ECLI:NL:RBDHA:2026:27544

ECLI:NL:RBDHA:2026:27544

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer NL26.51561
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Bewaring 59a. Strafrechtelijke aanhouding. Grondslag. Gronden. Geen bezwaar OM nadat dagv is uitgereikt. Ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026 in de zaak tussen

[eiser] , v-nummer: [x] , eiser

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.51561

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

(gemachtigde: mr. S. de Vries).

1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2. Met het bestreden besluit van 2 september 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3. Op grond van artikel 44 van de Asiel- en migratiebeheerverordening kan een vreemdeling met het oog op overdracht aan een verantwoordelijke lidstaat in bewaring worden gesteld. Dat kan wanneer sprake is van een onderduikrisico of wanneer bewaring noodzakelijk is met het oog op de bescherming van de nationale veiligheid of de openbare orde. De bewaring moet evenredig zijn en mag alleen worden toegepast als andere, minder dwingende maatregelen niet effectief kunnen worden toegepast. Bij een bewaring wegens een onderduikrisico moeten ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb 2000, aanwezig zijn.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4. De minister heeft aan de maatregel ten grondslag gelegd dat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening en een onderduikrisico bestaat.

In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:

a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is op grond van de Asiel- en migratiebeheerverordening;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb 2000 heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Was sprake van een strafrechtelijke aanhouding?

5. Eiser voert, samengevat, aan dat uit de stukken onvoldoende blijkt dat sprake was van een strafrechtelijke aanhouding. Er blijkt onvoldoende duidelijk op grond waarvan eiser feitelijk is aangehouden en of dit was vanwege een daadwerkelijke diefstal of iets anders. Dan moet het er voor worden gehouden dat het ging om een vreemdelingenrechtelijke staandehouding. Die is dan onrechtmatig omdat daar geen grond voor bestond.

Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het proces-verbaal van aanhouding van eiser blijkt duidelijk dat verbalisanten van de politie een melding kregen van een vechtpartij. Ter plaatse werd eiser er door een derde van beschuldigd een poging te hebben gepleegd tot diefstal en hij kon zich niet identificeren. Uiteindelijk is eiser aangehouden op verdenking van diefstal. Daarmee is zonder meer sprake van een strafrechtelijke aanhouding. Of het een daadwerkelijke diefstal betrof is een vraag voor de strafrechter en staat dus niet in deze procedure ter beoordeling.

Grondslag van de maatregel

6. Eiser voert, samengevat, aan dat de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat aan de voorwaarden voor verlenging van de overdrachtstermijn is voldaan. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat de Oostenrijkse autoriteiten vóór het verstrijken van de oorspronkelijke overdrachtstermijn daadwerkelijk in kennis zijn gesteld van het onderduiken van eiser en de daarbij vastgestelde nieuwe overdrachtstermijn. Met alleen de verlengingsbrief is niet aangetoond dat dit ook daadwerkelijk via DubliNet aan Oostenrijk is verzonden en de autoriteiten daar dit vóór het verstrijken van de oorspronkelijke overdrachtstermijn hebben ontvangen. Daarmee heeft de minister ook niet aangetoond dat op het moment van het opleggen van de maatregel nog sprake was van een uitvoerbare overdracht aan Oostenrijk en mocht eiser dus niet op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw 2000 in bewaring worden gesteld.

Deze beroepsgrond slaagt niet. In het dossier bevindt zich een verlengingsbesluit dat tegelijk met het annuleren van de geplande overdracht vanwege het onderduiken van eiser, aan de Oostenrijkse autoriteiten zou zijn verzonden. Eiser betwist wel dat dit verlengingsbesluit door die autoriteiten zou zijn ontvangen, maar op zichzelf bestaat er geen reden om daaraan te twijfelen. Daarbij is van belang dat de minister op zitting heeft aangeboden deze bevestiging alsnog op te vragen en aan het dossier toe te voegen, maar dat de gemachtigde van eiser zich daartegen heeft verzet. Verder is voor de toepassing van artikel 59a van de Vw 2000 niet vereist dat op het moment van de inbewaringstelling vaststaat dat de overdracht daadwerkelijk kan worden geëffectueerd. Voldoende is dat een concreet aanknopingspunt voor overdracht bestaat. Dat is zonder meer het geval. Eiser is dus op de juiste grondslag in bewaring gesteld.

Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen?

7. Eiser betwist alle gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd. Eiser voert daartoe, voor zover hier relevant, aan dat de feitelijke juistheid van grond a onvoldoende is gemotiveerd. De minister wijst erop dat eiser bij zijn asielaanvraag op 2 september 2025 geen geldig reisdocument heeft overgelegd, maar daarmee is niet aangetoond hoe eiser destijds Nederland feitelijk is binnengekomen. Ook de combinatie van het ontbreken van reisdocument, een Eurodac-hit en een eerdere mob-melding is daarvoor onvoldoende. Eiser betwist ook grond k omdat, zoals ook onder 6 betoogd, niet aannemelijk is gemaakt dat de overdrachtstermijn rechtsgeldig is verlengd. Ook is het actuele onderduikrisico onvoldoende gemotiveerd. Eiser heeft namelijk tijdens het gehoor verklaard dat hij in Duitsland verblijft, daar opvang heeft en bereid is naar Duitsland terug te keren. Ten onrechte heeft de minister dit niet danwel onvoldoende onderzocht. De eerdere gedragingen van eiser uit februari 2026 kunnen dan ook niet gebruikt worden ter onderbouwing van het actuele onderduikrisico.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft in de maatregel bij grond a gemotiveerd dat eiser zonder paspoort of ander identiteitsbewijs op illegale wijze naar de Europese Unie is gereisd en eiser bij zijn asielaanvraag op 2 september 2025 geen geldig reisdocument heeft overhandigd. De minister heeft daaruit mogen afleiden dat eiser Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen. Eiser heeft namelijk zelf ook in het gehoor voorafgaand aan het opleggen van de maatregel verklaard dat hij zijn paspoort heeft achtergelaten in Oekraïne en daarna de Europese Unie en Nederland is ingereisd zonder dat hij in het bezit was van dat paspoort of een ander geldig reisdocument. Verder heeft de minister er op gewezen dat eiser op 26 februari 2026 met onbekende bestemming is vertrokken hetgeen ook blijkt uit de stukken en door eiser niet is betwist. Daarmee is de feitelijke juistheid van grond a voldoende gemotiveerd en mocht de minister die aan eiser tegenwerpen. Wat eiser tegen de feitelijke juistheid van grond k heeft aangevoerd, slaagt reeds niet gelet op wat de rechtbank onder 6.1 heeft overwogen. De minister heeft in de maatregel gewezen op het overdrachtsbesluit en op de omstandigheid dat eiser op 27 februari 2026 met een vlucht naar Wenen zou uitreizen maar hij niet is komen opdagen en op 26 februari 2026 met onbekende bestemming was vertrokken. Dit is door eiser ook niet betwist. Daarmee is deze grond feitelijk juist. Ook het, actuele, onderduikrisico is door de minister voldoende gemotiveerd. Daartoe heeft de minister kunnen wijzen op de gronden en op de omstandigheid dat eiser vlak voor de geplande vlucht op 27 februari 2026 naar Wenen met onbekende bestemming is vertrokken, heeft verklaard niets met Oostenrijk te hebben en dat hij terug wil naar Duitsland. Dit laatste en wat eiser verder nog heeft gesteld met betrekking tot Duitsland betekent dus ook niet dat de minister daar onderzoek naar had moeten doen, omdat eiser aan Oostenrijk moet worden overgedragen en niet aan Duitsland. De gronden a en k zijn dus voldoende om de maatregel te dragen. De rechtbank beoordeelt daarom de betwisting van de andere gronden niet.

Bezwaar openbaar ministerie

8. Eiser voert aan dat de minister stelt dat het openbaar ministerie geen bezwaar heeft tegen de overdracht van eiser, maar het openbaar ministerie heeft dit verbonden aan de mededeling dat eiser voor het bijwonen van de strafzitting een terugkeervisum kan krijgen. Niet is onderzocht of dit daadwerkelijk kan. Onttrekking aan het toezicht kan daarvoor een weigeringsgrond vormen. Zonder nader onderzoek kan daarom niet worden aangenomen dat het door het openbaar ministerie vooronderstelde aanwezigheidsrecht na overdracht daadwerkelijk kan worden geëffectueerd. Als het openbaar ministerie alleen onder die voorwaarde geen bezwaar heeft tegen de overdracht, moet de minister aantonen dat aan die voorwaarde is voldaan voordat tot overdracht wordt overgegaan.

Vanwege de bekende vluchtdatum op 17 september 2026 heeft de minister aan de officier van justitie gevraagd of hij bezwaar heeft tegen de overdracht van eiser. De officier van justitie heeft daar als volgt op gereageerd:

“De officier van justitie heeft geen bezwaar tegen de uitzetting, nadat de dagvaarding in persoon is uitgereikt. Graag aan de verdachte uitleggen tijdens het vertrekgesprek (en dit schriftelijk vastleggen) dat hij in het land van herkomst bij de Nederlandse ambassade (of consulaat) met de dagvaarding van de zaken met parketnummer (…) 05-250822-26 & 05-032799-26 een (tijdelijk) terugkeervisum (voor de aanwezigheid ter terechtzitting) kan aanvragen. Onze administratie zal u zo spoedig mogelijk stukken doen toekomen van de zaken welke moeten worden betekend. Als de betekening van de stukken is gelukt, dan kan hij worden uitgezet. Wilt u vervolgens voor mijn administratie de getekende akte en de getekende bijlage retour zenden?

Tevens ontvang ik graag bericht of de verdachte daadwerkelijk is uitgezet en wanneer de uitzetting heeft plaatsgevonden.”

Hieruit volgt dat het openbaar ministerie geen bezwaar heeft tegen de overdracht van eiser nadat de dagvaarding hem in persoon is uitgereikt. Het openbaar ministerie heeft de toestemming niet afhankelijk gesteld van de vraag of eiser ook daadwerkelijk een terugkeervisum kan verkrijgen en zo daadwerkelijk zijn strafzitting kan bijwonen. Wat de consequenties zouden moeten zijn als eiser de behandeling van zijn strafzaak wel zou willen bijwonen, maar geen terugkeervisum kan krijgen, is aan de strafrechter. De minister hoefde hier dus ook geen nader onderzoek naar te doen. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van mr. N. ter Horst, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.A. van der Straaten

Griffier

  • mr. N. ter Horst

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand