ECLI:NL:RBDHA:2026:27290

ECLI:NL:RBDHA:2026:27290

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 18-09-2026
Datum publicatie 18-09-2026
Zaaknummer NL25.8154 NL25.8158
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Amsterdam

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot wijziging van het verblijfsdoel van haar verblijfsvergunning en de intrekking van de verblijfsvergunning. De minister heeft dan ook ten onrechte het paspoortvereiste tegengeworpen. Beroep gegrond, rechtsgevolgen in stand. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geweest van mensenhandel. De minister mocht de verblijfsvergunning van eiseres intrekken en de aanvraag voor een verblijfsvergunning voortgezet verblijf, afwijzen. Vovo niet-ontvankelijk vanwege ontbreken procesbelang, nu eiseres al in bezit is van een asielvergunning.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

[eiseres] , eiseres en verzoekster, hierna: eiseres

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht

Zaaknummers: NL25.8154 (beroep)

NL25.8158 (voorlopige voorziening)

V-nummer: [V nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

(gemachtigde: mr. M. Pals),

en

(gemachtigde: mr. J.L.A. van Halteren).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres tot wijziging van het verblijfsdoel van haar verblijfsvergunning en de intrekking van de verblijfsvergunning. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Zij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep en het verzoek.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is, omdat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. De rechtbank laat wel de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand. Het verzoek om een voorlopige voorziening verklaart de rechtbank niet-ontvankelijk, vanwege het ontbreken van procesbelang. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 9 april 2024 heeft de minister de aanvraag van eiseres tot wijziging van het verblijfsdoel van haar verblijfsvergunning van ‘humanitair tijdelijk’ naar ‘humanitair niet-tijdelijk’ afgewezen. Ook heeft de minister de verblijfsvergunning van eiseres per 7 maart 2023 ingetrokken. Tot slot is aan eiseres een terugkeerbesluit uitgevaardigd.

Met het bestreden besluit van 20 januari 2025 heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft op 17 februari 2025 beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft de zaken op 6 augustus 2026 op zitting behandeld. De gemachtigde van de minister was daarbij aanwezig. Eiseres en haar gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond

3. Eiseres heeft de Oegandese nationaliteit. Op 14 februari 2023 heeft zij aangifte van mensenhandel gedaan. Eiseres stelt – zeer kort samengevat – dat ze van Oeganda naar Zwitserland is gereisd met een visum. Daar heeft zij een man ontmoet die haar naar een woning in Nederland heeft gebracht, waar ze werd vastgehouden en slachtoffer is geworden van seksueel misbruik.

Vervolgens is in het kader van de Verblijfsregeling Mensenhandel aan eiseres een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘humanitair tijdelijk’ verleend over de periode van 15 februari 2023 tot 15 februari 2024.

Op 7 maart 2023 heeft de Officier van Justitie besloten om het onderzoek naar mensenhandel te beëindigen, wegens gebrek aan aanknopingspunten voor nader opsporingsonderzoek. De strafzaak is geseponeerd.

Op 20 oktober 2023 heeft eiseres een aanvraag ingediend om het verblijfsdoel van haar verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te wijzigen van ‘humanitair tijdelijk’ naar ‘humanitair niet-tijdelijk’.

Met het primaire besluit van 9 april 2024 heeft de minister deze aanvraag afgewezen en de verblijfsvergunning per 7 maart 2023 ingetrokken.

Op 4 juli 2024 heeft eiseres asiel aangevraagd. Met het besluit van 3 oktober 2025 is aan haar een asielvergunning verleend, met als ingangsdatum van 4 juli 2024.

Het bestreden besluit

4. Met het bestreden besluit van 20 januari 2025 heeft de minister de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres en de afwijzing van haar aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel van de verblijfsvergunning gehandhaafd. De verblijfsvergunning is ingetrokken, omdat eiseres niet meer voldoet aan de voorwaarden van de aan haar verleende verblijfsvergunning. De aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel is afgewezen, omdat eiseres niet beschikt over een geldig paspoort en niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het paspoortvereiste. Verder heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat zij slachtoffer is geworden van mensenhandel en daarom kan zij geen aanspraak maken op een verblijfsvergunning ‘humanitair niet-tijdelijk’. Het mensenhandelrelaas is niet door middel van onderzoek door de politie aangetoond en eiseres heeft dit zelf ook niet aannemelijk gemaakt met haar verklaringen. Haar verklaringen zijn namelijk vaag en summier. Van eiseres mocht worden verwacht dat zij concreet en consistent verklaart. Eiseres heeft niet aangetoond dat zij bijzonder kwetsbaar is. Er is geen aanleiding om op grond van het evenredigheidsbeginsel de aanvraag van eiseres toch in te willigen.

Juridisch kader

5. Het juridisch kader is opgenomen in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.

De voorlopige voorziening

6. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiseres belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening.

De rechtbank oordeelt dat eiseres geen belang heeft bij het verzoek om een voorlopige voorziening. Het verzoek strekt er immers toe dat eiseres gedurende de beroepsprocedure in Nederland mag verblijven. Door de asielvergunning van eiseres is haar belang bij het verzoek voor het treffen van deze voorlopige voorziening komen te vervallen. Het verzoek is dan ook niet-ontvankelijk.

Het beroep

Griffierecht

7. Eiseres heeft verzocht om vrijstelling van de betaling van het griffierecht. De rechtbank wijst dit verzoek toe. Eiseres hoeft dus geen griffierecht te betalen.

Herhaald en ingelast

8. Eiseres verzoekt allereerst hetgeen zij in de zienswijze en het bezwaarschrift naar voren heeft gebracht als herhaald en ingelast te beschouwen.

De rechtbank merkt hierover op dat zij uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiseres eerder naar voren heeft gebracht niet kan afleiden waarom eiseres van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

Paspoortvereiste

9. De rechtbank stelt vast dat eiseres, hangende de bezwaarprocedure, een asielaanvraag heeft ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres er terecht op gewezen dat de minister reeds hierom ten tijde van het bestreden besluit niet van eiseres mocht verwachten dat zij naar Oeganda zou reizen of zich zou melden bij de Oegandese ambassade om daar een paspoort aan te vragen. De minister heeft dan ook ten onrechte het paspoortvereiste tegengeworpen. De rechtbank verwijst ter onderbouwing van haar oordeel naar de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2025. De beroepsgrond slaagt.

Tussenconclusie

10. Uit het voorgaande volgt dat er een gebrek kleeft aan het bestreden besluit. Dat betekent dat het beroep gegrond is en het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De rechtbank ziet echter aanleiding om te onderzoeken of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daar gaat de rechtbank hierna op in.

Mensenhandel

11. Eiseres voert aan dat aannemelijk is gemaakt dat zij slachtoffer is van mensenhandel. Uit de overgelegde stukken volgt dat eiseres niet consistent en concreet heeft kunnen verklaren ten aanzien van haar mensenhandelrelaas. De minister heeft het referentiekader van eiseres onvoldoende kenbaar betrokken.

De rechtbank volgt eiseres hierin niet. In het medisch advies van MedTadvies van 28 januari 2025 staat bijvoorbeeld dat eiseres moeite heeft met exacte gegevens, maar deze wel ongeveer weet te benoemen. Toenemende spanning dient volgens het advies te worden vermeden, omdat eiseres last kan hebben van angst en mogelijk herbelevingen. Als het nodig is moet aan eiseres een pauze worden aangeboden. Ook kan eiseres volgens het advies last hebben van een emotionele blokkade. Dan is het advies om haar meer tijd te geven of bij benadering uit te vragen. Hoewel uit de stukken blijkt dat eiseres vanwege haar PTSS een kwetsbaar persoon is, volgt daaruit niet zij als gevolg daarvan niet in staat is om concreet en consistent te verklaren.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geweest van mensenhandel. De minister mocht hierbij betrekken dat de aangifte van eiseres is geseponeerd, omdat er onvoldoende aanknopingspunten voor een opsporingsonderzoek waren. Ook mocht de minister hierbij waarde hechten aan de omstandigheid dat eiseres verklaringen heeft afgelegd die vaag en summier zijn en geen een duidelijke verklaring heeft gegeven over haar vertrek uit Zwitserland, de reis naar Nederland en de ontmoeting met de mensenhandelaar. De beroepsgrond slaagt niet. Gelet hierop heeft de minister de aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel van haar verblijfsvergunning naar ‘humanitair niet-tijdelijk’ kunnen afwijzen.

Intrekking van de verblijfsvergunning

12. Eiseres voert aan dat haar verblijfsvergunning niet had mogen worden ingetrokken, omdat zij aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geweest van mensenhandel. Dat de aangifte niet heeft geleid tot een verdachte, maakt dit niet anders. Subsidiair meent eiseres dat de minister haar verblijfsvergunning op tijdelijke humanitaire gronden had moeten intrekken vanaf de datum van haar asielaanvraag van 4 juli 2024.

Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister de verblijfsvergunning van eiseres intrekken, omdat eiseres niet meer voldoet aan de voorwaarden waaronder de vergunning is verleend. Uit de sepot beslissing volgt dat het strafrechtelijk onderzoek per 7 maart 2023 is beëindigd. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten op grond waarvan de vergunning had moeten worden ingetrokken per datum van de asielaanvraag. Eiseres voldeed immers per datum van het sepot niet meer aan de voorwaarden. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. In rechtsoverweging 10 is al overwogen dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Hierna heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij slachtoffer is geweest van mensenhandel en dat de minister daarom de aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel van haar verblijfsvergunning heeft kunnen afwijzen. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister de verblijfsvergunning van eiseres heeft kunnen intrekken. De rechtbank bepaalt dan ook dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

14. De rechtbank verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, omdat eiseres geen procesbelang heeft bij het behandelen van dat verzoek.

14. De rechtbank ziet gelet op het voorgaande slechts aanleiding om de minister te veroordelen in de door eiseres gemaakte proceskosten voor het beroep. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.8154:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres.

De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.8158:

- verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.A.R. Bleijendaal, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Vrije, griffier.

Bijlage: juridisch kader

Ten aanzien van de intrekking van de verblijfsvergunning

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 18, eerste lid, onder f,

Een aanvraag tot het verlengen van de geldigheidsduur van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 (https://wetten.overheid.nl/BWBR0011823/2026-09-01/0?g=2026-09-17&z=2026-09-17) kan worden afgewezen indien niet wordt voldaan aan de beperking waaronder de vergunning is verleend of een voorschrift dat aan de vergunning is verbonden;

Artikel 19

De verblijfsvergunning voor bepaalde tijd kan worden ingetrokken op de gronden bedoeld in artikel 18, eerste lid (https://wetten.overheid.nl/BWBR0011823/2026-09-01/0?g=2026-09-17&z=2026-09-17), met uitzondering van onderdeel b, en wordt ingetrokken indien aan de houder daarvan ambtshalve een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3° (https://wetten.overheid.nl/BWBR0011823/2026-09-01/0?g=2026-09-17&z=2026-09-17), wordt verleend.

Vreemdelingencirculaire 2000

B8/3.2:

(…)

Intrekking

De IND trekt de verblijfsvergunning van een slachtoffer van mensenhandel dat aangifte heeft gedaan of anderszins heeft meegewerkt in als geen sprake meer is van een strafrechtelijk opsporings- of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan of waaraan op andere wijze medewerking is verleend. (…)”

Ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag tot wijziging van het verblijfsdoel

Vreemdelingenwet 2000

Artikel 16, eerste lid,

Een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14 kan worden afgewezen indien:

(…)

b. de vreemdeling niet beschikt over een geldig document voor grensoverschrijding.

(…)

g. de vreemdeling niet voldoet aan de beperking, verband houdende met het doel waarvoor hij wil verblijven;

(…)

Vreemdelingenbesluit 2000

Artikel 3.51, vierde lid

De verblijfsvergunning kan voorts worden verleend aan bij ministeriële regeling aangewezen categorieën vreemdelingen, anders dan bedoeld in het eerste en tweede lid. In de ministeriële regeling kunnen hierover nadere regels worden gesteld.

Artikel 3.72

Een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd wordt niet op grond van artikel 16, eerste lid, onder b, van de Wet afgewezen, indien de vreemdeling naar het oordeel van Onze Minister heeft aangetoond dat hij vanwege de regering van het land waarvan hij onderdaan is, niet of niet meer in het bezit van een geldig document voor grensoverschrijding kan worden gesteld.

Vreemdelingencirculaire 2000

B9/12

Op grond van artikel 3.51, vierde lid, Vb jo artikel 3.24aa, tweede lid, aanhef en onder f, VV verleent de IND de verblijfsvergunning aan de vreemdeling bedoeld in artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, en b, en g, Vb, als de vreemdeling aan één van de volgende voorwaarden voldoet:

1. de officier van justitie besluit tot vervolging over te gaan ter zake van het strafbare feit waarvan aangifte is gedaan en dat heeft geleid tot verlening van de verblijfsvergunning op grond van artikel 3.48, eerste lid, aanhef en onder a, b, en g, Vb;

2. het gerechtshof heeft het beklag als bedoeld in artikel 12 WvSv (https://wetten.overheid.nl/jci1.3:c:BWBR0001903&artikel=12&g=2026-01-01&z=2026-08-05) ter zake van mensenhandel gegrond verklaard en het gerechtshof heeft de officier van justitie bevolen strafvervolging ter zake van mensenhandel in te stellen; of

3. er loopt een strafzaak en het slachtoffer verblijft drie jaar onafgebroken op basis van een verblijfsvergunning op grond van het beleid inzake mensenhandel in Nederland.

Ad 1

Een vervolgingsbeslissing is voldoende, als mensenhandel een onderdeel vormt van de tenlastelegging.

Ad 2

De IND kan de verblijfsvergunning zowel ambtshalve (artikel 3.6b Vb) als op aanvraag verlenen.

Als de vreemdeling geen aanvraag heeft ingediend, maar wel de beschikking van het gerechtshof heeft overlegd waarin het gerechtshof het beklag gegrond heeft verklaard, verleent de IND de verblijfsvergunning ambtshalve. De ingangsdatum van deze vergunning is de datum van de beschikking van het gerechtshof, als op die datum ook aan de overige voorwaarden voor een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk wordt voldaan.

Als de vreemdeling een aanvraag heeft ingediend, verleent de IND de verblijfsververgunning met als ingangsdatum de datum van de aanvraag, als op die datum aan alle voorwaarden voor een verblijfsvergunning humanitair niet-tijdelijk wordt voldaan.

Als de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op één van de gronden die onder 1, 2 en 3 zijn beschreven, verleent de IND een verblijfsvergunning als de vreemdeling heeft onderbouwd dat op grond van bijzondere individuele omstandigheden die rechtstreeks verband houden met mensenhandel, niet kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat.

De IND betrekt in elk geval de volgende factoren bij de beoordeling of van de vreemdeling kan worden gevergd dat hij Nederland verlaat:

• risico van represailles ten opzichte van de vreemdeling en zijn familie en de mate van bescherming daartegen die de autoriteiten in het land van herkomst bereid en in staat zijn te bieden;

• risico van vervolging in het land van herkomst, bijvoorbeeld op grond van prostitutie; en

• de mogelijkheden van sociale en maatschappelijke herintegratie in het land van herkomst.

Voorschrift Vreemdelingen

Artikel 3.24aa, tweede lid, onder f

Als categorieën vreemdelingen, bedoeld in artikel 3.51, vierde lid, van het Besluit, zijn aangewezen vreemdelingen met het volgende verblijfdoel: verblijf na verblijf als slachtoffer of slachtoffer-aangever van mensenhandel;

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand