RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52241
(gemachtigde: mr. E. Derksen),
en
(gemachtigde: mr. G.J. Westendorp).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Procesverloop
2. Met het bestreden besluit van 6 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 15 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Is de maatregel gebaseerd op een juiste grondslag?
3. Eiser voert aan dat hij op een onjuiste grondslag in bewaring is gesteld. Volgens hem was op 6 september 2026 nog geen overnameverzoek bij Duitsland ingediend en was evenmin een nieuwe kennisgeving inzake terugname verzonden. Ook stelt hij dat de eerdere overdracht naar Duitsland op 9 januari 2026 de toenmalige overdrachtsprocedure heeft beëindigd en dat voor een nieuwe overdracht een nieuwe terugnameprocedure nodig is.
De beroepsgrond slaagt niet. Uit Eurodac blijkt dat eiser op 14 december 2022 en 4 maart 2025 in Duitsland asiel heeft aangevraagd. Daarmee bestaan concrete aanwijzingen dat eiser onder de werkingssfeer van de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV) valt. Eiser kon daarom op grond van artikel 44 van de AMBV in vreemdelingenbewaring worden gesteld. Dat paragraaf A5/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 vermeldt dat een overnameverzoek of kennisgeving aan een andere lidstaat kan worden betrokken bij de inbewaringstelling, maakt dit niet anders. De AMBV is rechtstreeks toepasselijk
Dient het overdrachtsbesluit in deze procedure te worden getoetst?
4. Eiser voert aan dat het overdrachtsbesluit niet inzichtelijk maakt waarom Duitsland in de huidige situatie gehouden is eiser opnieuw terug te nemen. Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van eiser toegelicht dat op 13 september 2026 beroep is ingesteld tegen het overdrachtsbesluit en dat dit besluit – gelet op de samenhang met de maatregel van vreemdelingenbewaring en om eiser een effectief rechtsmiddel te bieden – in deze procedure moet worden getoetst.
Aan eiser is op 10 september 2026 een overdrachtsbesluit bekend gemaakt. Tegen dat besluit staat afzonderlijk beroep open. In deze zaak ligt de met een beroep gelijk te stellen kennisgeving van de opgelegde maatregel van bewaring voor. De beoordeling of het overdrachtsbesluit rechtmatig is, ligt in deze procedure dan ook niet ter toetsing voor.
Kunnen de gronden de maatregel van vreemdelingenbewaring dragen?
5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de AMBV en een onderduikrisico bestaat.
In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Eiser heeft alle gronden betwist. Daarnaast heeft eiser aangevoerd dat het onderduikrisico met name bij gronden p, r en s algemeen zijn geformuleerd en onvoldoende verband leggen tussen de individuele omstandigheden van eiser en een concreet risico dat hij zich aan de overdracht naar Duitsland zal onttrekken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zware grond a terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Eiser heeft op 14 december 2022 en op 4 maart 2025 asiel aangevraagd in Duitsland, en op 18 mei 2025 in Nederland. Omdat eiser zich in geen van deze lidstaten beschikbaar heeft gehouden voor de beoordeling van zijn aanvraag, heeft hij zich zonder toestemming tussen de lidstaten bewogen. Eisers betoog, dat de minister concreet had moeten vaststellen welke verblijfsrechtelijke positie eiser na zijn Duitse procedure had en wanneer en onder welke omstandigheden hij Duitsland eerder heeft verlaten, doet niet af aan de feitelijke juistheid. Uit artikel 5.6, derde lid, van de Vb 2000, volgt dat bij grond a geen toelichting van het onderduikrisico is vereist.
Ook is grond r feitelijk juist, omdat eiser niet op een gesteld adres staat ingeschreven in de BRP. Dat eiser, zoals hij stelt, vrienden en een vriendin in Nederland heeft en dat deze sociale contacten bij de minister bekend zijn, maakt dit niet anders. Daarnaast heeft de minister bij deze grond voldoende gemotiveerd waarom hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen voortvloeit, door te stellen dat het risico dat eiser onderduikt en niet traceerbaar is, groot is.
Gronden a en r zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 te kunnen dragen. Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking.
Had de minister moeten volstaan met een lichter middel?
6. Eiser voert aan dat had moeten volstaan met een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring. Hij heeft immers aangeboden zelfstandig naar Duitsland te gaan. Namens eiser is tijden het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling ook expliciet gevraagd of opvang in een Dublinopvanglocatie mogelijk was. Dit is afgedaan met de enkele mededeling dat eiser hiervoor niet in aanmerking komt. Er is geen blijk van een concrete beoordeling of bijvoorbeeld een meldplicht, een verblijf op een aangewezen locatie of een afspraak voor begeleide overdracht mogelijk was. De minister verwijst vooral naar gebeurtenissen uit eerdere procedures.
De minister stelt zich, gelet op de gronden die aan de maatregel van vreemdelingenbewaring ten grondslag zijn gelegd, terecht op het standpunt dat sprake is van een onttrekkingsrisico. Dat eiser zelfstandig wil vertrekken naar Duitsland, doet niet af aan het onttrekkingsrisico. Hierbij heeft de minister mogen betrekken dat eiser – na een eerdere overdracht naar Duitsland – naar Nederland is teruggekeerd. De minister hoefde daarom niet te volstaan met een lichter middel. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.