Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/707844 / KG ZA 26-713
Vonnis in kort geding van 7 september 2026
in de zaak van
[eiser] te [woonplaats] ,
eiser,
advocaat mr. M.C.V. Dornstedt,
tegen:
STICHTING GEESTELIJKE GEZONDHEIDSZORG DELFLAND te Delft,
gedaagde,
advocaat mr. G.J. Kessels.
Partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘GGZ Delfland’ genoemd.
1. De procedure
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 17 augustus 2026, met producties 1 tot en met 26;
- de conclusie van antwoord, met producties 1 tot en met 6;
- de akte houdende vermindering van eis van [eiser] ;
- de aanvullende producties 7 tot en met 9 van GGZ Delfland.
De mondelinge behandeling van de zaak vond plaats op 26 augustus 2026. Tijdens de zitting hebben partijen hun standpunten verder toegelicht, mede aan de hand van overgelegde spreekaantekeningen die aan het procesdossier zijn toegevoegd. Ook hebben partijen vragen van de voorzieningenrechter beantwoord. Aan het eind van de zitting heeft de voorzieningenrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.
Bij aanvang van de zitting heeft de voorzieningenrechter het beroep van GGZ Delfland op diens onbevoegdheid besproken en kenbaar gemaakt dat de voorzieningenrechter bevoegd is tot kennisneming van dit geschil, en dat de kantonrechter dat ‘ook’ is. [eiser] heeft gekozen voor de voorzieningenrechter, en dat stond hem vrij. GGZ Delfland heeft haar beroep op de onbevoegdheid vervolgens laten varen.
2. De feiten
Op grond van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, wordt in deze zaak van het volgende uitgegaan.
[eiser] is werkzaam bij GGZ Delfland als manager bedrijfsvoering. In 2022-2023 heeft [eiser] op instigatie van zijn werkgever een ontwikkeltraject doorlopen. Per 1 januari 2024 heeft hij een overstap binnen GGZ Delfland gemaakt, waarbij hij onder leiding kwam te staan van zijn huidige leidinggevende, de heer [naam 1] (hierna: [naam 1] ). [naam 1] heeft [eiser] begeleid en hij heeft in 2025 meerdere reflecterende gesprekken met [eiser] gevoerd over het functioneren van [eiser] . Daarin is afgesproken dat [eiser] met zijn ontwikkelpunten aan de slag zou gaan. In die periode heeft [eiser] ook een extern coaching traject ‘effectief leidinggeven’ doorlopen.
In december 2025 heeft een eindevaluatiegesprek plaatsgevonden over het ontwikkeltraject van [eiser] . Daarin heeft [naam 1] aan [eiser] laten weten dat het functioneren van [eiser] onvoldoende is verbeterd. Ook is gesproken over de toekomst van [eiser] binnen GGZ Delfland. Begin januari 2026 heeft [naam 1] aan [eiser] laten weten dat GGZ Delfland bereid is om hem een laatste kans te bieden om zich te verbeteren, in de vorm van een verbetertraject. Afgesproken werd dat [naam 1] een verbeterplan aan [eiser] zou toesturen en partijen daarover in gesprek zouden gaan.
Vervolgens heeft [eiser] een advocaat in de arm genomen, die op 15 januari 2026 het personeelsdossier van [eiser] bij GGZ Delfland heeft opgevraagd.
Op 28 januari 2026 heeft [naam 1] een verbeterplan aan [eiser] en zijn advocaat gestuurd. Daarin staat dat GGZ Delfland bereid is om [eiser] een laatste kans te geven om zijn functioneren te verbeteren naar een voldoende professioneel niveau op de onderwerpen resultaatgerichtheid, taakvolwassenheid/eigenaarschap en de ontwikkeling, monitoring, implementatie en evaluatie van producten en diensten. [naam 1] heeft [eiser] uitgenodigd om schriftelijk op het plan te reageren en het daarna met elkaar te bespreken. Verder heeft [naam 1] bericht dat hij het personeelsdossier niet zal verstrekken, omdat [eiser] zelf over alle documenten beschikt. Daarop heeft de advocaat van [eiser] dezelfde dag gereageerd dat [eiser] geen toegang heeft tot zijn personeelsdossier en hij ervan uitgaat dat [naam 1] alsnog een kopie zal toesturen. Ook heeft de advocaat van [eiser] laten weten dat hij het verbeterplan met [eiser] zal bespreken en in overleg met hem een reactie zal opstellen.
Begin februari 2026 heeft GGZ Delfland aan [eiser] een afschrift van zijn personeelsdossier verstrekt. Ook heeft [eiser] (weer) toegang gekregen tot zijn digitale personeelsdossier, nadat de toegang kennelijk door technische oorzaken geblokkeerd was geweest.
In de periode daarna heeft ook GGZ Delfland een advocaat in de arm genomen en zijn partijen een mediationtraject gestart.
Op 3 maart 2026 heeft de advocaat van [eiser] aan de advocaat van GGZ Delfland bericht dat het personeelsdossier van [eiser] een e-mailbericht bevat waarin melding wordt gemaakt van een “mail opvallendheden met betrekking tot [eiser] .” Omdat laatstgenoemd e-mailbericht niet in het dossier zit, heeft de advocaat van [eiser] verzocht om een afschrift daarvan.
De advocaat van GGZ Delfland heeft op 5 maart 2026 gereageerd dat de “mail opvallendheden met betrekking tot [eiser] ” niet met [eiser] zou worden gedeeld, omdat het een e-mailwisseling met persoonlijke gedachten betreft die geen onderdeel uitmaakt van het personeelsdossier.
De advocaten van [eiser] en GGZ Delfland hebben in maart 2026 verschillende berichten uitgewisseld over het verstrekken van dit e-mailbericht.
Het door partijen doorlopen mediationtraject is in juni 2026 geëindigd.
Op 24 juni 2026 heeft [eiser] een e-mail gestuurd aan de voorzitter van de raad van bestuur van GGZ Delfland, mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Daarin heeft hij beschreven dat hij vanaf het begin van de gesprekken over zijn functioneren met [naam 1] een dreiging ervaart dat hij geen werk meer voor GGZ Delfland mag doen en dat [naam 1] een onduidelijk beeld schetst over zijn vermeende disfunctioneren. [eiser] heeft [naam 2] verzocht om een gesprek over de situatie.
Een dag later, op 25 juni 2026, heeft de advocaat van [eiser] bij de kantonrechter van deze rechtbank een verzoek voorlopig deskundigenbericht ingediend om een door de kantonrechter te benoemen het door [eiser] ervaren onveilige arbeidsklimaat binnen de organisatie van GGZ Delfland zou kunnen onderzoeken. Dit verzoekschrift heeft hij diezelfde dag per e-mail aan de advocaat van GGZ Delfland gestuurd, gelijktijdig met conceptdagvaarding in kort geding waarin de afgifte van de e-mail “opvallendheden met betrekking tot [eiser] ” werd gevorderd.
Diezelfde dag heeft [naam 1] een e-mail gestuurd aan [eiser] , waarin hij refereert aan een overleg dat hij die ochtend met [eiser] heeft gevoerd. [naam 1] schrijft dat tijdens dat overleg is afgesproken dat, nu de mediation is afgesloten, aan [eiser] een verbetertraject wordt aangeboden. Daarop heeft [eiser] op 28 juni 2026 gereageerd dat die afspraak niet is gemaakt, maar dat [naam 1] een verbetertraject heeft aangekondigd en dat [eiser] [naam 1] naar zijn advocaat heeft verwezen.
Op 29 juni 2026 heeft de advocaat van GGZ Delfland gemeld dat GGZ Delfland alsnog bereid was de e-mail “opvallendheden met betrekking tot [eiser] ” te verstrekken en heeft zij het document als bijlage bijgevoegd. Verder heeft zij bericht dat de vordering van [eiser] is ingewilligd en veronderstelde dat daarmee het kort geding wel van de baan zou zijn. Ook heeft zij verzocht om het verzoekschrift tot benoeming van een deskundige in te trekken.
Daarop heeft de advocaat van [eiser] op 2 juli 2026 gereageerd dat de door GGZ Delfland verstrekte e-mail niet de e-mail is waar [eiser] om had verzocht en dat het kort geding doorgang zou vinden.
Op diezelfde dag heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [naam 2] en [eiser] . Daarvan heeft [naam 2] een verslag gemaakt, dat zij later die dag per e-mail aan [eiser] heeft gestuurd. In dat verslag staat, samengevat, dat is afgesproken dat [naam 2] binnen de organisatie gaat uitzoeken of GGZ Delfland aan [eiser] een andere functie, namelijk de rol van locatieverantwoordelijke kan aanbieden en zo ja, onder welke voorwaarden. Als één van de voorwaarden om [eiser] duurzaam te herplaatsen in een andere functie/rol, heeft [naam 2] genoemd dat [eiser] de gerechtelijke procedures intrekt.
In een e-mail van 6 juli 2026 heeft [naam 1] een verbeterplan aan [eiser] gestuurd met het verzoek om daarover op korte termijn in gesprek te gaan.
Vervolgens hebben de advocaten van [eiser] en GGZ Delfland met elkaar gecorrespondeerd over de aanhouding van de gerechtelijke procedures. De advocaat van [eiser] heeft op 15 juli 2026 bericht dat, zodra hem duidelijk is wanneer de data voor de mondelinge behandeling van het kort geding van de verzoekschriftprocedure bekend zijn en hij zicht heeft op de voortgang van het overleg tussen [eiser] en [naam 2] , om aanhouding van de procedures kan worden verzocht.
Op 17 juli 2026 heeft GGZ Delfland aan [eiser] voorgesteld om hem te herplaatsen in de functie van facilitair coördinator per 1 augustus 2026.
Diezelfde dag heeft [naam 2] een e-mail aan [eiser] gestuurd, waarin zij onder andere laat weten dat zij – in afstemming met [naam 1] – heeft besloten om de polikliniek ouderen in [plaats] niet meer onder de leiding van [eiser] te laten vallen. De reden daarvoor was dat [eiser] niet in staat was gebleken met een effectieve aanpak te komen om de tegenvallende productie te verbeteren. Daarop heeft de advocaat van [eiser] later die dag aan de advocaat van GGZ Delfland bericht dat het gaat om een de facto non-actiefstelling. Namens [eiser] heeft hij verzocht om de non-actiefstelling ongedaan te maken, bij gebreke waarvan het kort geding – waarvoor inmiddels een datum was bepaald – doorgang vindt en [eiser] zijn eis zal vermeerderen met een vordering tot wedertewerkstelling.
Bij e-mail van 21 juli 2026 heeft de advocaat van GGZ Delfland onder andere bericht dat GGZ Delfland [eiser] niet op non-actief heeft gesteld, maar dat er voorlopig een taak bij [eiser] is weggehaald. Ook heeft zij laten weten dat [naam 1] in overleg zal treden met [eiser] over de overdracht van de aansturing van de polikliniek ouderen in [plaats] . Verder heeft de advocaat van GGZ Delfland gevraagd wanneer [eiser] verwacht te kunnen beslissen op het voorstel tot herplaatsing, waarbij zij heeft aangegeven dat GGZ Delfland ernaar streeft om [eiser] per 1 augustus 2026 te herplaatsen.
Op 23 juli 2026 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser] en [naam 1] , waarbij ook een P&O adviseur van GGZ Delfland aanwezig was. De volgende dag heeft [naam 1] een verslag van dit gesprek aan [naam 1] gestuurd, met het verzoek om opmerkingen of aanvullingen aan hem toe te sturen.
Op 24 juli 2026 heeft de advocaat van GGZ Delfland een uitgebreid bericht gestuurd aan de advocaat van [eiser] . Daarin heeft zij onder andere gevraagd om een nadere toelichting over welke specifieke e-mail [eiser] nog wenst te ontvangen. Ook heeft zij namens GGZ Delfland het voorstel van 17 juli 2026 herhaald. Verder heeft zij verzocht om de gerechtelijke procedures in te trekken dan wel aan te houden zolang partijen nog in gesprek zijn over een oplossing, omdat deze procedures leiden tot een toename van spanningen op de werkrelatie en verstoring daarvan. Tot slot heeft zij namens GGZ Delfland bericht dat als [eiser] de procedures tegen de leidinggevende [naam 1] (in persoon) doorzet, GGZ Delfland een duurzame oplossing niet meer voor ogen ziet. Zij heeft erop aangedrongen [naam 1] niet in rechte te betrekken.
[eiser] heeft op 28 juli 2026 gereageerd op het door [naam 1] gestuurde gespreksverslag. [eiser] heeft daarin kenbaar gemaakt dat hij zich totaal niet kan vinden in de de facto non-actiefstelling en hij zich daartegen verzet. Verder heeft hij laten weten dat hij het gesprek van 23 juli 2026 heeft opgenomen, dat de inhoud van het gespreksverslag niet overeenstemt met zijn opname en dat hij om een voorziening tot wedertewerkstelling zal vragen.
In reactie daarop heeft [naam 1] diezelfde dag aan [eiser] bericht dat het heimelijk opnemen van het gesprek zijn vertrouwen schaadt, dat hij de opname wenst te ontvangen en dat hij daarover in gesprek wil. Verder heeft [naam 1] bericht dat [eiser] niet op non-actief is gesteld, maar dat alleen is besloten om hem tijdelijk geen leidinggevende taken voor de polikliniek ouderen te [plaats] te laten verrichten, vanwege het ernstig achterblijven van de productie. Tot slot heeft [naam 1] [eiser] uitgenodigd voor een gesprek met hem en [naam 2] .
Dat gesprek vond plaats op 30 juli 2026. Tijdens dat gesprek is [eiser] op non-actief gesteld vanwege een ernstige vertrouwensbreuk die een belemmering vormt voor de uitvoering van zijn werkzaamheden. Later die dag heeft [naam 2] de non-actiefstelling per brief bevestigd. In de brief heeft [naam 2] toegelicht dat het wederzijds vertrouwen ernstig is geschonden, wat inmiddels van invloed is op de uitvoering van de werkzaamheden van [eiser] . Ook heeft [naam 2] aan [eiser] gevraagd om zijn advocaat te verzoeken om [naam 1] niet in persoon te dagvaarden.
In deze brief staat het volgende:
“Vandaag hebben wij met jou gesproken over de ontstane situatie en de inmiddels ernstige vertrouwensbreuk in de arbeidsrelatie. Namens GGZ Delfland namen aan het gesprek deel [naam 1] , [naam 3] (P&O) en ondergetekende. Omdat jij het gesprek wilde opnemen, hebben we besloten allebei een opname van het gesprek te maken.
De ernstige vertrouwensbreuk is gelegen in het feit dat het wederzijds vertrouwen in elkaar ernstig is geschonden, hetgeen inmiddels van invloed is op de uitvoering van de werkzaamheden. Zo geef jij aan je niet meer veilig te voelen bij jouw leidinggevende en ondergetekende waardoor jij heimelijk opnames hebt gemaakt van tenminste één gesprek. In het gesprek geef jij aan dat jij de opname heimelijk hebt gemaakt op advies van jouw advocaat. Ook heeft de vertrouwensbreuk tot gevolg dat jij belangrijke zaken, zoals een fondsenaanvraag, niet afstemt met [naam 1] , zelfs niet terugkoppelt terwijl de aanvraag voor flinke kosten wel op naam van [naam 1] is gesteld. In het gesprek erkende jij dat het jouw aanvraag is en dat jij in de ‘hectiek van dat moment’ niet hebt bedacht om terug te koppelen aan [naam 1] dat de aanvraag op zijn naam is gedaan.
Ik benoemde dat wij ervaren dat de spanningen hoog zijn opgelopen. Dit erkende jij. We hebben in het gesprek geprobeerd te achterhalen wat jij wilt en wat jij wilt bereiken met de gerechtelijke procedures. ledere vraag beantwoordde jij met een verwijzing naar jouw advocaat en gaf je aan ‘Ik ga hier geen antwoord op geven’. Je gaf wel aan dat je bij GGZ Delfland wilt blijven werken, maar je kon niet aangeven wat daarvoor nodig is. Hierdoor was een gesprek om te komen tot een oplossing onmogelijk. Ik heb aangegeven dit heel lastig en onprettig te vinden. Ik heb je ook gevraagd waarom je eerder niet met mij in gesprek wilde, zodat ik een toelichting kon geven op mijn beslissing om jou van een taak te ontheffen. Jij gaf aan dat je niet met mij in gesprek ging op advies van jouw advocaat.
Ook [naam 1] heeft aangegeven dat hij zich niet meer prettig en veilig voelt in de samenwerking met jou. Jouw advocaat maakt namens jou veel verwijten aan zijn adres, jij neemt een gesprek heimelijk op en jij koppelt belangrijke zaken niet terug. Daarnaast ben jij van plan om [naam 1] in persoon te gaan dagvaarden.
Omdat ik tijdens het gesprek merkte dat je boos werd, heb ik hiernaar gevraagd. Jij gaf aan dat je het geen prettige situatie vindt en dat het geen prettig gesprek is om te voeren, waarna je vervolgde ‘Ik zeg verder niets’. Hierop erkende ik dat het niet prettig is voor jou en ik het liever ook anders zou zien. Waarbij ik benoemde dat er intussen wel hard is gewerkt voor jou aan een voorstel tot herplaatsing dat een goede oplossing zou kunnen zijn.
Op de vraag van [naam 1] waarom je het op-maat-gemaakte voorstel tot herplaatsing niet met beide handen aangrijpt om daar een succes van te maken, gaf je aan ‘Ik geef geen antwoord.’ Toen we daarop doorvroegen, gaf je aan oprechte en serieuze interesse te hebben in de aangeboden functie die jij passend vindt. Je kan ermee akkoord gaan als wij jouw voorwaarden, waaronder behoud van jouw salaris, inwilligen.
Omdat de vertrouwensbreuk inmiddels een belemmering vormt in de uitvoering van jouw werkzaamheden, hebben we jou tijdens dit gesprek voorgesteld om jou tijdelijk vrij te stellen van werkzaamheden met behoud van salaris om elkaar de ruimte te bieden om een oplossing te vinden. In eerste instantie wilde jij nadenken over een periode van vrijstelling. Wij verzochten jou om direct een antwoord te geven op ons voorstel van vrijstelling. Uiteindelijk gaf je aan te willen blijven werken.
Zoals vandaag toegelicht, hebben wij vervolgens besloten om jou, conform de geldende cao GGZ, met onmiddellijke ingang op non-actief te stellen. Gedurende deze periode ben je vrijgesteld van werk, maar wordt jouw salaris doorbetaald. Deze maatregel is uitdrukkelijk geen strafmaatregel, maar een ordemaatregel. Op basis van de ernstige vertrouwensbreuk en de daardoor ontstane belemmering in de uitvoering van jouw werkzaamheden zien wij op dit moment geen mogelijkheid om de werkzaamheden op verantwoorde wijze voort te zetten.
We hebben vervolgens aangegeven dat we je op non-actief stellen om elkaar de tijd en ruimte te geven om een oplossing te zoeken voor de ontstane situatie.
Gedurende de periode van non-actiefstelling is het jou niet toegestaan om de gebouwen en terreinen van GGZ Delfland te betreden, tenzij je hiervoor bent uitgenodigd. Het is jou ook niet toegestaan om te spreken met derden, waaronder collega's, over deze situatie, met uitzondering van jouw vertrouwenspersoon en advocaat. Als een collega, externe relatie of andere betrokkene contact met jou opneemt en vragen heeft over deze situatie, kun je deze persoon doorverwijzen naar [naam 1] . Van onze zijde zullen we neutraal communiceren aan een beperkt aantal mensen binnen de organisatie over jouw afwezigheid. We communiceren enkel dat jij voorlopig afwezig bent en voorlopig wordt waargenomen.
De komende periode zullen wij benutten om de ontstane situatie zorgvuldig te beoordelen en te onderzoeken of een oplossing mogelijk is. Wij zullen hierover op korte termijn contact met je opnemen.
Wij realiseren ons dat deze beslissing voor jou ingrijpend kan zijn. Gelet op de huidige omstandigheden achten wij deze maatregel echter noodzakelijk.
Tot slot het volgende. Jouw advocaat heeft aangegeven dat hij [naam 1] in persoon zal dagvaarden in kort geding. Dit gaat te ver. [naam 1] heeft aldoor namens en vanuit zijn dienstverband met GGZ Delfland gehandeld. Ik heb jou niet horen zeggen dat jij anderszins met [naam 1] hebt te maken dan vanuit jouw rol als manager bij onze organisatie. Wil jij jouw advocaat verzoeken om [naam 1] niet in persoon te dagvaarden? Als jouw advocaat toch [naam 1] in persoon dagvaart, houden we jou daarvoor verantwoordelijk en merk ik dit aan als ernstig verwijtbaar handelen.”
Bij verzoekschrift van 8 augustus 2026 heeft GGZ Delfland de kantonrechter van deze rechtbank verzocht de arbeidsovereenkomst met [eiser] te ontbinden. Zowel het door [eiser] ingediende verzoekschrift tot het benoemen van een deskundige als het verzoekschrift tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst worden door de kantonrechter van deze rechtbank behandeld op 9 november 2026.
Op 17 augustus 2026 heeft [eiser] zowel GGZ Delfland als [naam 1] (in persoon) in kort geding gedagvaard.
3. Het geschil
In de dagvaarding van 17 augustus 2026 vorderde [eiser] – zakelijk weergegeven – dat de voorzieningenrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. GGZ Delfland en [naam 1] veroordeelt om binnen een week na de datum van het vonnis een afschrift van dan wel inzage in de e-mail “opvallendheden mbt [eiser] ” geeft, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000 per dag;
II. GGZ Delfland en [naam 1] veroordeelt om binnen 24 uur na betekening van het vonnis [eiser] toe te laten tot zijn functie van manager bedrijfsvoering (BV) en de daarop betrekking hebbende taken en verantwoordelijkheden toe te laten op straffe van verbeurte van een dwangsom van €5.000 per dag;
met veroordeling van GGZ Delfland en [naam 1] in de kosten van de procedure.
Voorafgaand aan de mondelinge behandeling van dit kort geding heeft [eiser] zijn eis verminderd, in die zin dat hij de vordering tot inzage onder I. intrekt en dat hij de overige vorderingen (onder II. en de proceskostenveroordeling) ten aanzien van [naam 1] intrekt. Daarmee is alleen GGZ Delfland nog gedaagde in deze procedure.
Aan zijn vordering legt [eiser] , samengevat, ten grondslag dat GGZ Delfland hem zonder deugdelijke grond op non-actief heeft gesteld en daarom in strijd handelt met het goed werkgeverschap zoals vastgelegd in artikel 7:611 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
GGZ Delfland voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
Het gaat in deze zaak over de vraag of de non-actiefstelling van [eiser] toelaatbaar is. De voorzieningenrechter stelt voorop dat hij alleen een oordeel geeft over de non-actiefstelling en of daar voldoende grond voor bestaat. Hoe kansrijk het verzoek van GGZ Delfland is tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst van [eiser] , blijft in deze procedure buiten beschouwing. Daarover zal de kantonrechter een oordeel moeten vellen.
Van een goed werkgever mag worden verwacht dat hij de werknemer de mogelijkheid biedt de overeengekomen arbeid te verrichten, tenzij er een redelijke en voldoende zwaarwegende grond is om de werknemer die mogelijkheid te onthouden. Daarbij moet acht worden geslagen op de aard van de dienstbetrekking, de overeengekomen arbeid en op de overige bijzondere omstandigheden van het geval.
Vast staat dat [eiser] in zijn functie als manager bedrijfsvoering onder de directe leiding staat van [naam 1] als zijn leidinggevende. [eiser] maakt deel uit van een managementteam waaraan [naam 1] leiding geeft. [naam 1] heeft op de zitting toegelicht dat hij wekelijks overleg heeft met [eiser] en dat heeft [eiser] niet weersproken; hij heeft verklaard dat hij de situatie al anderhalf jaar doorstaat en – hoewel het hem energie kost – hij het nog wel even vol kan houden. Duidelijk is dus dat [eiser] en [naam 1] met regelmaat contact (moeten) hebben vanuit hun functies.
Tussen partijen is een geschil is ontstaan over het functioneren van [eiser] in zijn rol van manager bedrijfsvoering. GGZ Delfland stelt dat [eiser] al langere tijd onvoldoende functioneert in die rol en dat zij er alles aan heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar mag worden verwacht om dat functioneren structureel naar een hoger niveau te tillen. Zo heeft [eiser] diverse coaching- en ontwikkeltrajecten doorlopen en heeft [naam 1] hem begeleid op verschillende thema’s. Dat heeft volgens GGZ Delfland niet tot het gewenste resultaat geleid. [eiser] is het daar niet mee eens. Volgens hem zijn de resultaten van zijn teams goed en heeft het ontwikkeltraject zichtbare verbeteringen opgeleverd. [eiser] heeft meermaals aan GGZ Delfland te kennen gegeven dat hij kan en wil aanblijven in zijn huidige functie van manager. Partijen hebben een mediationtraject doorlopen en met elkaar gesproken over de mogelijkheden van een verbetertraject en het creëren van een alternatieve functie voor [eiser] . GGZ Delfland heeft op 17 juli 2026 een voorstel gedaan voor herplaatsing van [eiser] in een alternatieve functie.
Uit de grote hoeveelheid correspondentie die partijen hebben overgelegd en de toelichting van partijen daarop, rijst het beeld op dat de relatie tussen [eiser] en GGZ Delfland – en meer in het bijzonder die tussen [eiser] en [naam 1] – de afgelopen periode onder grote(re) druk is komen te staan.
Een van de omstandigheden die daarbij een belangrijke rol heeft gespeeld, is de kwestie over de “mail opvallendheden met betrekking tot [eiser] .” Nadat [eiser] begin februari 2026 (weer) toegang had tot zijn personeelsdossier, is hij daarin gestuit op een bericht waarin wordt verwezen naar deze e-mail. Op 3 maart 2026 heeft de advocaat van [eiser] verzocht om een afschrift daarvan. Partijen hebben vervolgens discussie gevoerd over de vraag of GGZ Delfland dit e-mailbericht aan [eiser] moest verstrekken. Omdat GGZ Delfland dat in eerste instantie weigerde, heeft de advocaat van [eiser] een kort geding aangekondigd met als inzet de afgifte van deze e-mail. Nadat de advocaat van [eiser] op 25 juni 2026 een concept kortgedingvaarding aan GGZ Delfland had gestuurd en een datum voor een kort geding bij rechtbank had gevraagd, heeft GGZ Delfland heeft de betreffende e-mail op 29 juni 2026 aan [eiser] verstrekt. In reactie daarop heeft de advocaat van [eiser] op 2 juli 2026 laten weten dat het toegestuurde bericht niet het juiste bericht is, maar een concreet aanknopingspunt voor die stelling werd niet gegeven. [eiser] heeft de vordering tot afgifte desondanks gehandhaafd en ervoor gekozen om daarbij ook [naam 1] – die geen statutaire functie bekleedt binnen GGZ Delfland – persoonlijk in rechte te betrekken, terwijl GGZ Delfland hem herhaaldelijk heeft gevraagd [naam 1] erbuiten te laten. Pas nadat GGZ Delfland een conclusie van antwoord had ingediend (en overigens ook [naam 1] een schriftelijk verweer had geformuleerd), heeft [eiser] besloten om de vordering tot afgifte van de e-mail achterwege te laten en ook de vorderingen jegens [naam 1] in te trekken. Dat deze gang van zaken de verhouding tussen [eiser] en [naam 1] (verder) op scherp heeft gezet, acht de voorzieningenrechter vanzelfsprekend.
Van belang is verder dat [eiser] heimelijk een gesprek heeft opgenomen dat hij op 23 juli 2026 met [naam 1] heeft gevoerd. [eiser] heeft verklaard dat hij dat heeft gedaan uit een gevoel van onveiligheid en om zijn rechtspositie te beschermen. Hoewel de voorzieningenrechter er begrip voor heeft dat [eiser] een opname van het gesprek wenste te maken als hij, zoals hij aanvoert, vond dat verslagen niet altijd een goede weergave van het besprokene waren, heeft [eiser] niet kunnen uitleggen waarom hij dat niet voorafgaand aan het gesprek met zijn leidinggevende [naam 1] heeft besproken. Verder heeft GGZ Delfland onweersproken gesteld dat zij meerdere keren heeft gevraagd om een kopie van de opname van het gesprek, temeer omdat [eiser] meermaals stelde dat de opname uitwees dat het van het gesprek gemaakte verslag niet deugde. Ondanks die verzoeken heeft [eiser] tot op de dag van vandaag geweigerd een kopie van de opname niet GGZ Delfland te geven. Pas tijdens de zitting heeft de advocaat van [eiser] (plots) verklaard dat GGZ Delfland de opname kan krijgen. De voorzieningenrechter acht aannemelijk (en begrijpelijk) dat ook dit voorval en deze gang van zaken de verstandhouding tussen [eiser] en [naam 1] aanzienlijk heeft verslechterd.
Gelet op deze gebeurtenissen, de onmiskenbare gevolgen daarvan voor de (toch al broze) verhouding tussen [eiser] en [naam 1] en het feit dat [eiser] in zijn functie als manager wekelijks met zijn leidinggevende [naam 1] te maken heeft, is de voorzieningenrechter van oordeel dat op dit moment in redelijkheid niet van GGZ Delfland kan worden gevergd dat zij [eiser] weer toelaat in zijn functie. Daarbij weegt ook mee dat inmiddels een datum voor de behandeling van het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst is bepaald. GGZ Delfland heeft in de gegeven omstandigheden een redelijke en voldoende zwaarwegende grond om [eiser] niet toe te laten tot het verrichten van zijn werk. De non-actiefstelling is daarom ook niet strijdig met artikel 18.1 van de toepasselijke cao, waarin staat dat de werkgever de werknemer op non-actief kan stellen als hij vindt dat de voorgang van het werk ernstig wordt belemmerd.
[eiser] heeft verder aangevoerd dat GGZ Delfland de non-actiefstelling niet binnen drie weken heeft verlengd en ook daarom in strijd met de cao heeft gehandeld. De voorzieningenrechter volgt hem daarin niet. In artikel 18.1 van de cao staat dat de werkgever de werknemer voor maximaal drie weken op non-actief kan stellen en dat deze periode voor maximaal drie weken kan worden verlengd. In artikel 18.3 van de cao staat verder dat de werkgever zo spoedig mogelijk de reden aangeeft van de non-actiefstelling en de eventuele verlenging daarvan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft GGZ Delfland zowel met het indienen van haar ontbindingsverzoek bij de kantonrechter als met het indienen van haar conclusie van antwoord voldoende duidelijk en tijdig aan [eiser] kenbaar gemaakt dat zij de non-actiefstelling heeft verlengd. Voor zover [eiser] nog heeft aangevoerd dat GGZ Delfland de non-actiefstelling als strafmaatregel heeft ingezet en daarmee handelt in strijd met artikel 18 lid 6 cao, geldt dat [eiser] die stelling onvoldoende heeft onderbouwd. De voorzieningenrechter gaat daarom aan die stelling voorbij.
Slotsom is dat GGZ Delfland een redelijke en voldoende zwaarwegende grond heeft om [eiser] niet toe te laten tot het verrichten van zijn werk. Het belang van GGZ Delfland bij handhaving van de non-actiefstelling weegt in de gegeven omstandigheden zwaarder weegt dan het belang van [eiser] om weer tot zijn functie te worden toegelaten. De vordering tot wedertewerkstelling wordt daarom afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van GGZ Delfland betalen. Voor een veroordeling van [eiser] in de reële proceskosten voor zover deze zien op de door [eiser] ingetrokken vordering tot afgifte van de e-mail, ziet de voorzieningenrechter onvoldoende grond, hoewel GGZ Delfland moet worden toegegeven dat de handelwijze op dit punt van de zijde van [eiser] bepaald niet de schoonheidsprijs verdient. [eiser] wordt veroordeeld in de forfaitaire proceskosten van GGZ Delfland, die worden begroot op:
- griffierecht € 735
- salaris advocaat € 1.177
- nakosten € 189 (plus de verhoging zoals vermeld in de
beslissing)
Totaal € 2.101
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst de vorderingen van [eiser] af;
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 2.101, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, waarbij geldt dat als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, [eiser] dan € 98 extra moet betalen, plus de kosten van betekening;
veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan;
verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Vetter en in het openbaar uitgesproken op 7 september 2026.
fjs