RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.8317
(gemachtigde: mr. B. Anik),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
1. Bij besluit van 7 februari 2024 heeft de minister vastgesteld dat eiser met ingang van 5 maart 2024 geen verblijfsrecht meer heeft en om die reden een terugkeerbesluit uitgevaardigd.
2. Daartegen heeft eiser beroep ingesteld.
3. Bij beschikking van 18 juli 2025 is het eerdere terugkeerbesluit ingetrokken en is een nieuw terugkeerbesluit uitgevaardigd.
4. Het beroep van eiser heeft op grond van artikel 6:19, eerste lid, van de Awb van rechtswege betrekking op dit nieuw genomen terugkeerbesluit.
5. De minister heeft op 12 november 2025 een verweerschrift uitgebracht.
6. Partijen hebben, nadat zij zijn gewezen op hun recht ter zitting te worden gehoord, niet verklaard dat zij gebruik willen maken van dit recht. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:57 van de Awb bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft. Daarop is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 18 juli 2025
1. Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, had verblijf in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB).
2. De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat de minister de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne, de groep waartoe eiser behoort, mocht beëindigen op 4 maart 2024. Dit betekent dat zij met ingang van 5 maart 2024 geen recht hebben op verblijf in Nederland op grond van de RTB.
Beroep tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024
3. De Afdeling heeft in de hiervoor genoemde uitspraak geoordeeld dat uit het arrest Kaduna e.a. volgt dat de minister deze derdelanders vóór 4 maart 2024 niet mocht opdragen om de Europese Unie te verlaten door middel van het uitvaardigen van een terugkeerbesluit.
4. De minister heeft het besluit van 7 februari 2024 om die reden ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep. Eiser heeft geen omstandigheden naar voren gebracht die meebrengen dat hij dat belang toch heeft. Dit betekent dat het beroep tegen het besluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk zal worden verklaard wegens het ontbreken van procesbelang. Wel bestaat er aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
5. Eiser heeft aangevoerd dat het beëindigen van de facultatieve tijdelijke bescherming in strijd is met het rechtszekerheidsbeginsel. Hij heeft gedurende een lange periode rechtmatig in Nederland verbleven, gewerkt, en een leven opgebouwd. Het plotseling beëindigen van dit verblijf, zonder enige overgangsregeling of individuele beoordeling, is in strijd met het gerechtvaardigd vertrouwen dat eiser mocht hebben op basis van jarenlang legaal verblijf. Ook is het besluit in strijd met het evenredigheidsbeginsel volgens eiser.
Dat betoog faalt. De Afdeling heeft geoordeeld dat omdat de tijdelijke bescherming op 4 maart 2024 van rechtswege afloopt er voor een toetsing aan het evenredigheidsbeginsel in een individueel geval geen plaats is. In de uitspraken van 23 april 2025 heeft de Afdeling ook geoordeeld, onder verwijzing naar haar eerdere uitspraak van 17 januari 2024, dat de minister geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming pas zou eindigen als de maximale duur daarvan was bereikt. In de uitspraak van 17 januari 2024 heeft de Afdeling bovendien expliciet geoordeeld dat de minister geen gegronde verwachtingen heeft gewekt dat derdelanders altijd hetzelfde zouden worden behandeld als andere ontheemden uit Oekraïne die tijdelijke bescherming hebben gekregen. Van strijd met het rechtszekerheid- en vertrouwensbeginsel is, anders dan eiser stelt, dan ook geen sprake.
6. Eiser betoogt verder tevergeefs dat hij voorafgaand aan het uitvaardigen van het terugkeerbesluit niet is gehoord over zijn persoonlijke feiten en omstandigheden. Uit de jurisprudentie van het Europees Hof van Justitie volgt dat het recht om te worden gehoord het recht omvat om, voordat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, het standpunt hieromtrent kenbaar te maken. Eiser heeft deze gelegenheid gehad doordat hij binnen vier weken een schriftelijke reactie heeft kunnen geven op het voornemen tot het uitvaardigen van een terugkeerbesluit. Niet valt in te zien, en verder is ook niet onderbouwd, waarom hij in deze schriftelijke reactie niet alle relevante informatie over de vaststelling dat zijn verblijf illegaal is geworden en over zijn persoonlijke situatie naar voren heeft kunnen brengen. Het recht om gehoord te worden, verplicht niet tot een persoonlijk onderhoud.
7. Eiser heeft aangevoerd dat sprake is van omstandigheden die nopen tot een
heroverweging, dan wel het toekennen van een alternatieve verblijfsstatus. Eiser heeft, zoals al eerder aangevoerd, een duurzame relatie met een legaal verblijvende Oekraïense partner in Nederland. De minister heeft tot op heden nagelaten om nader onderzoek te verrichten naar de aard van deze relatie en naar of eiser in aanmerking kan komen voor verblijf op grond van gezinshereniging of artikel 8 van het EVRM. Ook is niet onderzocht of eiser een reguliere verblijfsaanvraag zou kunnen doen of begeleiding nodig heeft bij terugkeer. Eiser wijst erop dat hij gedurende een lange periode rechtmatig in Nederland heeft verbleven, een bestaan heeft opgebouwd, werkzaam is en een sociaal netwerk heeft opgebouwd.
De minister moet bij het nemen van het terugkeerbesluit rekening houden met de in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement eerbiedigen. Dat vergt echter een andere beoordeling dan de vraag of eiser al of niet vanwege die persoonlijke omstandigheden een verblijfsvergunning moet worden verleend. Om dat beoordeeld te krijgen kan eiser, zoals de minister ook heeft gesteld, een aanvraag indienen. Het betoog van eiser faalt dan ook in zoverre.
De rechtbank stelt verder vast dat de minister bij de vraag of tegen eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd moest worden wel de relatie die eiser stelt te hebben met een in Nederland verblijvende Oekraïense vrouw heeft betrokken. De minister heeft zich echter op goede gronden op het standpunt gesteld dat dit geen aanleiding vormt om geen terugkeerbesluit uit te vaardigen. Eiser heeft, zoals de minister terecht stelt, zijn relatie ook op geen enkele wijze onderbouwd.
Omdat eiser zijn gestelde persoonlijke omstandigheden, voor zover zij vallen onder de omstandigheden genoemd in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn en in de besluitvormingsfase al naar voren waren gebracht, niet nader heeft onderbouwd en ook geen enkele toelichting heeft gegeven op de gevolgen die zijn vertrek uit de Unie voor zijn privéleven heeft, heeft de minister zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat die omstandigheden geen aanleiding vormen om geen terugkeerbesluit uit te vaardigen.
8. Ten aanzien van het beginsel van non-refoulement is de rechtbank ambtshalve van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken van zwaarwegende en op feiten berustende gronden om aan te nemen dat eiser bij terugkeer naar Marokko een reëel risico loopt te worden onderworpen aan de doodstraf, folteringen of onmenselijke of vernederende behandelingen.
9. Het betoog van eiser dat de automatische SIS-signalering op basis van het terugkeerbesluit disproportioneel is, zeker nu er geen gevaar is voor de openbare orde, slaagt niet. In artikel 3, eerste lid, van Verordening 2018/1860 staat dat wanneer een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd, onverwijld een signalering inzake terugkeer in SIS wordt ingevoerd. Omstandigheden op grond waarvan daarvan op grond van het tweede of derde lid van deze bepaling kon worden afgezien doen zich in het geval van eiser niet voor. Eisers betoog slaagt daarom niet.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 is niet-ontvankelijk. Het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 18 juli 2025 is ongegrond.
10. Omdat de minister het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 heeft ingetrokken moet de minister de proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank vast op € 934,00.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 7 februari 2024 niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het terugkeerbesluit van 24 juli 2025 ongegrond;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. van Veelen, rechter, in aanwezigheid van
mr. M.P. de Zwart, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.