RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 september 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [x] , eiseres,
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47882
mede namens haar minderjarige dochter: [minderjarige], v-nummer: [x] ,
(gemachtigde: mr. T. Bruinsma),
en
1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. De rechtbank is namelijk van oordeel dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij bijzonder kwetsbaar is. Daarnaast zijn de belangen van de minderjarige dochter van eiseres voldoende betrokken. De rechtbank hoeft geen oordeel te geven over het betoog van eiseres dat zij een risico loopt op indirect refoulement en over de vraag of de minister de asielaanvraag van eiseres onverplicht aan zich had moeten trekken. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft op 12 maart 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 augustus 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (Amb-verordening). Op grond van de Amb-verordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
In dit geval heeft Nederland bij Frankrijk een verzoek om kennisgeving inzake terugname gedaan. Frankrijk heeft de kennisgeving bevestigd.
Loopt eiseres risico op indirect refoulement?
4. Eiseres betoogt dat zij te vrezen heeft voor indirect refoulement. Haar asielaanvraag in Frankrijk is namelijk eerder afgewezen, waardoor zij het risico loopt om in bewaring te worden geplaatst en te worden teruggestuurd naar Nigeria. Zij kan echter niet terug naar Nigeria vanwege haar kwetsbaarheid en het risico dat haar dochter wordt besneden. Eiseres heeft ook geen vangnet in haar land van herkomst.
De rechtbank beoordeelt niet of eiseres bij overdracht aan Frankrijk een risico loopt op indirect refoulement. Daarbij wijst zij op een uitspraak van het Hof van Justitie van 30 november 2023. Hieruit volgt dat de rechtbank in principe niet mag onderzoeken of er in de aangezochte lidstaat, in dit geval Frankrijk, een risico bestaat op schending van het beginsel van non-refoulement. Dit is alleen anders wanneer de rechtbank vaststelt dat er in de aangezochte lidstaat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. De minister heeft zich in het besluit terecht op het standpunt gesteld dat voor Frankrijk kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en eiseres heeft dat standpunt niet betwist.
Is eiseres bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel?
5. Eiseres betoogt dat zij als alleenstaande vrouw met een kind in de peuterleeftijd kan worden aangemerkt als bijzonder kwetsbaar. Daarbij doet eiseres een expliciet beroep op het arrest Tarakhel.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit het arrest Tarakhel volgt dat voor gezinnen met minderjarige kinderen alleen aanleiding bestaat om aanvullende individuele garanties te vragen wanneer er concrete aanwijzingen zijn dat de opvangvoorzieningen in de verantwoordelijke lidstaat zodanige tekortkomingen heeft dat overdracht tot een schending van artikel 3 van het EVRM kan leiden. Eiseres heeft niet gesteld en ook niet onderbouwd dat in Frankrijk sprake is van dergelijke tekortkomingen in de opvang voor gezinnen met minderjarige kinderen. Alleen daarom al bestaat geen aanleiding om aan Frankrijk aanvullende garanties te vragen. De enkele omstandigheid dat eiseres een alleenstaande vrouw is met een minderjarig kind maakt daarnaast niet dat zij zonder meer als bijzonder kwetsbaar in de zin van het arrest Tarakhel moet worden aangemerkt. Daarbij komt dat eiseres haar gestelde medische klachten niet met documenten heeft onderbouwd. Ook in beroep heeft zij hiervan geen stukken overgelegd.
Heeft de minister de belangen van de minderjarige dochter voldoende betrokken?
6. Eiseres betoogt dat de minister de belangen van haar dochter onvoldoende kenbaar heeft betrokken. De minister heeft enkel gesteld dat de situatie van de dochter van eiseres verbonden is met die van haar. Dat is echter onvoldoende gelet op het Verdrag voor de Rechten van het Kind.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de belangen van de minderjarige dochter van eiseres voldoende betrokken door in het besluit te stellen dat het in belang van het kind is om bij eiseres te blijven. Door eiseres is ook niet betwist dat het niet in het belang van haar dochter is om bij eiseres te blijven. Verder heeft eiseres niet onderbouwd dat het niet in belang van haar dochter is om overgedragen te worden aan Frankrijk. Ook in beroep heeft eiseres hiervan geen onderbouwing gegeven. Eiseres heeft daarnaast niet nader onderbouwd welke belangen de minister in het besluit nog meer had moeten betrekken.
Had de minister aanleiding moeten zien om eisers asielaanvraag onverplicht in behandeling te nemen?
7. Eiseres betoogt dat de minister ten onrechte en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid om haar asielaanvraag onverplicht inhoudelijk te behandelen.
De rechtbank overweegt hierover dat dit betoog niet kan leiden tot het daarmee door eiseres beoogde resultaat. Uit artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening volgt dat de toepassing van de discretionaire bevoegdheid, neergelegd in artikel 35 van de Amb-verordening, buiten de omvang van de rechterlijke toetsing valt. Eiseres heeft niet toegelicht dat er een verband is tussen deze beroepsgrond en de in artikel 43 van de Amb-verordening genoemde omstandigheden waarover de rechtbank zich in een beroep tegen een overdrachtsbesluit kan uitlaten. Eiseres kan hiertegen dan ook niet in rechte opkomen.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt en het besluit in stand blijft. Eiseres krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.H.M.M. Otten, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.