RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] ,
[eiseres] ,
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 3] 2010,
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Samenvatting
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.21303 (beroep)
NL26.21304 (voorlopige voorziening)
NL26.21309 (beroep)
NL26.21310 (voorlopige voorziening)
V-nummers: [V nummer 1]
[V nummer 2]
[V nummer 3]
[V nummer 4]
[V nummer 5]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
geboren op [geboortedatum 1] 1984, eiser/verzoeker (hierna: eiser),
geboren op [geboortedatum 2] 1993, eiseres/verzoekster (hierna: eiseres),
hierna samen te noemen: eisers
mede namens hun minderjarige kinderen:
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 4] 2011,
[minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum 5] 2014,
[minderjarige 4] , geboren op [geboortedatum 6] 2021,
allen van onbekende nationaliteit,
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
(gemachtigde: mr. Ö. Sari).
1. Deze uitspraak gaat over het besluit van de minister om de asielaanvragen van eisers niet in behandeling te nemen. Eisers zijn het niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Dit betekent dat eisers gelijk krijgen. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend.
De minister heeft met de bestreden besluiten van 14 april 2026 deze aanvragen niet in behandeling genomen.
Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen die ertoe strekken dat eisers de behandeling van het beroep in Nederland mogen afwachten.
De rechtbank heeft de beroepen en de verzoeken om een voorlopige voorziening op 7 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers, R. Armusch als tolk in de taal Arabisch en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van de bestreden besluiten
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regels over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Ten tijde van de aanvragen van eisers stonden die regels in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Uit Eurodac is gebleken dat eisers eerder asiel hebben aangevraagd in België. Op deze aanvragen is nog niet beslist. De minister heeft de autoriteiten van België verzocht om eisers terug te nemen. De autoriteiten van België hebben dit verzoek op 26 maart 2026 geaccepteerd.
In de bestreden besluiten heeft de minister bepaald dat de asielaanvragen van eisers niet in behandeling worden genomen en dat eisers zullen worden overgedragen aan België. De minister heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat er geen informatie is dat België zich in de situatie van eisers niet aan internationale regels houdt. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij in België een reëel risico lopen op slechte behandeling. Ook hebben zij niet laten zien dat zij bijzonder kwetsbaar zijn. De enkele omstandigheid dat zij een gezin met minderjarige kinderen vormen is daarvoor onvoldoende. Daarbij hebben eisers niet met stukken en eigen ervaringen laten zien dat zij zonder extra persoonlijke garanties niet de nodige opvang en zorg krijgen in België. Verder is niet gebleken van een bijzondere individuele situatie die maakt dat de minister de aanvragen van eisers in behandeling neemt. De belangen van de kinderen van eisers zijn meegewogen in het bestreden besluit.
Beroepsgronden eisers
4. Eisers voeren aan dat zij in België niet goed zijn behandeld. Zij hadden weliswaar opvang, maar de omstandigheden in de opvang waren slecht. De actuele AIDA-informatie over België bevestigt dat kinderen en gezinnen weliswaar prioriteit hebben, maar dat de opvangcapaciteit in 2025-2026 desondanks onvoldoende bleef. Eisers konden in België niet effectief klagen over deze problemen. De minister heeft ten onrechte niet deugdelijk onderzocht of de opeenstapeling van tekortkomingen voor eisers en hun kinderen een reëel risico oplevert op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Verder heeft de minister de belangen van de minderjarige kinderen van eisers en hun kwetsbaarheid onvoldoende kenbaar meegewogen. Een afzonderlijke beoordeling van de leeftijd, gezondheid, eerdere ervaringen en concrete behoeften van ieder kind ontbreekt. Eisers stellen dat de minister om individuele garanties had moeten verzoeken, waarbij zij verwijzen naar het arrest Tarakhel. Bovendien heeft de minister niet deugdelijk gemotiveerd waarom overdracht niet leidt tot onevenredige hardheid. Tot slot voeren eisers aan dat de bestreden besluiten ten onrechte niet duidelijk vermelden op welke wijze is verzekerd dat alle gezinsleden gelijktijdig worden overgedragen en in België gezamenlijk worden opgevangen.
Hebben eisers aannemelijk gemaakt dat zij in België niet opgevangen zullen worden?
5. De rechtbank is van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij in België niet opgevangen zullen worden. Eisers hebben zelf verklaard dat zij in België wel zijn opgevangen. De minister heeft er ook terecht op gewezen dat het meest recente AIDA-rapport bevestigt dat gezinnen in België na registratie onmiddellijk toegang krijgen tot opvang. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat hoewel uit het AIDA-rapport blijkt dat de Belgische autoriteiten bepaalde opvangplekken voor gezinnen hebben gesloten, dit niet betekent dat er onvoldoende opvangplekken voor gezinnen zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Hebben eisers aannemelijk gemaakt dat de minister de Belgische autoriteiten om individuele garanties had moeten vragen?
6. De rechtbank is van oordeel dat eisers aannemelijk hebben gemaakt dat de minister, voordat hij besloot dat eisers overgedragen zullen worden aan België, de Belgische autoriteiten had moeten vragen om individuele garanties waaruit blijkt dat eisers en hun kinderen na overdracht aan België zullen worden opgevangen in een opvang die passend is voor de leeftijd van de kinderen. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.
Uit het arrest Tarakhel van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) volgt dat de behandeling een minimumniveau van ernst moet bereiken om onder de reikwijdte van artikel 3 van het EVRM te vallen. De beoordeling van dit minimum is relatief; het hangt af van alle omstandigheden van de zaak, zoals de duur van de behandeling en de fysieke of mentale effecten en, in sommige gevallen, het geslacht, de leeftijd en de gezondheidstoestand van de betrokkene. Asielzoekers vereisen als een bijzonder achtergestelde en kwetsbare bevolkingsgroep speciale bescherming onder artikel 3 van het EVRM. Deze eis van speciale bescherming van asielzoekers is in het bijzonder belangrijk wanneer het gaat om kinderen, gezien hun specifieke behoeften en hun extreme kwetsbaarheid. Dit geldt zelfs wanneer de kinderen samen met hun ouders asiel aanvragen. Daarom moeten de opvangomstandigheden voor kinderen die asiel aanvragen worden aangepast aan hun leeftijd, om ervoor te zorgen dat die omstandigheden geen situatie van stress en angst met bijzonder traumatische gevolgen voor hen creëren. Anders zouden de betreffende omstandigheden de drempel van ernst bereiken die nodig is om onder de reikwijdte van artikel 3 van het EVRM te vallen.
Gelet op dit kader, stelt de rechtbank vast dat eisers als gezin met vier kinderen (van vijf tot zestien jaar oud) bijzonder kwetsbaar zijn in de zin van het arrest Tarakhel. Het standpunt van de minister in het bestreden besluit, dat de omstandigheid dat eisers een gezin met minderjarige kinderen vormen niet betekent dat zij bijzonder kwetsbaar zijn, is in strijd met het oordeel van het EHRM dat kinderen die asiel aanvragen extreem kwetsbaar zijn, ook als zij samen met hun ouders asiel aanvragen.
Verder overweegt de rechtbank dat eisers hebben verklaard dat zij zich in België in de opvang niet veilig voelden en dat de voorzieningen slecht waren. Er was veel lawaai, geweld tegen kinderen en geen privacy. De kinderen waren bang om naar buiten te gaan. Ook hadden eisers en hun kinderen geen toegang tot medische zorg, moesten zij zelf eten kopen en mochten zij hun kleding niet wassen. Bovendien verbleven zij als gezin van zes personen in een te kleine kamer met slechts drie eenpersoonsbedden. In de winter werden ze opgevangen in een hotel met een lekkend dak en waar de verwarming het niet deed. Het duurde lang voordat deze problemen opgelost werden.
Ook overweegt de rechtbank dat het meest recente AIDA-rapport nieuwe informatie bevat over de omstandigheden van kinderen in de asielopvang in België: ‘In 2025, the Odisee University College finalised an AMIF funded research project that studies children’s rights in the reception network for a period of five years. One of the main findings is that emotional, physical and sexual safety of children cannot be guaranteed in the reception centers. Moreover, the researchers warn that the situation is going from bad to worse.’
Deze bevindingen werden bevestigd door het Kinderrechtencommissariaat in zijn jaarverslag, dat vermeldt:
‘We kregen dit jaar opnieuw meldingen over de kwaliteit van de asielopvang in ons land, ook voor kinderen en jongeren. Dit is al vele jaren op rij zo. De meldingen vandaag gaan echter over basisbehoeften. De leefomstandigheden zijn vaak schrijnend: te weinig privacy en veiligheid, gebrek aan hygiëne, slechte infrastructuur, nachtlawaai, geweld, te weinig medische en psychologische zorg, te weinig kleren en eten, te weinig omkadering. Deze structurele tekorten hebben een ernstige impact op het welzijn van kinderen en jongeren die – vaak lang – in deze collectieve opvangcentra moeten verblijven.’
De rechtbank is van oordeel dat deze in de voornoemde rapporten genoemde omstandigheden overeenkomen met de persoonlijke ervaringen van eisers en hun kinderen in België, waar het gaat om het tekort aan voorziening in de basisbehoeften van kinderen. Het standpunt van de minister dat uit het AIDA-rapport niet blijkt dat de drempel van ernst wordt bereikt, volgt de rechtbank niet. Op de zitting heeft de minister enkel gesteld dat de informatie uit het AIDA-rapport gaat over opvangcentra waarin eisers als ‘Dublinterugkeerders’ niet terecht zullen komen. De rechtbank volgt deze stelling niet. De minister heeft deze stelling niet onderbouwd, terwijl het AIDA-rapport vermeldt dat Dublinterugkeerders de gevolgen ondervinden van het voortdurende tekort aan opvangplaatsen. Hieruit volgt naar het oordeel van de rechtbank niet, zoals de minister betoogt, dat Dublinterugkeerders niet in de in het AIDA-rapport bedoelde opvangcentra terechtkomen.
De rechtbank concludeert dat eisers aannemelijk hebben gemaakt dat de opvangomstandigheden in België onvoldoende zijn aangepast aan de leeftijd van kinderen. Er bestaat een reëel risico dat deze omstandigheden een situatie van stress en angst met bijzonder traumatische gevolgen voor kinderen creëren. De omstandigheden bereiken dan ook de drempel van ernst die nodig is om onder de reikwijdte van artikel 3 van het EVRM te vallen. Daarom had de minister, voordat hij besloot dat eisers overgedragen zullen worden, de Belgische autoriteiten moeten vragen om individuele garanties waaruit blijkt dat eisers en hun kinderen na overdracht aan België zullen worden opgevangen in een opvang die passend is voor de leeftijd van de kinderen. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie en gevolgen
7. De beroepen zijn gegrond omdat de bestreden besluiten in strijd zijn met artikel 3 van het EVRM, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Aan de overige beroepsgronden komt de rechtbank niet toe. De rechtbank vernietigt de bestreden besluiten. De rechtbank ziet, gelet op de aard van de gebreken, geen reden om de rechtsgevolgen van de besluiten in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien.
8. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister nieuwe besluiten moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
9. Nu de beroepen gegrond zijn, bestaat er geen aanleiding meer om de gevraagde voorzieningen te treffen. De rechtbank wijst die verzoeken dan ook af.
10. Omdat het beroep gegrond is moet de minister de door eisers gemaakte proceskosten vergoeden. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het indienen van de verzoekschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). De zaken van eisers zijn samenhangend en worden daarom voor de proceskostenveroordeling beschouwd als één zaak.
Beslissing
De rechtbank, in de zaken geregistreerd onder nummers NL26.21303 en NL26.21309:
De voorzieningenrechter, in de zaken geregistreerd onder nummers NL26.21304 en NL26.21310:
- wijst de verzoeken om een voorlopige voorziening af.
De rechtbank, in alle zaken:
- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eisers.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.S. Carella, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.