 Uitspraak van 1 september 2026, hersteld bij hersteluitspraak van 4 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25614.
15 EU-rapport van juli 2026, pag. 8.