RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL25.23098
V-nummer: [V nummer]
(gemachtigde: mr. S. Akkas),
en
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
1. Deze uitspraak gaat over het aan eiser uitgevaardigde inreisverbod voor de duur van twee jaar. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het beroep.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister het inreisverbod in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel heeft uitgevaardigd. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met het besluit van van 30 april 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd en een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van partijen deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Het bestreden besluit
Feiten en achtergrond
3. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij is in 2022 met een visum Nederland ingereisd. Met de beschikking van 26 maart 2024 is zijn verblijfsrecht ingetrokken en is aan hem een terugkeerbesluit opgelegd. Hij heeft 28 dagen de tijd gekregen om Nederland te verlaten, maar heeft dat niet gedaan. Op 29 april 2025 is eiser aangehouden door de politie, omdat hij de bestuurder was van een voertuig dat was gesignaleerd als een verduisterd goed. Op 30 april 2025 hebben zowel een gehoor in het kader van het opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod als een gehoor in het kader van bewaring plaatsgevonden, waarna aan eiser tevens een bewaringsmaatregel is opgelegd. Op 9 mei 2025 is eiser uitgezet naar Turkije.
4. De minister heeft aan eiser op 30 april 2025 een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar. De minister heeft in het bestreden besluit heeft opgenomen dat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd en dat niet is gebleken dat afgezien zou moeten worden van het opleggen van het inreisverbod.
Het beroep
Mocht de minister aan eiser een inreisverbod opleggen?
5. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij in de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding ziet om af te zien van het opleggen van het inreisverbod dan wel de duur daarvan te verkorten. Eiser heeft familie in Nederland, een eigen stukadoorsbedrijf en heeft verteld dat hij gaat trouwen met zijn vriendin in Nederland. Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt niet dat is doorgevraagd over zijn verklaringen over zijn familieleven, zakelijke belangen en aanstaande huwelijk. Dit had wel in de rede gelegen, temeer nu eiser tijdens dat gehoor niet werd bijgestaan door een advocaat.
De rechtbank overweegt dat de minister een inreisverbod uitvaardigt tegen een vreemdeling die Nederland niet uit eigen beweging binnen de daarvoor geldende termijn heeft verlaten. De minister kan om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod.
De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van gehoor in het kader van het inreisverbod blijkt dat aan eiser is gevraagd of hij ooit een vergunningsaanvraag heeft ingediend, of hij familie- of gezinsleven heeft in Nederland en of er medische omstandigheden spelen. Eiser heeft hierop geantwoord dat hij drie ooms in Nederland heeft. Ook blijkt uit het proces-verbaal dat er is gevraagd naar de zakelijke belangen van eiser, waarop hij heeft geantwoord dat hij een stukadoorsbedrijf heeft in Nederland. Verder stelt de rechtbank vast dat op de vraag of er nog bijzondere omstandigheden zijn waarom zou moeten worden afgezien van het opleggen van een inreisverbod, eiser heeft geantwoord dat hij een verloofde heeft met wie hij op 27 augustus 2025 gaat trouwen. Tijdens het bewaringsgehoor zijn aan eiser nog vragen gesteld over zijn verloofde en over zijn inkomen.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ten onrechte (in het geheel) niet heeft gemotiveerd waarom hij in de door eiser naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding ziet om af te zien van het opleggen van het inreisverbod dan wel de duur daarvan te verkorten. Uit het proces-verbaal van het gehoor blijkt dat niet is doorgevraagd naar aanleiding van de verklaringen van eiser over zijn familieleven en zakelijke belangen. Dit had wel in de rede gelegen, temeer nu eiser tijdens dat gehoor niet werd bijgestaan door een advocaat. Dat de minister in het bewaringsgehoor wel heeft doorgevraagd naar de verloofde van eiser, maakt dit oordeel niet anders. De minister heeft het bewaringsgehoor immers niet kenbaar betrokken in het bestreden besluit. De toelichting van de minister op zitting dat eiser niet goed kon verklaren over de geboortedatum en het woonadres van zijn verloofde, maakt niet dat de minister niet hoefde te motiveren waarom het aanstaande huwelijk van eiser geen bijzondere omstandigheid is die had moeten leiden tot afzien van het opleggen van het inreisverbod. Het standpunt van de minister dat de omstandigheden die eiser heeft aangevoerd, niet van dien aard zijn dat zij tot bijzondere omstandigheden nopen, volgt de rechtbank dan ook niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt. De rechtbank vernietigt het inreisverbod wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht.
Omdat het beroep gegrond is, moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden. Die kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Vrije, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.