ECLI:NL:RBDHA:2026:27516

ECLI:NL:RBDHA:2026:27516

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer NL26.11671
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Statushouder Bulgarije; beroep gegrond; bijzondere kwetsbaarheid; IB 2021/56; belang van het kind

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 september 2026 in de zaak tussen

[eiseres] v-nummer: [x] , eiseres

de minister van Asiel en Migratie,

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.11671

mede namens [minderjarige] ,

(gemachtigden: mr. A.T. Bosman-Braam en mr. A. Khalaf),

en

(gemachtigde: mr. A. Gecer).

1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag van eiseres niet in stand kan blijven. De minister heeft onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat eiseres en haar dochter bij overdracht geen reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest zoals bedoeld in het Ibrahim-arrest. Eiseres en haar dochter kunnen in Bulgarije hun rechten namelijk niet effectueren. Ook heeft de minister de belangen van de minderjarige dochter onvoldoende betrokken bij de besluitvorming. Het is daarom niet redelijk om van eiseres en haar dochter te vragen om naar Bulgarije terug te keren. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 26 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank heeft het beroep op 26 mei 2026 samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigden van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

3. Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026 en verwijzing naar regelgeving betreft dus regelgeving zoals die luidde vóór die datum.

Het bestreden besluit

4. De minister heeft de asielaanvraag van eiseres niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Eiseres heeft namelijk sinds 24 februari 2025 internationale bescherming in Bulgarije, samen met haar minderjarige dochter.

Algemeen toetsingskader

5. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 niet-ontvankelijk worden verklaard in de zin van artikel 33 van de Procedurerichtlijn, indien de vreemdeling in een andere lidstaat van de Europese Unie internationale bescherming geniet. Op grond van artikel 3.106a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit (het Vb 2000) wordt de aanvraag slechts niet-ontvankelijk verklaard als het betrokken derde land zich, kort gezegd, aan internationale verplichtingen houdt. Hierbij mag de minister in beginsel uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op grond van artikel 3.106a, tweede lid, van het Vb 2000 wordt de aanvraag bovendien slechts niet-ontvankelijk verklaard als de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem of haar redelijk zou zijn naar dat land te gaan. Bij de beoordeling of sprake is van een band als bedoeld in het tweede lid, worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, waaronder begrepen de aard, duur en omstandigheden van het eerder verblijf. Dit staat in het derde lid van artikel 3.106a van het Vb 2000.

Vaststaande feiten

6. Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiseres en haar dochter bijzonder kwetsbaar zijn. Voor zowel eiseres als voor haar dochter is psychische behandeling en ondersteuning nodig. Op de zitting heeft de minister erkend dat de dochter van eiser bovendien specialistische jeugdhulp nodig heeft, zoals blijkt uit een e-mail van Veiligheidsregio Fryslân/GGD Fryslân. Ook is tussen partijen niet in geschil dat de volgende gebeurtenissen in Bulgarije geloofwaardig zijn: de door eiseres gestelde verkrachting, de bedreiging van haar dochter bij die gebeurtenis met een mes en de latere mishandeling doordat mensen heet water over eiseres heen hebben gegoten. Ook heeft de minister op de zitting erkend dat eiseres toen zij in Bulgarije verbleef, niet op de hoogte was van haar Bulgaarse beschermingsstatus.

Heeft de minister de asielaanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard?

Mag de minister voor Bulgarije uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

Beroepsgrond eiseres

7. Eiseres betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiseres en haar dochter bij terugkeer naar Bulgarije niet in een toestand van verregaande materiële deprivatie zoals bedoeld in het Ibrahim-arrest terecht komen. De minister werpt aan eiseres ten onrechte tegen dat zij niet genoeg initiatief heeft genomen om de belemmeringen waar statushouders in Bulgarije tegenaanlopen, en die de minister ook erkent, te overwinnen. Dit geldt voor hun toegang tot medische en financiële voorzieningen, werk en huisvesting. Bij dit alles speelt dat eiseres niet op de hoogte was van haar beschermingsstatus in Bulgarije, waardoor zij en haar dochter steeds behandeld zijn alsof zij asielzoekers waren. Zij beschikten ook niet over documenten, zoals een verblijfspas, waaruit hun beschermingsstatus bleek, zodat zij geen (direct) beroep konden doen op de voorzieningen waarop statushouders volgens de minister een beroep kunnen doen. Wat betreft de tegenwerping van de minister dat eiseres niet in Bulgarije gezocht heeft naar traumabegeleiding voor haar dochter, betoogt eiseres het volgende. Hoewel de dochter van eiseres al psychische klachten had als gevolg van gebeurtenissen bij de grens van Bulgarije, is het trauma pas ontstaan door de verkrachting van haar moeder, waarbij zijzelf bedreigd werd met een mes en moest toekijken hoe haar moeder verkracht werd. Kort daarna zijn eiseres en haar dochter uit Bulgarije vertrokken. Wat betreft de tegenwerping van de minister dat eiseres aangifte had moeten doen van de verkrachting en de mishandeling betoogt eiseres dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met haar referentiekader en de angst van haar en haar dochter.

Standpunt minister

De minister stelt zich op het volgende standpunt. Weliswaar is eiseres bijzonder kwetsbaar, maar toch mag van haar verlangd worden dat zij zich tot de bevoegde autoriteiten wendt of gebruikmaakt van de beschikbare voorzieningen. Van eiseres mag dan ook verwacht worden dat zij de beschikbare mogelijkheden om medische zorg te verkrijgen volledig benut, waarbij hij ter zitting heeft erkend dat voor de psychische problemen van de dochter geen specialistische zorg in Bulgarije aanwezig is. Ook wijst de minister erop dat eiseres buiten de opvang geen medische hulp heeft gezocht op advies van opvanggenoten en omdat eiseres haar dochter niet durfde mee te nemen. Wat betreft huisvesting en sociale voorzieningen had van eiseres verwacht mogen worden dat zij alle beschikbare mogelijkheden om werk te vinden actief had verkend en benut. De persoonlijke omstandigheden, waaronder de zorg voor haar dochter, worden niet automatisch aangemerkt als een omstandigheid die deze verplichting opheft. Weliswaar bevestigt het AIDA-rapport dat structurele ondersteuning voor werkzoekende statushouders beperkt is, maar dit sluit niet uit dat eiseres zelf de gebruikelijke procedures had kunnen volgen om werk te vinden. Bovendien is niet gebleken dat de Bulgaarse autoriteiten eiseres hebben belemmerd om tot deze voorzieningen toegang te krijgen. Dat de autoriteiten geen aanvullende begeleiding bij het vinden van huisvesting verlenen is slechts een praktische beperking, maar geen bewijs dat eiseres niet beschermd zou worden of materieel gevaar loopt. Wat betreft de verkrachting stelt de minister zich op het standpunt dat van eiseres verwacht wordt dat zij alle beschikbare mogelijkheden benut om bescherming van de Bulgaarse autoriteiten te verkrijgen en niet is gebleken dat zij dat heeft gedaan. Verder werpt de minister in het algemeen tegen dat eiseres geen klachten heeft ingediend bij de Bulgaarse autoriteiten.

Juridisch kader

Uit de punten 86, 88 en 93 van het Ibrahim-arrest volgt dat de bijzondere kwetsbaarheid van individuele statushouders ertoe kan leiden dat zij bij terugkeer naar de lidstaat waar zij een asielvergunning hebben gekregen, buiten hun eigen wil en keuzes om, zullen terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie als bedoeld in de punten 89 tot en met 91 van dat arrest. De medische situatie van statushouders kan hen - en degenen die noodgedwongen met de zorg voor hen zijn belast - bijzonder kwetsbaar maken. Hun lichamelijke of psychische problemen kunnen een negatieve invloed hebben op de mate waarin zij zich zelfstandig staande kunnen houden in de maatschappij en hun rechten kunnen effectueren. Omgekeerd kan een toestand van verregaande materiële deprivatie als bedoeld in het arrest Ibrahim negatieve gevolgen hebben voor hun lichamelijke of geestelijke gezondheid (punt 90 van dat arrest). De minister heeft in informatiebericht 2021/56 (IB 2021/56) uitgelegd hoe hij wil omgaan met hetgeen volgt uit het Ibrahim arrest. Opgemerkt wordt dat een persoon die bijzonder kwetsbaar is (nagenoeg volledig) afhankelijk is van de staat. De drempel van zwaarwegendheid zoals uiteengezet in punt 90 van het Ibrahim-arrest is bij Griekenland, Hongarije en Bulgarije in beginsel aan de orde. Bij bijzonder kwetsbare statushouders uit Griekenland, Hongarije en Bulgarije zal, gelet op wat openbare bronnen melden over de positie van statushouders, sneller worden aangenomen dat een toestand van verregaande materiële deprivatie zal kunnen ontstaan, maar niet zonder meer. Dit hangt ook van de omstandigheden van het individuele geval af.

Beoordeling beroepsgrond

De beroepsgrond slaagt. Hoewel de minister in beginsel voor Bulgarije mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, heeft hij in deze zaak onvoldoende onderzocht en gemotiveerd dat eiseres en haar dochter bij terugkeer naar Bulgarije geen reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest, zoals bedoeld in het Ibrahim-arrest. In het licht van de bijzondere kwetsbaarheid van eiseres en haar dochter en IB 2021/56, gaat de minister in zijn beoordeling onvoldoende in op de door eiseres gestelde individuele omstandigheden en legt hij, in plaats daarvan, ten onrechte als maatstaf aan of eiseres voldoende eigen initiatief heeft genomen om haar rechten in Bulgarije te effectueren. Dit blijkt uit het volgende.

De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat van eiseres mocht worden verwacht dat zij alle beschikbare mogelijkheden om medische zorg te verkrijgen volledig benut. Allereerst geldt dat in Bulgarije geen toereikende specialistische geestelijke gezondheidszorg beschikbaar is voor personen met mentale gezondheidsproblemen, zoals blijkt uit het AIDA-rapport (update 2025). Het staat tussen partijen niet meer ter discussie dat de dochter van eiseres specialistische geestelijke gezondheidszorg nodig heeft en dat deze niet beschikbaar is. De minister kan eiseres dan niet tegenwerpen dat zij onvoldoende heeft gedaan om zorg te verkrijgen die feitelijk niet beschikbaar is. Door zich op het standpunt te stellen dat van eiseres niet alleen mag worden verwacht dat zij zich inspant om toegang te verkrijgen tot medische zorg, maar dat van haar wordt verlangd dat zij de mogelijkheden om hiervoor in aanmerking te komen uitput, legt de minister bovendien een maatstaf aan die niet past binnen het beoordelingskader van IB 2021/56. Daarmee betrekt hij namelijk de vaststaande bijzondere kwetsbaarheid van eiseres en haar dochter niet kenbaar in zijn beoordeling. Die gaat er namelijk vanuit dat eiseres en haar dochter nagenoeg volledig afhankelijk zijn van de Bulgaarse staat en niet of zeer beperkt zelfredzaam zijn. Daar komt nog bij dat de minister niet is ingegaan op de onweersproken stelling van eiseres dat zij wel degelijk hulp voor haar dochter heeft gezocht, maar daarbij niet serieus werd genomen.

Bij de beoordeling van de mogelijkheden om in Bulgarije in het eigen levensonderhoud te voorzien hanteert de minister ook een onjuiste maatstaf. Hij stelt zich op het standpunt dat van eiseres mocht worden verwacht dat zij actief naar werk zocht, zonder kenbaar te betrekken dat zij, zoals eiseres onbetwist heeft gesteld, haar getraumatiseerde dochter niet alleen kon laten en daardoor feitelijk niet in staat was om te werken. De minister volstaat met de algemene overweging dat het moeilijk kunnen vinden van werk niet zonder meer leidt tot zeer verregaande materiële deprivatie, maar gaat daarmee voorbij aan de kern van het betoog van eiseres.

De minister gaat verder ten onrechte niet in op de stelling van eiseres dat, nu zij en haar dochter de asielopvang hebben verlaten, zij de hulp die wordt geboden aan meer kwetsbare statushouders door langer verblijf in de asielopvang niet langer zullen genieten. In het AIDA-rapport (update 2025) wordt gemeld dat eind 2020 een wet die financiële ondersteuning voor huisvesting bood voor een periode van 6 maanden na inwerkingtreding van een beschermingsstatus, is ingetrokken. De rechtbank overweegt dat zonder nader onderzoek niet valt uit te sluiten dat, vanwege de zorg van eiseres voor haar dochter, het zoeken van huisvesting voor eiseres problematisch is en dat het vanwege de moeilijkheid om inkomen te verwerven niet mogelijk is voor eiseres om betaalbare huisvesting te vinden. Dit betekent in beginsel dat het risico bestaat dat eiseres en haar dochter bij terugkeer naar Bulgarije geen huisvesting zullen hebben. Door hier geen onderzoek naar te doen of dit in de beoordeling te betrekken, heeft de minister ook op dit punt onzorgvuldig gehandeld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat tussen partijen niet in geschil is dat er vanuit de Bulgaarse autoriteiten geen aanvullende begeleiding is bij het vinden van huisvesting, zodat op voorhand niet valt in te zien wat het nut zal zijn van het klagen bij de Bulgaarse autoriteiten over het gebrek aan huisvesting.

Omdat het voorgaande al een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek oplevert, laat de rechtbank hetgeen partijen over en weer hebben betoogd over (het inroepen van) bescherming door de Bulgaarse autoriteiten in verband met de verkrachting, de bedreiging van de dochter en een latere mishandeling van eiseres onbesproken.

Tussenconclusie

De minister heeft onvoldoende kenbaar de door eiseres gestelde en door de minister onweersproken individuele omstandigheden betrokken bij zijn beoordeling van de vraag of voor eiseres en haar dochter, die bijzonder kwetsbaar zijn, een reëel risico op een toestand van materiële deprivatie bij terugkeer naar Bulgarije bestaat. Bovendien heeft hij daarbij een onjuiste maatstaf aangelegd. Dit levert een zorgvuldigheids- en een motiveringsgebrek op.

Heeft de minister het belang van het kind voldoende betrokken?

Beroepsgrond eiseres

8. Eiseres betoogt dat de minister de belangen van haar dochter onvoldoende heeft betrokken. De minister heeft het belang van de dochter ten onrechte alleen betrokken door te beoordelen of zij in Bulgarije toegang heeft tot basisvoorzieningen en bescherming, en of terugkeer naar Bulgarije leidt tot een objectief aantoonbaar risico op ernstige schade. De minister heeft de belangen van eiseres en haar dochter onvoldoende betrokken bij de vraag of zij een dusdanige band heeft met Bulgarije dat het redelijk is voor eiseres en haar dochter om hiernaar terug te gaan. De dochter van eiseres heeft ernstige psychische klachten die samenhangen met de ervaringen in Bulgarije. De minister heeft ten onrechte in zijn besluitvorming niet betrokken dat de jeugdarts, de behandelende therapeut en de schoolarts van de dochter hebben geadviseerd haar vanuit het perspectief van de psychische gezondheid, de sociaal-emotionele ontwikkeling en de onderwijscontinuïteit niet naar Bulgarije terug te sturen. De minister kan zich er niet achter verschuilen dat deze verklaring ten tijde van zijn besluit nog niet beschikbaar was, omdat in de beroepsprocedure sprake is van een ex nunc toetsing. Bovendien had het op de weg van de minister gelegen om zelf een onderzoek naar het belang van het kind te doen.

Standpunt minister

De minister stelt zich op het standpunt dat het enkele feit dat er geen best interest of the child assessment (BIC-assessment) is uitgevoerd, niet betekent dat de minister is tekortgeschoten in zijn verplichtingen. Zijn beoordeling richt zich op de vraag of eiseres en haar dochter toegang hebben tot basisvoorzieningen en bescherming, en of terugkeer naar Bulgarije leidt tot een objectief aantoonbaar risico op ernstige schade. Dit heeft eiseres niet aangetoond. Er zijn voldoende mogelijkheden binnen het Bulgaarse systeem voor toegang tot zorg, huisvesting en andere basisvoorzieningen.

Juridisch kader

Wanneer een vreemdeling internationale bescherming in een lidstaat geniet, wordt in beginsel aangenomen dat deze daarmee een zodanige band met deze lidstaat heeft dat het redelijk zou zijn om naar dat land te gaan, zoals bedoeld in artikel 3.106a, tweede lid van het Vb 2000. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling). Uit die rechtspraak volgt ook dat de minister van dit uitgangspunt moet afwijken als er sprake is van bijzondere feiten en omstandigheden die tot een andere conclusie leiden. Hieronder vallen ook de belangen van het kind als bedoeld in artikel 24 van het Handvest. Artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest strekt ertoe dat bij alle maatregelen in verband met kinderen de belangen van het desbetreffende kind een essentiële overweging vormen. Deze bepaling bevestigt het fundamentele karakter van de rechten van het kind. Dit betekent dat de belangen van het kind als bedoeld in artikel 24 van het EU Handvest ook moeten worden ingelezen in de relevante feiten en omstandigheden die vanwege artikel 3.106a, tweede en derde lid, van het Vb 2000 in de beoordeling moeten worden betrokken. De rechtbank toetst of de minister zich bij het niet-ontvankelijk verklaren van de asielaanvraag voldoende rekenschap heeft gegeven van de belangen van het minderjarige kind van de vreemdeling. Zij gaat daarbij na of de minister in zijn besluit op navolgbare wijze is ingegaan op de gevolgen van zijn besluit voor het kind van de vreemdeling.

Beoordeling beroepsgrond

Ook deze beroepsgrond slaagt. De minister heeft ten onrechte niet in zijn onderzoek en beoordeling meegenomen dat de terugkeer naar Bulgarije op zichzelf, dat wil zeggen los van de vraag of er voldoende voorzieningen beschikbaar zijn, tot ernstige verslechtering van de medische situatie van de dochter van eiseres kan leiden. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende. Eiseres heeft bij de asielaanvraag een e-mail van 4 december 2025 van Veiligheidsregio Fryslân/GGD Fryslân overgelegd. Hierin merken een jeugdarts en jeugdverpleegkundige Publieke Gezondheid Asielzoekers voor zover relevant op:

“[Dochter van eisers] moet terugkeren naar het land waar ze haar trauma heeft opgelopen, dit zal veel extra stress en mogelijk nieuw trauma opleveren. Bovendien zal de pas gestarte behandeling stoppen, zonder dat duidelijk is of- en wanneer dit in Bulgarije weer opgepakt kan worden. Dit is schadelijk voor haar sociaal-emotionele ontwikkeling terwijl deze ontwikkeling ook al schade heeft opgelopen. (…) Aangezien de overdracht naar Bulgarije zo van invloed is op het algehele welbevinden van het kind, is het o.i. van groot belang dat er een BIC-assessment wordt afgenomen om tot een weloverwogen besluit te komen waarbij het belang van kind voorop staat.”

Ook heeft de minister niet betrokken dat de dochter van eiseres, die op dat moment 9 jaar oud was, in de periode 22 december 2025 tot 29 december is gestopt met eten en drinken in verband met de angst om te worden overgedragen naar Bulgarije en in dat verband in het ziekenhuis is opgenomen geweest. Dit blijkt uit een kopie van het patiëntendossier van 10 februari 2026 dat door eiseres bij het gehoor opvolgende aanvraag is overgelegd. Dat deze documenten zijn overgelegd is door de minister ter zitting erkend. Deze documenten worden echter niet (expliciet) betrokken in de besluitvorming. Door bij het onderzoek naar en de beoordeling van de band van eiseres en haar dochter met Bulgarije de email van 4 december 2025 van Veiligheidsregio Fryslân/GGD Fryslân niet te betrekken in de besluitvorming, evenmin als de periode dat de dochter niet at en dronk en haar opname in het ziekenhuis, heeft de minister zich onvoldoende rekenschap gegeven van de gevolgen van het besluit voor de dochter van eiseres.

Dit is des te meer van belang omdat de klachten van de dochter van eiseres tijdens de beroepsprocedure nog zijn verergerd en het risico aanwezig is dat deze nog verder zullen verergeren als zij naar Bulgarije moet terugkeren. Dit blijkt uit de gezamenlijke verklaring van een jeugdarts van de GGD, de behandelend therapeut van AutosNomos en de schooldirecteur van 2 maart 2026 die in beroep is overgelegd. Zij melden voor zover relevant het volgende:

“(…) We achten het risico groot dat cliënt een terugval zal krijgen en er geen traumaverwerking op gang gaat komen zodra zij weer naar Bulgarije verplaatst worden.

De dreiging van terugplaatsing naar Bulgarije heeft inmiddels direct geleid tot terugval bij cliënt. Er is een risico dat cliënt gaat stoppen met praten, eten/ drinken en incontinent kan worden (het uppgivenhet- syndrom). Het gedrag en de reacties van cliënt zijn zorgwekkend. Het in-zichzelf gekeerd zijn kan opnieuw gaan toenemen, met ook de daarbij suïcidale gedragingen.

Verder is er momenteel sprake van verhoogde stress en gevoelens van onveiligheid, verstoring van hechting en vertrouwen, een stagnatie en terugval in sociaalemotionele ontwikkeling en leerproblemen en verminderde schoolprestaties zichtbaar - Cliënt bevindt zich momenteel in een zeer kwetsbare ontwikkelingsfase waarin stabiliteit, voorspelbaarheid en continuïteit van omgeving essentieel zijn voor traumaverwerking en een verdere gezonde sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling. In de huidige setting is er sprake van opgebouwde veiligheid en vertrouwen, continuïteit van zorg en begeleiding, schoolse stabiliteit en therapeutische voortgang

Een verplaatsing naar Bulgarije (nota bene het land waar traumatische gebeurtenissen plaatsvonden) zou deze beschermende factoren doorbreken. Voor kinderen in een reeds kwetsbare situatie geldt dat deze risico's aantoonbaar groter zijn. Voor cliënt die zeer getraumatiseerd is door verschillende gebeurtenissen in het aflopen anderhalf jaar, geldt dit zeker.

Op basis van onze observaties, professionele expertise en betrokkenheid bij het gezin, schatten wij het als zeer onwenselijk en potentieel schadelijk voor de ontwikkeling van het kind in wanneer cliënt en moeder hun lopende procedure niet in de huidige verblijfssituatie zouden kunnen afwachten. Vanuit het perspectief van de psychische gezondheid, de sociaal-emotionele ontwikkeling en de onderwijscontinuïteit adviseren wij nadrukkelijk dat cliënt en moeder niet naar Bulgarije worden overgeplaatst, maar de behandeling van hun asielprocedure met betrekking tot hun herkomstland Syrië in Nederland mogen afwachten. Dit achten wij in het belang van het welzijn en de gezonde ontwikkeling van het kind.”

In antwoord op vragen van de gemachtigden van eiseres heeft een andere kinderarts, van het ziekenhuis in Drachten, op 25 mei 2026 verder voor zover relevant het volgende verklaard:

“[vraag gemachtigde]1. In uw brief stelt u zorgen te hebben over het overbrengen van [dochter van eisers] naar Bulgarije. Dit komt omdat [dochter van eiseres] volgens u te maken heeft met ernstige psychische stress en traumagerelateerde problematiek. Dit lijkt ons ernstig. Bent u van mening dat de klachten die [dochter van eiseres] al heeft dusdanig kunnen decompenseren dat zij intens zou kunnen lijden en dat dit in de weg zou staan van haar ontwikkeling? Wij zouden ons kunnen voorstellen dat dit het geval is, gezien de leeftijd van [dochter van eiseres].

[antwoord kinderarts:] Dat is zeker een groot risico. Het is algemeen bekend dat psychische stress van grote invloed kan zijn op het lichamelijk welbevinden van een mens, en in het bijzonder van een kind en gedurende de poliklinische follow-up zie ik een duidelijke relatie tussen psychische druk die [dochter van eiseres] heeft en de intensiteit van de klachten. Ik schrok van de bevindingen tijdens het meest recente consult wat ik met [dochter van eiseres] had op 13 mei jl., waarbij duidelijk was dat de stress van de eventuele terugplaatsing al leidde tot een duidelijke toename van de klachten, laat staan dat een daadwerkelijke terugplaatsing zeker zal leiden tot een recidief van de klachten.

[vraag gemachtigde] 2. Is het mogelijk dat het genoemde intense lijden wordt voorkomen door een medische behandeling, of zal [dochter van eiseres] hier hoe dan ook mee te maken krijgen door overbrenging naar Bulgarije?

[antwoord kinderarts:] Ja, dat denk ik zeker: de combinatie van de intensieve begeleiding door Autosnomos en door mij heeft al een situatie gecreëerd wat heeft geleid tot een mild toename in het vertrouwen van de mensheid en parallel daaraan een afname van de stressgerelateerde klachten en het zou mensonterend zijn als deze genoemde vooruitgang door terugplaatsing tenietgedaan zou worden. En dat laatste ligt zeker in de lijn der

verwachting.”

Op zitting heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de door eiseres overgelegde medische verklaringen de belangen van de dochter van eiseres onvoldoende in kaart brengen, omdat het geen gedragsdeskundige rapportage betreft. Dit volgt de rechtbank niet. De verklaringen die eiseres heeft overgelegd geven voldoende inzicht in de medische en psychologische situatie van haar dochter, de baat die zij heeft bij behandeling in Nederland en in de gevolgen die terugkeer naar Bulgarije volgens de behandelaars voor haar kan hebben. Een gedragskundige BIC-assessment zou daar geen verdere duidelijkheid over verschaffen.

Uit het voorgaande volgt dat de minister de belangen van de dochter van eiseres als kind niet op de juiste wijze heeft onderzocht en meegewogen in de besluitvorming. Daarom heeft de minister ondeugdelijk onderzocht en gemotiveerd dat sprake is van een zodanige band met Bulgarije dat het voor eiseres en haar dochter redelijk is om naar dat land terug te keren. Dit levert een zorgvuldigheids- en motiveringsgebrek op. De beroepsgrond slaagt.

Overige beroepsgronden en verwijzing naar wat eerder is aangevoerd

9. Omdat het beroep om bovengenoemde redenen gegrond is, behoeven de gronden van eiseres waarbij zij een beroep doet op het C.K.- en het Tarakhel-arrest geen bespreking. Wat betreft de betogen van eiseres dat de minister de onderhavige aanvraag van eiseres dient aan te merken als een verzoek tot bestuurlijke heroverweging zoals bedoeld in artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en dat de minister bij zijn beoordeling van de asielaanvraag ook de inhoudelijke beoordeling en de onderliggende feiten van de eerdere beslissing in Bulgarije dient te betrekken, heeft de rechtbank partijen ter zitting laten weten deze niet in de beoordeling te betrekken. Dit komt beide pas aan de orde bij een inhoudelijke behandeling van de aanvraag van eiseres in de nationale procedure. Nu deze nog niet heeft plaatsgevonden, zijn deze beroepsgronden prematuur. Hetzelfde geldt voor de beroepsgronden met betrekking tot de ingangsdatum. Deze wordt pas relevant als de minister tot vergunningverlening overgaat.

Eiseres heeft verzocht om wat eerder in de zienswijze is aangevoerd als herhaald en ingelast te beschouwen in de gronden van beroep. Omdat de minister hier in het bestreden besluit op in is gegaan en eiseres in haar gronden in beroep niet nader heeft onderbouwd dat de minister hier niet of onvoldoende op heeft gereageerd, kan de enkele verwijzing niet leiden tot het daarmee door haar nagestreefde resultaat. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond. De minister heeft in strijd met artikel 3:2 van de Awb bij de voorbereiding van het besluit onvoldoende kennis over de relevante feiten en de af te wegen belangen vergaard. De minister heeft het bestreden besluit in strijd met artikel 3:46 van de Awb ook onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Het bestreden besluit zal daarom worden vernietigd. De rechtbank ziet geen mogelijkheid om de rechtsgevolgen in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of om een bestuurlijke lus toe te passen. De minister moet met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op de asielaanvraag van eiseres beslissen. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken de tijd.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt per handeling met een waarde per punt van €934,- op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht). Verder zijn geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de gemachtigde.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak opnieuw op de asielaanvraag van eiseres te beslissen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling aan eiseres van € 1.868 aan proceskosten.

Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G. Noordhof, rechter, in aanwezigheid van mr. K.H.M.M. Otten, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand