Beschikking op het op 11 februari 2026 ingekomen verzoek van:
[de moeder] ,
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Arslaner in Den Haag.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader] ,
de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. M.M. van Wijk in Delft.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben in een brief aan de rechter hun mening over de verzoeken gegeven.
Op 25 juni 2026 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen: de moeder met haar advocaat en de vader met zijn advocaat.
Feiten
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] ;
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats] .
Verzoek en verweer
De moeder verzoekt de rechtbank ook bij wijze van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv:
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De vader voert verweer dat hierna – voor zover nodig – zal worden besproken. Daarnaast verzoekt hij zelfstandig:
voor zover mogelijk met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
Op de zitting heeft de moeder haar verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex artikel 223 Rv ingetrokken. Daar hoeft de rechtbank niet op te beslissen.
Beoordeling
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken
Gedurende de procedure is voor de ouders duidelijk geworden dat zij het gezamenlijk gezag over [de minderjarige 1] uitoefenen maar dat enkel de moeder met het gezag over [de minderjarige 2] is belast. De ouders hebben op de zitting aangegeven dat zij zich hier niet bewust van waren en hier ook niet bewust voor hebben gekozen en dat ze het belangrijk vinden dat zij gezamenlijk het gezag over beide kinderen hebben. Ze hebben de intentie uitgesproken om dit te regelen. De rechtbank gaat er vanuit dat de ouders hier gevolg aan geven. Hoewel voor [de minderjarige 2] strikt genomen in het navolgende gesproken zou moeten worden over een omgangsregeling zal de rechtbank ten behoeve van de leesbaarheid spreken over een zorgregeling.
Wettelijk kader
Artikel 1:253a, eerste lid van het Burgerlijk Wetboek (BW) bepaalt dat in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening geschillen tussen de ouders op verzoek van beiden of één van hen aan de rechtbank kunnen worden voorgelegd. Ingevolge sub a van het tweede lid van voornoemd artikel stelt de rechter op verzoek van de ouders of op verzoek van één van hen een regeling vast inzake een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken.
Inhoudelijke beoordeling
De moeder verzoekt een zorgregeling vast te leggen. Tijdens de zitting is duidelijk geworden dat de ouders in de praktijk al uitvoering geven aan de verzochte zorgregeling. Ze hebben er beiden behoefte aan dat deze zorgregeling in de beschikking wordt opgenomen. De kinderen hebben in hun brieven aan de kinderrechter aangegeven dat zij achter de zorgregeling staan. Nu de rechtbank de zorgregeling in het belang van de kinderen acht zal de rechtbank deze zorgregeling vastleggen.
Vakantieregeling
Uit de stukken en dat wat op zitting is besproken is de rechtbank gebleken dat de ouders het erover eens zijn de vakantie- en feestdagen bij helfte te verdelen. Dat zal de rechtbank dan ook bepalen. Nu geen van de ouders een concrete vakantie- en feestdagen regeling heeft verzocht, is het aan de ouders om in onderling overleg nadere afspraken te maken over de precieze invulling van de vakanties en feestdagen.
Huurrecht en toedeling inboedel
De moeder stelt dat de vader op het huurcontract staat en de sleutel van de woning heeft. De vader zou gedreigd hebben de huurovereenkomst van de woning op te zeggen of zich weer in te schrijven op het adres. Ook zou de vader, volgens de moeder, gedreigd hebben met een bus langs te komen en de inboedel mee te nemen. Volgens de moeder verblijft de vader nu in een kleine studio en is hij opzoek naar duurzame woonruimte. Dit maakt, volgens de moeder, de situatie kwetsbaar en vergroot de noodzaak om het exclusieve gebruik van de woning voorlopig vast te leggen.
De vader stelt dat de moeder niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar verzoeken omtrent de huurwoning en de inboedel omdat een dergelijk verzoek niet kan worden ingeleid met een verzoekschrift maar via een dagvaarding.
Dat verweer slaagt. De rechtbank zal de moeder niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoeken om toedeling van het huurrecht, alsmede van de in deze woning aanwezige inboedel aangezien dergelijke verzoeken bij dagvaarding moeten worden gedaan.
Kinderalimentatie
Bij de vaststelling van de kinderalimentatie en de berekening neemt de rechtbank de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie (hierna: de expertgroep) opgenomen in het Rapport alimentatienormen (hierna: het rapport) als uitgangspunt. De rechtbank rondt hierna in haar berekening de bedragen telkens af op hele euro’s.
Ingangsdatum
De rechtbank zal in redelijkheid als ingangsdatum van de vast te stellen kinderalimentatie de datum van indiening van het verzoekschrift hanteren, te weten 11 februari 2026. Vanaf dat moment had de vader immers rekening kunnen houden met een te betalen bedrag aan kinderalimentatie.
Behoefte
Voor het bepalen van de behoefte dient allereerst het netto besteedbaar gezinsinkomen (NBGI) van partijen ten tijde van hun uiteengaan te worden bepaald. Het NBGI bestaat uit het netto besteedbaar inkomen (NBI) van beide ouders samen, eventueel inclusief kindgebonden budget. De samenleving van de ouders is in oktober 2025 geëindigd toen de vader de gezamenlijke woning verliet. De rechtbank zal rekenen met de tarieven van 2025-II.
Aan de zijde van de moeder gaat de rechtbank uit van een bruto jaarinkomen van € 29.825,-, uit loon, zoals blijkt uit haar jaaropgave 2025. Rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting en de inkomensafhankelijke combinatiekorting berekent de rechtbank het NBI van de moeder ten tijde van het uiteengaan van de ouders op € 2.485,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Voor de berekening van de behoefte van de kinderen acht de rechtbank het redelijk om aan de zijde van de vader, bij het ontbreken van loongegevens uit 2025, aan te sluiten bij de eerste beschikbare loonstrook van 2026, te weten periode 4 van 2026. Te meer nu op de zitting is aangegeven dat dit inkomen niet veel afwijkt van het inkomen van de vader in 2025. Conform het voorgaande zal de rechtbank aan vaderszijde rekening houden met een inkomen van € 4.248,- bruto per vier weken uit loon. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vader ten tijde van het uiteengaan van de ouders op € 3.445,- per maand. Voor de berekening van dit bedrag verwijst de rechtbank naar de berekening die aan deze beschikking is gehecht.
Uitgaande van de hiervoor genoemde gegevens bedroeg het NBGI van partijen ten tijde van het uiteengaan (€ 3.445,- + € 2.485,- =) € 5.930,- per maand. Conform de aanbeveling uit het rapport 2025 dient bij het NBGI te worden opgeteld het kindgebonden budget waar partijen ten tijde van de samenleving recht op hadden. Op basis van het NBI hadden partijen recht op een kindgebonden budget van € 137,- per maand, zodat de rechtbank daarmee rekening zal houden. De rechtbank berekent het NBGI op € 6.067,- per maand (€ 3.445,- + € 2.485,- + € 137,-).
Gelet op het NBGI bedraagt de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op basis van de tabel eigen aandeel kosten van kinderen 2025 uit het rapport € 1.395,- per maand. Geïndexeerd naar 2026 bedraagt de behoefte van de kinderen € 1.459,- per maand, te weten € 730,- per maand per kind.
Draagkracht
De behoefte van de kinderen moet door de ouders worden opgebracht naar rato van hun beider draagkracht. De financiële draagkracht van de ouders moet conform de aanbevelingen uit het rapport 2026 in beginsel worden vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 x NBI + 1.365)].
Draagkracht moeder
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de moeder gaat de rechtbank uit van een WW-uitkering van € 1.910,- bruto per maand, zoals blijkt uit haar uitkeringsspecificatie WW van januari 2026. Rekening houdend me 8% vakantietoeslag, de algemene heffingskorting en het kindgebonden budget berekent de rechtbank het NBI van de moeder op € 2.300,- per maand.
De draagkracht van de moeder bedraagt volgens de formule € 172,- per maand, te weten 70% x [2.300 – (0,3 x 2.300 + 1.365)].
Draagkracht vader
De draagkracht van de vader is in geschil. De vader verzoekt rekening te houden met een aflossing op een schuld bij zijn oom van € 500,- per maand en een aflossing op een schuld bij de belastingdienst van € 500,- per maand.
Bij de berekening van de financiële draagkracht van de vader gaat de rechtbank, uit van een inkomen van € 4.248,- bruto per vier weken uit loon, zoals blijkt uit zijn loonstroken van periode 4 en 5 van 2026. Rekening houdend met de algemene heffingskorting en de arbeidskorting berekent de rechtbank het NBI van de vader op € 3.477,- per maand.
De vader verzoekt de rechtbank rekening te houden met twee maandelijkse aflossingen van elk € 500,- euro. De ene aflossing ziet op een schuld aan de oom vaderszijde en de andere aflossing ziet op een schuld aan de belastingdienst. De vader stelt dat de schuld bij de oom vaderszijde gezamenlijk ten tijde van de relatie is aangegaan. De lening is aangegaan om een deel van de schuld die de man had bij de belastingdienst af te lossen. De vader stelt dat deze schuld is ontstaan nadat het geld dat de vader voor de belastingdienst had gereserveerd is opgegaan aan kosten voor het gezin. De moeder heeft ter zitting het bestaan van de lening niet betwist. Ze betwist wel dat deze lening gezamenlijk is aangegaan. Volgens de moeder gaat het om een privéschuld van de vader en dient deze niet meegenomen te worden in de draagkrachtberekening van de vader.
De rechtbank stelt vast dat de schuld bij de oom al geruime tijd bestaat en daar niet op wordt afgelost, met uitzondering van een incidentele betaling. Er is geen aflosregeling getroffen en er is geen reden om aan te nemen dat de vader deze schuld binnen afzienbare tijd zal aflossen. De rechtbank zal geen hierom geen rekening houden met deze aflossing.
Ten aanzien van de schuld aan de belastingdienst ligt dit anders. De rechtbank acht het aannemelijk dat de vader maandelijks een bedrag op deze schuld zal moeten aflossen. Omdat nog niet duidelijk is wat de exacte regeling met de belastingdienst zal zijn, zal de rechtbank het aflossingsbedrag schatten. De rechtbank acht het in redelijkheid passend om, gezien het ontbreken van gegevens over een aflossingsregeling, rekening te houden met een aflossingsbedrag van € 250,- per maand.
De draagkracht van de vader bedraagt volgens de formule € 573,- per maand, te weten 70% x [3.477 – (0,3 x 3.477 + 1.365 + 250)].
Zorgkorting
Aangezien de gezamenlijke draagkracht van de ouders (€ 172,- + € 573,- = € 745,-) de behoefte van de kinderen niet overstijgt, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het maken van een draagkrachtvergelijking.
Op de door de vader te betalen bijdrage dient in beginsel een zorgkorting in mindering te worden gebracht. De zorgkorting bedraagt een percentage van de behoefte, welk percentage afhankelijk is van de hoeveelheid omgang of zorg. Gelet op de vastgestelde zorgregeling acht de rechtbank een zorgkorting van 25% passend. Het bedrag aan zorgkorting bedraagt
€ 365,- per maand (25% van € 1.459,-).
Op de regel dat de zorgkorting de bijdrage van de vader vermindert, wordt een uitzondering gemaakt in het geval dat de gezamenlijke draagkracht van partijen onvoldoende is om in de behoefte van de kinderen te voorzien. Indien er een tekort aan draagkracht bestaat, komt de helft van dit tekort in mindering op de zorgkorting. In dit geval leidt dit tot de volgende conclusie. Het tekort aan draagkracht bedraagt € 715,- per maand (€ 1.459,- minus € 745,-). De helft van dit tekort, te weten € 358,- per maand, komt in mindering op de zorgkorting van de vader. De vader kan dus nog € 7,- per maand aan zorgkorting verzilveren (€ 365,- minus € 358,-).
Conclusie
Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door de vader te betalen kinderalimentatie voor de kinderen vaststellen op € 567,- per maand, te weten € 283,- per maand per kind.
Proceskosten
Uit de stukken en dat wat op zitting is besproken is het volgende gebleken. De moeder verzoekt de rechtbank de vader in de proceskosten te veroordelen omdat hij de procedure noodzakelijk heeft gemaakt door afspraken te blokkeren en niet constructief mee te werken. De vader stelt dat er geen enkele aanleiding is om hem te veroordelen in de kosten van het geding en dat juist de moeder moet worden veroordeelt moet worden in de proceskosten nu zij het was die een procedure had kunnen voorkomen door het mediationtraject af te ronden en dit niet vroegtijdig te beëindigen.
De omstandigheid dat de ouders in onderling overleg, dan wel met behulp van een mediator en/of advocaten, niet tot afspraken zijn gekomen waarna zij zich tot de rechtbank moesten wenden brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat de vader of de moeder nu in de proceskosten zou moeten worden veroordeeld. De rechtbank zal de proceskosten compenseren als hierna vermeld.
Beslissing
De rechtbank:
*
bepaalt dat de minderjarigen:
bij de vader zullen zijn:
waarbij de vader de minderjarigen ophaalt en weer terugbrengt bij de moeder;
*
bepaalt dat een regeling zal gelden voor de vakanties en feestdagen, waarbij de vakanties en feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld;
*
verklaart de moeder niet-ontvankelijk is in haar verzoeken om de toedeling van het huurrecht, alsmede van de in deze woning aanwezige inboedel.
*
bepaalt de door de vader met ingang van 11 februari 2026 te betalen alimentatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] op € 283,- per maand per kind, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de moeder te voldoen;
*
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
*
wijst af het meer of anders verzochte;
*
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.