[eiser] , eiser en verzoeker, hierna eiser
(gemachtigde: mr. J. Werner)
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (hierna de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ (eisers broer) en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
De minister heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 17 mei 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 april 2025 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Ook heeft eiser een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op het beroep is beslist. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn gemachtigde, M. Essebai als tolk in de Marokkaanse taal en de gemachtigde van de minister. Ook waren aanwezig [referent] (referent) en [persoon 1] , respectievelijk de broer en een nicht van eiser.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de aanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden.
Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Feiten en omstandigheden
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1965 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij verblijft in Nederland en heeft nimmer een verblijfsvergunning gehad. Hij heeft op 7 juni 2013 een brief aan de Koning geschreven met het verzoek om een vergunning. In deze brief schrijft hij dat hij sinds 1995 in Nederland verblijft. Op 12 november 2013 heeft de rechtsvoorganger van de minister aan eiser bericht dat het niet mogelijk is om hem een verblijfstatus te verlenen. Op 11 december 2023 heeft de IND melding gedaan van illegaal verblijf van eiser onder vermelding van het door hem opgegeven adres. In augustus 2021 heeft eiser de diagnose longkanker gekregen. Eiser is hiervoor behandeld, maar vanwege uitzaaiingen is er geen kans meer op genezing.
Op 3 februari 2023 heeft eiser een aanvraag ingediend voor een mvv voor verblijf bij zijn broer in Nederland. De aanvraag van eiser is op 17 mei 2023 door de minister afgewezen. Eiser is hiertegen in bezwaar gegaan. Op 8 mei 2024 heeft het BMA advies uitgebracht. Op 26 november 2024 is een hoorzitting geweest. Op 31 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank bepaald dat eiser hangende zijn bezwaarprocedure niet mag worden uitgezet. Op 13 maart 2025 heeft het BMA een nieuw advies uitgebracht. Op 7 april 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Standpunt van de minister
4. De minister heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiser niet in bezit is van een geldige mvv en niet is vrijgesteld van het mvv-vereiste op medische gronden. Eiser is ook niet vrijgesteld van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM.
De minister heeft zich in het bestreden besluit gebaseerd op het BMA-advies van 13 maart 2025 (hierna: het BMA-advies). Gelet op de inhoud van het BMA-advies bestaat volgens de minister geen aanleiding om eiser in bezwaar wegens zijn medische omstandigheden alsnog vrij te stellen van het mvv-vereiste. De minister heeft – voor zover hier relevant – overwogen dat in het BMA-advies staat dat eiser sinds juli 2024 niet meer actief behandeld wordt voor de uitgezaaide longkanker. Wel vinden er driemaandelijkse controles plaats. Bij het achterwege blijven van de controles door de longarts verwacht de medisch adviseur binnen de termijn van drie tot zes maanden geen medische noodsituatie, omdat ondanks het ontbreken van een actieve behandeling de situatie stabiel is gebleven.
De minister stelt zich voorts op het standpunt dat tussen eiser en zijn broer en nicht [persoon 2] geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Eiser heeft niet aangetoond dat hij sinds 1995 in Nederland verblijft. De gestelde samenwoning met de broer is niet onderbouwd met objectief verifieerbare stukken. Ook is niet gebleken hoe eiser de (emotionele) band met zijn broer en nicht heeft vormgegeven. Dat eiser financieel afhankelijk is van zijn broer en zus heeft hij niet met bewijsstukken aangetoond. Niet is gebleken dat de broer en nicht exclusief afhankelijk zijn van eiser of omgekeerd. Op basis van de medische informatie kan de minister er niet van uitgaan dat eiser afhankelijk is van zorg die alleen door de nicht kan worden verleend. Uit het BMA-advies blijkt bovendien niet dat er sprake is van mantelzorg die essentieel is voor het welslagen van de medische behandeling. Eiser heeft sterke banden met Marokko en er zijn geen indicaties dat er onoverkomelijke of bijzondere obstakels voor eiser bestaan om zich wederom in
Marokko te vestigen. Hoewel wordt ingezien dat terugkeer misschien niet makkelijk zal zijn, kan van een meerderjarige verwacht worden opnieuw een leven op te bouwen in het land van herkomst.
Verder is volgens de minister niet gebleken dat sprake is van privéleven in Nederland. Het enkel overleggen van een aantal foto’s acht de minister onvoldoende.
Vrijstelling van het mvv-vereiste op medische gronden
5. Eiser is van mening dat het bestreden besluit niet zorgvuldig is voorbereid, niet draagkrachtig is gemotiveerd en strijdig is met het evenredigheidsbeginsel. Volgens eiser heeft de minister zich in het bestreden besluit puur gericht op de periode van drie tot zes maanden en daarmee in strijd met het Cannabis-arrest gehandeld.
In het Cannabis-arrest overweegt het Hof onder meer (onderstreping door de rechtbank):
“66. Uit de punten 52 tot en met 65 van het onderhavige arrest volgt dat artikel 5 van richtlijn 2008/115, gelezen in samenhang met de artikelen 1 en 4 en artikel 19, lid 2, van het Handvest, zich ertegen verzet dat een lidstaat een terugkeerbesluit vaststelt jegens een illegaal op het grondgebied van die lidstaat verblijvende derdelander die aan een ernstige ziekte lijdt, of hem verwijdert, wanneer er zwaarwegende en gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de terugkeer van deze derdelander hem zou blootstellen aan een reëel risico van een significante daling van zijn levensverwachting of een snelle, aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheidstoestand, leidend tot ernstige pijn, omdat er in het land van bestemming geen passende zorg beschikbaar is. (…).
73. Bovendien staan zowel de noodzaak om, bij de beoordeling van de in dit verband uit hoofde van artikel 4 van het Handvest vereiste minimale ernst, rekening te houden met alle relevante factoren , als de mate van onzekerheid die inherent is aan een dergelijk prospectief onderzoek, eraan in de weg dat de toename van de pijn van een derdelander in geval van terugkeer alleen kan worden geacht snel in te treden indien deze plaatsvindt binnen een vooraf in het recht van de betrokken lidstaat vastgestelde absolute termijn. (…).
75. Indien de lidstaten een termijn vaststellen, moet deze louter indicatief zijn en ontslaat hij de bevoegde nationale autoriteit niet van de plicht om de situatie van de betrokken derdelander concreet te onderzoeken in het licht van alle relevante factoren, met name de factoren die in het vorige punt zijn genoemd, rekening houdend met de aandoening waaraan die derdelander lijdt.”
Het BMA-advies vermeldt dat vanwege de uitzaaiingen er geen kans meer is op genezing (curatie). Voor de uitgezaaide longkanker vinden driemaandelijkse controles plaats bij de longarts. Deze periodieke controles zijn van blijvende aard. Bij het achterwege blijven van de driemaandelijkse controles bij de longarts bestaat het risico dat tumorgroei of een toename van de uitzaaiingen laattijdig ontdekt worden en de behandeling laattijdig ingezet zal worden met mogelijk overlijden tot gevolg. Bij het achterwege blijven van de controles door de longarts verwacht de BMA-arts binnen een termijn van drie tot zes maanden geen medische noodsituatie, want ondanks het ontbreken van een actieve behandeling is de situatie stabiel gebleven. Ná zes maanden kan echter wel een situatie ontstaan waarbij er ernstige gevolgen kunnen optreden bij het uitblijven van behandeling. Het BMA kan geen uitspraak doen over het al dan niet optreden van een medische noodsituatie ná zes maanden vanwege mogelijke wijzigingen in de medische situatie van betrokkene en daaruit voortkomende behandeling die kunnen plaatsvinden in de loop der tijd. Het is voor een arts niet te voorspellen wat het ziekteverloop over een periode langer dan zes maanden zal zijn en de daarmee samenhangende noodzakelijke behandeling kan wijzigen. Deze wijzigingen zijn in het algemeen niet vooraf te bepalen. Daarnaast zullen op de langere termijn ook niet-medische omgevingsfactoren van invloed kunnen zijn op het beloop. Om die reden kan ook niet worden bepaald welke beschikbare behandeling voldoende is om een eventueel te verwachten medische noodsituatie te voorkomen. In het BMA-advies zijn de landgebonden vragen niet beantwoord.
De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit bij het beoordelen van de mvv-vrijstelling op medische gronden alleen acht heeft geslagen op het BMA-advies voor zover dat betrekking heeft op de indicatieve termijn van drie tot zes maanden. De minister is in het geheel niet ingegaan op de genoemde nacontroles, die blijvend van aard zijn en die ervoor zorgen dat in geval van een recidief snel kan worden ingegrepen. De minister is ook niet ingegaan op de situatie die na zes maanden kan ontstaan en de mogelijke gevolgen daarvan, inclusief de invloed van niet-medische omgevingsfactoren op het beloop.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de minister niet alle relevante factoren heeft betrokken bij de besluitvorming. Dit klemt temeer gelet op de aard van de aandoening van eiser. Hij lijdt aan een ongeneeslijke vorm van longkanker. Gelet op de ernst van de aandoening, de aard van de ingezette medische behandelingen en de blijvende nacontroles die eiser moet ondergaan bij de longarts, is de rechtbank in dit specifieke geval van oordeel dat het onevenredig bezwarend is voor eiser dat de minister alleen acht heeft geslagen op de indicatieve termijn van drie tot zes maanden.
Gezien het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister in het specifieke geval van eiser onvoldoende gemotiveerd heeft vastgehouden aan de indicatieve termijn van drie tot zes maanden en daarmee niet heeft gehandeld in lijn met het Cannabis-arrest en het evenredigheidsbeginsel. Het bestreden besluit is daarmee onzorgvuldig voorbereid en dus gebrekkig. Deze beroepsgrond slaagt.
Het beroep is reeds hierom gegrond. De rechtbank zal echter in het kader van finale geschilbeslechting ook inhoudelijk ingaan op de overige beroepsgronden.
Gezinsleven
6. Eiser voert aan dat hij het samenwonen met zijn broer en de sterke band met zijn nicht aannemelijk heeft gemaakt. Volgens eiser stelt de minister te strenge eisen aan de bewijsvoering.
De rechtbank overweegt dat het vaste rechtspraak van het EHRM is dat pas kan worden gesproken van een door artikel 8 van het EVRM beschermd gezinsleven tussen meerderjarigen als sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie. Er moet dan sprake zijn van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Hierbij kan onder meer relevant zijn: de eventuele samenwoning, de mate van financiële afhankelijkheid, de mate van emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister niet deugdelijk onderzocht en gemotiveerd of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen eiser en zijn broer en diens dochter(s). De rechtbank is verder van oordeel dat de minister weliswaar de verschillende genoemde elementen van afhankelijkheid heeft genoemd en beoordeeld, maar deze niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Daarnaast kan de rechtbank sommige conclusies van de minister met betrekking tot deze elementen niet volgen. De rechtbank licht dat hieronder toe.
Samenwoning en financiële afhankelijkheid
7. De rechtbank stelt voorop dat in het bestuursprocesrecht de zogenoemde vrije bewijsleer geldt. Deze houdt onder meer in dat, tenzij anders is voorgeschreven, elk stuk kan bijdragen aan bewijs, en dat de bewijskracht daarvan niet op voorhand is bepaald. Geen rechtsregel sluit verklaringen als hier aan de orde bij de bewijslevering uit.
Uitgaande van de eigen verklaring van eiser, de verklaringen van de buren en de bevestiging door eisers broer en nicht ter zitting, heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat hij nu ongeveer tien jaar samenwoont met zijn broer en diens dochter(s). Overigens heeft eiser op de zitting zijn paspoort getoond waarin ook het woonadres van de broer staat vermeld.
Eiser heeft verklaard dat hij kost en inwoning krijgt van zijn broer en diens dochter(s). Hij heeft op de zitting toegelicht dat hij geen inkomen heeft. Eiser krijgt van zijn broer en diens dochter(s) eten, kleding en zelfs zakgeld: “Zij betalen alles voor mij”. Dit is op de zitting bevestigd door de broer en de nicht. De rechtbank heeft geen reden om hieraan te twijfelen. De rechtbank acht het dan ook aannemelijk dat eiser financieel afhankelijk is van zijn broer en diens dochter(s). Zonder de financiële steun van zijn broer en diens dochter(s) zou eiser zich niet redden. Dit is een factor die bijdraagt aan de band tussen eiser en zijn broer en dochters(s). Dat, zoals de minister stelt, de financiële ondersteuning mogelijk ook op afstand zou kunnen plaatsvinden, doet daar niet aan af.
Medische en praktische afhankelijkheid
8. Tussen partijen is niet in geschil dat bij eiser sprake is van medische problematiek. Zoals gezegd is bij eiser sprake van uitgezaaide longkanker. Daarnaast kampt hij met een milde vorm van COPD, maar met uitgebreid longemfyseem en een forse diffusiestoornis,
waardoor de longen de zuurstof niet efficiënt uit de lucht naar het bloed kunnen krijgen. Eiser heeft in een eerdere fase al toegelicht dat zijn nicht [persoon 2] hem helpt met de administratie omtrent de zorg, het ophalen van medicatie, het douchen/wassen, het bereiden van eten en het huishouden. [persoon 2] heeft tijdens de hoorzitting verklaard dat zij eiser ondersteunt in zijn dagelijkse bezigheden. Ook begeleidt zij eiser onder andere bij zijn medische afspraken en onderhoudt zij bijvoorbeeld het contact met eisers advocaat. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat hij kortademig is en moeite heeft met traplopen. Douchen kan hij niet meer zelfstandig. Hij wordt hierbij geholpen door zijn nichten [persoon 2] , [persoon 3] en [persoon 4] . Zijn situatie is medisch stabiel, maar twee weken voorafgaand aan de zitting is de ambulance nog geweest omdat hij zo benauwd was. Volgens eiser had dit te maken met de longkanker. Op de zitting heeft nicht [persoon 3] nog toegelicht dat zij in de zorg werkt en zij vraagt zich af hoe eiser zich alleen zal moeten redden. De familie regelt dat er constant iemand thuis is om eiser te helpen, zelfs tijdens de vakantie. Hij heeft niemand anders, aldus [persoon 3] .
De rechtbank volgt de minister niet waar hij stelt dat uit de medische stukken en het BMA-advies blijkt dat de zorg die de broer en diens dochter(s) aan eiser verlenen vanuit een medisch oogpunt niet noodzakelijk is. Allereerst berust het standpunt van de minister op een onjuiste lezing van de medische informatie en het BMA-advies. Uit informatie van de longarts volgt dat de nicht van eiser hem de afgelopen jaren sinds de diagnose mantelzorg heeft verleend en poliklinisch heeft begeleid tijdens de behandeling en surveillance. De BMA-arts concludeert dat uit het dossier niet blijkt dat deze mantelzorg voor eiser essentieel is voor het welslagen van de medische behandeling (cursivering door de rechtbank). Daarnaast is onduidelijk waarop de minister baseert dat voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid is vereist dat verleende mantelzorg medisch noodzakelijk moet zijn.
Voor zover de minister heeft gesteld dat geen sprake is van medische afhankelijkheid omdat niet is gebleken dat eiser exclusief afhankelijk is van de broer en/of diens dochter (s), volgt de rechtbank de minister evenmin. Uit het arrest Martinez Alvarado volgt namelijk dat voor het aannemen van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet is vereist dat een vreemdeling zonder een referent niet zelfstandig kan functioneren. De minister heeft zich in zijn verweerschrift op het standpunt gesteld dat van volwassen mensen gevraagd kan worden dat zij zelfstandig kunnen wonen. De rechtbank is van oordeel dat dit standpunt geen recht doet aan de feiten en omstandigheden zoals door eiser en zijn broers en diens dochter(s) naar voren zijn gebracht.
Emotionele afhankelijkheid
9. De rechtbank neemt verder aan dat tussen eiser en zijn broer en diens dochter(s) sprake is van een bijzondere emotionele band. Het feit dat eiser al jaren bij de familie inwoont en volledig door de familie wordt verzorgd is in dat verband illustratief. Eiser heeft in een eerdere fase al toegelicht dat zijn nicht [persoon 2] hem emotionele ondersteuning biedt door dingen met hem te ondernemen. Ook de opmerking van nicht [persoon 3] ter zitting dat zij eiser beschouwt al een tweede vader, is kenmerkend.
Banden met het land van herkomst
10. Tot slot is de rechtbank van oordeel dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij geen tot weinig sociale contacten meer heeft in zijn land van herkomst. De minister stelt terecht dat eiser sterke banden heeft met Marokko, hij is er immers geboren en getogen, heeft daar vele jaren gewoond en spreekt de taal. Toch moeten die banden naar het oordeel van de rechtbank genuanceerd worden. Ten eerste heeft eiser verklaard – en op de zitting is dit door zijn familie bevestigd – dat zijn hele familie in Europa woonachtig is. De familie bezit ook geen familiehuis meer in Marokko. Er wonen nog twee broers van eiser in Nederland en hij heeft een zus in Frankrijk. Voorts is aannemelijk dat eiser al lange tijd niet meer in Marokko woont. De overweging in het bestreden besluit dat eiser, omdat hij in het verleden in Nederland sociale banden heeft kunnen opbouwen, dat nu ook kan in Marokko, miskent naar het oordeel van de rechtbank dat hij nu in een totaal andere levensfase zit; eiser is op leeftijd en hij is ongeneeslijk ziek.
Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de minister niet alle elementen op de juiste wijze heeft beoordeeld. Uit het bestreden besluit blijkt ook niet dat de minister de elementen in onderlinge samenhang heeft bekeken. Het bestreden besluit is daarom ook op dit punt onzorgvuldig voorbereid en dus gebrekkig. Deze beroepsgrond slaagt.
Privéleven
11. Eiser voert tot slot aan dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van privéleven. Hij voert hiertoe aan dat voor het aannemen van zeer langdurig verblijf in de zin van de EHRM-jurisprudentie geen verblijfsduur van rond de dertig jaar is vereist. Eiser verwijst in dit verband ook naar het beleid van de minister, waarin staat vermeld dat in beginsel snel kan worden aangenomen dat sprake is van privéleven. Volgens eiser is ook evident sprake van subjectieve belemmeringen als eiser gedwongen moet terugkeren naar Marokko. Eiser is immers ongeneeslijk ziek en zou dan (definitief) afscheid moeten nemen van zijn nabije familieleden die al die jaren zijn steun en toeverlaat waren.
De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van de minister dat geen sprake is van privéleven evident geen stand kan houden. De rechtbank overweegt hierbij dat het inherent is aan deze procedure dat het voor eiser lastig is om zijn verblijf in Nederland met officiële stukken aan te tonen. Kijkend naar wat er ligt, zijn medische stukken uit 2006 en enkele oude foto’s inderdaad te weinig om aan te nemen dat eiser al 30 jaar onafgebroken in Nederland woont. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser echter wel voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in elk geval sinds 2013 in Nederland verblijft. De rechtbank baseert zich hierbij op de melding van illegaal verblijf van de IND in 2013. Er zijn daarnaast aanwijzingen dat eiser al ruim voor 2013 in Nederland woonde en werkte, want dit volgt uit zijn eigen brief aan de Koning. Uit overweging 7.1. volgt verder dat eiser voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij in elk geval sinds tien jaar met zijn broer en diens dochter(s) samenwoont. Uit de ingebrachte verklaringen van de buren volgt verder dat eiser wordt gezien als een zeer vriendelijke, sociale en behulpzame buurman. Als gevolg van zijn verblijfsstatus heeft eiser niet legaal kunnen werken. Hij heeft naar eigen zeggen in het verleden wel zwart gewerkt, maar hij is er niet in geslaagd zijn werkzaamheden met stukken te onderbouwen. Sinds 2021 is hij ongeneeslijk ziek en heeft hij medische behandelingen ondergaan. Zijn familie ondersteunt hem bij alles, zoals volgt uit overwegingen 7.2. tot en met 8.2. Het bestreden besluit is op grond van het voorgaande onzorgvuldig voorbereid en dus gebrekkig. Deze beroepsgrond slaagt eveneens.
De minister heeft in zijn verweerschrift een subsidiair standpunt ingenomen en alsnog een belangenafweging verricht, voor zover kan worden aangenomen dat eiser de laatste jaren in Nederland verbleef. Nu de beoordeling met betrekking tot de medische situatie en het gezinsleven gebrekkig zijn omdat de minister niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken, kan de minister het gebrek daarmee niet herstellen. De minister zal immers op alle punten een nieuwe en volledige beoordeling moeten maken en die feiten en omstandigheden als uitgangspunt moeten nemen voor een nieuwe belangenweging.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is gegrond. Zoals hiervoor is overwogen is het bestreden besluit op meerdere punten genomen in strijd met de artikelen 3:2 van de Awb (zorgvuldige voorbereiding) en 3:46 van de Awb (deugdelijke motivering). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen.
13. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat
de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De
rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken na de dag van het verzenden van deze
uitspraak.
14. De minister zal een nieuwe beoordeling moeten maken en een actuele belangenafweging moeten verrichten. In dit verband geeft de rechtbank het volgende mee. De rechtbank heeft op de zitting gemerkt dat de broer en de nichten van eiser alles voor hem doen, maar dat het geen mensen zijn van ‘veel woorden’. Op de zitting is gebleken dat de situatie van eiser zeer zwaar valt bij zijn broer en nicht, zij hebben veel zorgen om eiser. De nicht heeft op zitting verklaard dat zij eiser ziet “als een tweede vader”. Deze emotionele band tussen eiser en zijn broer en nichten is onderbelicht gebleven in de besluitvorming. De rechtbank geeft de minister in overweging om eiser en zijn broer en dochter(s) in het kader van de bijkomende elementen van afhankelijkheid in de gelegenheid te stellen (beter) onder woorden te brengen hoe hun band is. Gezien het voorgaande, maar ook omdat de minister een actuele belangenafweging zal moeten verrichten, ligt het in de rede om eiser opnieuw te horen of gericht te bevragen. Bij het maken van die belangenafweging zal de minister ten slotte kenbaar moeten ingaan op de ‘certain degree of hardship’ bij gedwongen terugkeer naar het land van herkomst, zoals eiser naar voren heeft gebracht.
15. Nu op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt afgewezen.
16. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoek om een voorlopige voorziening en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.20857:
De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL25.20857:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.B. de Boer, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. C.L. Vrije, griffier.
Deze uitspraak is in het openbaar gedaan en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met de uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift
sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd
waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden
ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. De datum van
verzending van de uitspraak ziet u hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening is geen hoger beroep of verzet mogelijk.