ECLI:NL:RBDHA:2026:27510

ECLI:NL:RBDHA:2026:27510

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 17-09-2026
Datum publicatie 21-09-2026
Zaaknummer SGR 26/4405
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Vovo tegen invorderingsbesluiten toegewezen. Spoedeisend belang aangenomen, omdat, gelet op de hoogte van de ingevorderde bedragen en de door verzoeksters overgelegde financiële stukken, niet kan worden uitgesloten dat verzoeksters als gevolg van de invordering in een financiële noodsituatie zullen geraken. De vraag of de gronden slagen vergt een nadere beoordeling waarvoor deze voorlopige voorzieningprocedure zich niet goed leent. Aan het belang van verzoeksters om de ingevorderde dwangsommen niet te betalen totdat op het beroep is beslist komt meer gewicht toe dan aan het belang van het college om spoedig tot invordering van de dwangsommen over te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter van 17 september 2026 in de zaak tussen

[verzoekster 1] B.V.,

het college van burgemeester en wethouders van Westland, het college

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 26/4405

Stichting [verzoekster 2] en

[verzoekster 3] C.V., te [vestigingsplaats], verzoeksters

(gemachtigde: mr. M.H.J. van Driel),

en

(gemachtigde: mr. J.C. Meijer).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over twee door het college genomen invorderingsbesluiten. Verzoeksters zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom een voorlopige voorziening en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoeksters die pleiten vóór het treffen van een voorlopige voorziening en de belangen van het college die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoeksters als volgt af.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek toe. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter komt meer gewicht toe aan het belang van verzoeksters om de ingevorderde dwangsommen niet te betalen totdat op het beroep is beslist, dan aan het belang van het college om spoedig tot invordering van de dwangsommen over te gaan. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Het college is bij besluiten van 16 april 2026 overgegaan tot invordering van door [verzoekster 1] B.V. ([verzoekster 1]) en Stichting [verzoekster 2] beweerdelijk verbeurde dwangsommen van elk € 100.000,-. Verzoeksters hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

Verzoeksters hebben nadere stukken overgelegd.

Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.

Verzoeksters hebben hierop gereageerd.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoeksters, vergezeld door [naam 1] en [naam 2], en de gemachtigde van het college, vergezeld door

[naam 3] en [naam 4].

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Voorgeschiedenis

3. Op 21 juli 2023 heeft het college aan [verzoekster 1] B.V. ([verzoekster 1]) een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van een hotel en parkeergarage en het aanleggen van in- en uitritten op het perceel [perceel] in [plaats].

Op 23 juni 2025 hebben toezichthouders het perceel bezocht en is mondeling een bouwstop opgelegd, omdat in strijd met de verleende omgevingsvergunning werd gebouwd. Deze stillegging van alle bouwwerkzaamheden is op 26 juni 2025 schriftelijk bevestigd aan [verzoekster 1], waarbij tevens aan [verzoekster 1] een last onder dwangsom is opgelegd om de bouwwerkzaamheden beëindigd te houden. Op 4 juli 2025 is hetzelfde besluit ook aan Stichting [verzoekster 2], de eigenaar van het kadastrale perceel, verstuurd. Indien verzoeksters niet voldoen aan de last, verbeuren zij ieder een dwangsom van € 50.000,- per geconstateerde overtreding met een maximum van € 100.000,-.

Verzoeksters hebben bezwaar gemaakt tegen deze besluiten en de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen (SGR 25/5041 en SGR 25/5253).

Naar aanleiding van de zitting bij de voorzieningenrechter op 26 september 2025, waar verzoeksters de verzoeken om voorlopige voorzieningen hebben ingetrokken, zijn de besluiten van 26 juni 2025 en 4 juli 2025 met de besluiten van 16 oktober 2025 gewijzigd. In de wijzigingsbesluiten is besloten de bouwstop en de lasten onder dwangsom gedeeltelijk in te trekken, zodat op de verdiepingen 2 tot en met 5 van het bouwproject volgens de verleende omgevingsvergunning mocht worden gebouwd. De bouwwerkzaamheden op de eerste verdieping moesten gestaakt blijven.

Met twee gelijkluidende besluiten van 13 februari 2026 heeft het college de wijzigingsbesluiten van 16 oktober 2025 ingetrokken en daarmee de bouwstop opgeheven en de lasten onder dwangsom ingetrokken. Het college benadrukt in dit besluit dat uit diverse controles is gebleken dat ondanks de opgelegde bouwstop op de eerste verdieping bouwwerkzaamheden hebben plaatsgevonden, waardoor het maximale bedrag aan dwangsommen is verbeurd. Het college heeft aangekondigd dat deze verbeurde dwangsommen zullen worden ingevorderd.

Bij besluit van 16 april 2026 heeft het college de bezwaren van verzoeksters ongegrond verklaard, omdat de besluiten tot stillegging van de bouwwerkzaamheden en tot het opleggen van lasten onder dwangsom volgens het college terecht zijn genomen.

Verzoeksters hebben beroep ingesteld tegen dit besluit (SGR 26/4193) en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (SGR 26/4195).

Met de uitspraak van 17 juli 2026 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang.

Het college heeft op 16 april 2026 ook twee invorderingsbesluiten genomen (de bestreden besluiten). Het beroep van verzoeksters tegen de opgelegde lasten onder dwangsom heeft van rechtswege mede betrekking op deze invorderingsbesluiten. Verzoeksters hebben de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen ten aanzien van deze besluiten (SGR 26/4405).

Spoedeisend belang

4. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht alleen een voorlopige voorziening als onverwijlde spoed dat vereist. Daarvan is onder meer sprake als zonder het treffen van een voorlopige voorziening sprake is van onomkeerbare gevolgen die met zich meebrengen dat de uitkomst van de beroepsprocedure niet kan worden afgewacht.

Als gevolg van de invorderingsbesluiten dienen verzoeksters dwangsommen van in totaal € 200.000,- te betalen. Het is vaste rechtspraak dat een financieel belang op zichzelf geen reden vormt om een voorlopige voorziening te treffen. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld een faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.

Verzoeksters stellen dat zij door de opgelegde bouwstop, die bijna acht maanden heeft geduurd, grote financiële schade hebben geleden en dat zij niet meer over de middelen beschikken om de dwangsommen te betalen. Ter onderbouwing van hun standpunt hebben verzoeksters tussentijdse jaarrekeningen per 30 april 2026 van [verzoekster 3] C.V. en de financiële balans van [verzoekster 1] overgelegd.

Gelet op de hoogte van de ingevorderde bedragen en de door verzoeksters overgelegde financiële stukken, kan naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden uitgesloten dat verzoeksters als gevolg van de invordering in een financiële noodsituatie zullen geraken. Daarom neemt de voorzieningenrechter spoedeisend belang aan.

Gronden

5. Verzoeksters voeren aan dat de opgelegde lasten onder dwangsom evident onrechtmatig zijn, zodat ook de invorderingsbesluiten niet genomen hadden mogen worden.

De voorzieningenrechter heeft in de hiervoor genoemde uitspraak van 17 juli 2026 overwogen dat geen aanleiding bestaat voor het oordeel dat de besluiten tot stillegging van alle bouwwerkzaamheden en tot het opleggen van lasten onder dwangsom evident onrechtmatig zijn. De voorzieningenrechter ziet geen reden daar in deze procedure anders over te oordelen. Het betoog van verzoeksters slaagt niet.

Verzoeksters bestrijden verder dat zij dwangsommen hebben verbeurd. Zij voeren aan dat niet alle geconstateerde werkzaamheden als bouwwerkzaamheden zijn aan te merken, zodat deze werkzaamheden niet onder de reikwijdte van de opgelegde lasten onder dwangsom vielen. Deze werkzaamheden kunnen daarom niet als overtredingen worden aangemerkt. Daarnaast voeren zij aan dat de beweerdelijke overtredingen van de dwangsombesluiten (grotendeels) betrekking hebben op activiteiten die dateren van vóór de verzending van de schriftelijke dwangsombesluiten of op activiteiten die niet de eerste verdieping, maar het noodtrappenhuis betreffen. Bovendien is een deel van de activiteiten volgens verzoeksters verricht met voorafgaande toestemming van de bouwinspecteur of gaat het om activiteiten die op grond van de dwangsombesluiten waren toegestaan, zoals werkzaamheden aan de buitenzijde van het gebouw.

De voorzieningenrechter overweegt dat verzoeksters omvangrijke en gedetailleerde gronden naar voren hebben gebracht tegen de invorderingsbesluiten, die noodzaken tot een nadere beoordeling van de reikwijdte van de opgelegde lasten onder dwangsom en van de precieze werkzaamheden die na het nemen van de handhavingsbesluiten zijn uitgevoerd. De vraag of deze gronden slagen vergt naar het oordeel van de voorzieningenrechter een nadere beoordeling waarvoor deze voorlopige voorzieningprocedure zich niet goed leent. De beoordeling van deze gronden zal in de bodemprocedure moeten plaatsvinden.

Gelet hierop zal de voorzieningenrechter geen voorlopig rechtmatigheidsoordeel geven over de bestreden besluiten, maar het verzoek om een voorlopige voorziening beoordelen aan de hand van een weging van de betrokken belangen.

Belangenafweging

6. Het college heeft gewezen op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) waaruit het uitgangspunt volgt dat een zwaarwegend belang bestaat bij invordering van verbeurde dwangsommen.

De voorzieningenrechter overweegt dat dit uitgangspunt er niet aan in de weg staat dat in voorkomende gevallen met de invordering van verbeurde dwangsommen wordt gewacht totdat de bodemprocedure over de dwangsombesluiten en de invorderingsbesluiten is afgerond. Uitstel van de invordering tot na de uitspraak in de bodemprocedure betekent immers niet dat invordering van de dwangsommen definitief van de baan is.

Uit door het college aangehaalde rechtspraak van de Afdeling volgt dat bij invordering van een verbeurde dwangsom in beginsel geen rekening hoeft te worden gehouden met de financiële draagkracht van de overtreder. Voor een uitzondering op dit beginsel bestaat alleen aanleiding als evident is dat de overtreder gezien zijn financiële draagkracht niet in staat zal zijn de verbeurde dwangsommen (volledig) te betalen.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter doet deze uitzonderingssituatie zich in dit geval voor. Verzoeksters hebben betoogd dat zij niet over de financiële middelen beschikken om de dwangsommen te betalen en dat invordering van de dwangsommen tot het einde van het bouwproject en tot een financiële noodsituatie of tot hun faillissement zou leiden. Zij hebben stukken overgelegd ter onderbouwing van hun standpunt dat Stichting [verzoekster 2] in het geheel geen eigen vermogen heeft en dat [verzoekster 1] onvoldoende eigen vermogen heeft om de dwangsommen te betalen. Verder hebben verzoeksters onweersproken toegelicht dat het tot op heden niet gelukt is om een huurder voor het bouwproject te vinden, zodat niet zeker is dat op korte termijn inkomsten gegenereerd zullen worden.

De voorzieningenrechter ziet in de overgelegde financiële stukken voldoende aanleiding om aan te nemen dat verzoeksters momenteel niet beschikken over de vereiste middelen om de ingevorderde dwangsommen te betalen en dat zich een financiële noodsituatie zal aandienen als zij dit toch moeten doen. Hierbij kent de voorzieningenrechter geen gewicht toe aan het antwoord op de vraag of, zoals het college heeft bepleit, de financiële situatie van verzoeksters kan worden teruggevoerd op de gekozen financieringsconstructie voor het bouwproject. Beantwoording van de vraag of verzoeksters al dan niet verwijtbaar in een situatie verkeren waarin zij niet in staat zijn de verbeurde dwangsommen te betalen, gaat de reikwijdte van deze procedure te buiten.

Gelet op de financiële positie van verzoeksters kent de voorzieningenrechter een groter gewicht toe aan het belang van verzoeksters om de dwangsommen tot de uitspraak in de bodemprocedure niet te hoeven betalen, dan aan het belang van het college om op korte termijn tot invordering van de dwangsommen over te gaan. Gezien dit zwaarwegende belang aan de zijde van verzoeksters bestaat aanleiding het verzoek toe te wijzen, in die zin dat de invorderingsbesluiten worden geschorst tot het moment waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan in de bodemprocedure. Voor de door verzoeksters gewenste schorsing van de invorderingsbesluiten tot zes weken na de uitspraak in de bodemprocedure bestaat – gelet op artikel 8:85, tweede lid, aanhef en onder c, van de Awb – geen grond.

Conclusie en gevolgen

7. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen. De bestreden besluiten zullen worden geschorst tot de uitspraak op het beroep. Dat betekent dat verzoeksters de dwangsommen tot die tijd niet hoeven te betalen.

Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoeksters vergoeden en krijgen verzoeksters ook een vergoeding van hun proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van verzoeksters het verzoekschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek toe;

- schorst de bestreden besluiten totdat uitspraak is gedaan in de bodemprocedure;

- bepaalt dat het college het griffierecht van € 397,- aan verzoeksters moet vergoeden;

- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan verzoeksters.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. de Winter, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van drs. A.C.P. Witsiers, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 17 september 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand