Vaststelling van staatloosheid
Beschikking op het op 7 april 2026 ingekomen verzoekschrift van:
[verzoekster] ,
verzoekster,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. F. Engelbertink in Amsterdam.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
DE STAAT DER NEDERLANDEN,
Ministerie van Justitie en Veiligheid, Immigratie- en Naturalisatiedienst, hierna: de Staat,
zetelende in ’s-Gravenhage,
vertegenwoordigd door: mr. M. Marks.
Procedure
De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- de brief van 8 juli 2026 van de Staat;
- de brief van 20 juli 2026 van verzoekster.
Omdat het advies van de Staat overeenstemt met dat wat door verzoeker is verzocht, heeft de rechtbank aanleiding gezien om zonder mondelinge behandeling op het verzoek te beslissen. Partijen hebben hiermee ingestemd.
Feiten
De volgende feiten blijken uit het dossier:
- Verzoekster is geboren op [geboortedatum] 1999 te [geboorteplaats] te Gaza.
- Verzoekster is in 2018 uit Gaza gevlucht naar Turkije, via Egypte.
- Tot december 2022 verbleef verzoekster in Turkije.
- Van december 2022 tot mei 2023 verbleef verzoekster in Griekenland en was zij in het bezit van een verblijfsvergunning.
- Op 5 april 2023 heeft verzoekster in Nederland een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel. Deze vergunning is verleend van 5 april 2023 tot 5 april 2028.
Verzoek en het advies van de Staat
Verzoekster verzoekt vast te stellen dat zij staatloos is.
De Staat adviseert het verzoek toe te wijzen.
Beoordeling
Vooraf
Verzoeker is geboren als [verzoekster] maar voert de naam [naam verzoekster] en identificeert zich als vrouw. Gelet hierop duidt de rechtbank verzoeker aan als verzoekster.
Vaststelling staatloosheid
Juridisch kader
Het verzoek is gebaseerd op artikel 2 van de Wet van 7 juni 2023, houdende regels met betrekking tot de vaststelling van staatloosheid, Staatsblad 2023, 230 (Wet vaststellingsprocedure staatloosheid, hierna: Wvs).
Op grond van lid 1 van genoemd artikel kan een ieder die, buiten een bij enige rechterlijke instantie aanhangige zaak, daarbij onmiddellijk belang heeft en in Nederland zijn woonplaats of gewone verblijfplaats heeft, bij deze rechtbank een verzoek indienen tot vaststelling van zijn staatloosheid. Het verzoek kan ook strekken tot de vaststelling dat de betrokkene op een bepaald tijdstip staatloos was. De rechtbank stelt op grond van lid 2 van dit artikel de staatloosheid vast, indien haar niet is gebleken dat de betrokkene door enige staat, krachtens diens wetgeving, als onderdaan wordt beschouwd.
Ontvankelijkheid
De rechtbank stelt vast dat verzoekster in Nederland woont. Verder is niet in geschil dat verzoekster onmiddellijk belang heeft bij het verzoek tot vaststelling van staatloosheid, zodat zij ontvankelijk is in haar verzoek.
Identiteit verzoekster
Verzoekster is niet in het bezit van originele identificerende documenten. Zij heeft bij haar asielaanvraag en in deze procedure de volgende documenten overgelegd:
- kopie paspoort, afgegeven door de Palestijnse Autoriteit,
- kopie identiteitskaart met vertaling,
- kopie geboorteakte met vertaling,
- kopie UNRWA family record.
De rechtbank is, evenals de Staat, van oordeel dat de overgelegde stukken en de daarbij gegeven toelichting voldoende aanknopingspunten bevatten om uit te gaan van de door verzoekster opgegeven identiteit.
Relevante landen
Gelet op de overgelegde stukken zal de rechtbank de Palestijnse Gebieden, Turkije en Griekenland bij de beoordeling van het verzoek tot vaststelling van de staatloosheid van verzoekster betrekken. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat verzoekster een andere nationaliteit kan hebben verkregen.
Wordt verzoekster als onderdaan van de Palestijnse Gebieden beschouwd?
Verzoekster stelt te zijn geboren in [geboorteplaats] , te Gaza. Hier heeft zij ook gewoond tot 2018.
Op basis van de overgelegde stukken, in onderlinge samenhang en bezien in het licht van de door verzoekster gegeven toelichting, is het aannemelijk dat verzoekster van Palestijnse afkomst is. De gegevens uit de overgelegde documenten komen met elkaar overeen en de identiteit, nationaliteit en herkomst van verzoekster zijn in de asielprocedure geloofwaardig geacht. Voor zover verzoekster de Palestijnse nationaliteit heeft, geldt het volgende.
Uit het ‘Algemeen Ambtsbericht Palestijnse Gebieden’ (april 2022) van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en de ‘Werkinstructie SUA’ van 11 december 2020 van de IND (nummer en titel: WI 2020/19 Palestijnen, hierna te noemen: de Werkinstructie) volgt dat Nederland de staat Palestina en dus ook de Palestijnse nationaliteit, niet erkent. Voor Nederland gelden Palestijnen afkomstig uit de Palestijnse gebieden daarom als staatloos, tenzij zij nog een andere nationaliteit hebben.
Wordt verzoekster als onderdaan van Turkije beschouwd?
Verzoekster heeft tussen 2018 en december 2022 in Turkije verbleven.
De regels ten aanzien van de verkrijging en het verlies van de Turkse nationaliteit zijn vastgelegd in de Wet op het Turkse staatsburgerschap (hierna: Stbw). Om via naturalisatie in aanmerking te komen voor de Turkse nationaliteit dient een vreemdeling gedurende vijf jaar voorafgaand aan de datum van het verzoek om naturalisatie ononderbroken in Turkije ingeschreven zijn geweest (artikel 11 Stbw).
Verzoekster voldoet hier niet aan. De rechtbank volgt daarom de conclusie van de Staat dat het niet aannemelijk is dat verzoekster de Turkse nationaliteit heeft verkregen.
Wordt verzoekster als onderdaan van Griekenland beschouwd?
Verzoekster verbleef van december 2022 tot april 2023 in Griekenland en was in het bezit van een Griekse verblijfsvergunning.
De verkrijging van de Griekse nationaliteit middels naturalisatie wordt geregeld in artikel 5 van de Griekse nationaliteitswet. Eén van de voorwaarden voor naturalisatie is dat een persoon minimaal zeven jaar voor het indienen van het naturalisatieverzoek wettig inwoner is geweest van Griekenland (artikel 5, eerste lid, aanhef en onder d van de Griekse nationaliteitswet).
Ook hier voldoet verzoekster niet aan, zodat niet aannemelijk is dat verzoekster de Griekse nationaliteit heeft verkregen.
Conclusie
De rechtbank stelt, gelet op het voornoemde, de staatloosheid van verzoekster vast.
De rechtbank stuurt, na het onherroepelijk worden van deze beschikking, een afschrift van de beschikking naar de woongemeente van verzoekster.
Beslissing
De rechtbank:
*
stelt vast dat verzoekster staatloos is.
Deze beschikking is gegeven door mr. A. Emmens, rechter, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 20 augustus 2026.